U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Cultuur

Toegegeven, ik heb geaarzeld bij Death of Stalin, de satirische film over de machtsstrijd binnen de Sovjet-Unie na de dood van de wereldrecordhouder massamoord. Grappen en grollen tegen de achtergrond van de willekeurige moordpartijen, kan dat eigenlijk wel? Het bijkt te kunnen, vooral omdat de humor nergens de gruwelen bagatelliseert, maar juist de cynische machinaties erachter accentueert.

In de hoofdrol zien we Steve Buchemi, die als Nikita Chroestsjov hetzelfde karakter neerzet als altijd: ongeduldig, bozig, zich wanhopig en gelaten afvragend waarom hij omgeven is door incompetente sukkels als Vyacheslav Molotov (Michael Palin, altijd in vorm als verstrooide wijfelkont). De enige ander in het politbureau die iets voorstelt is Lavrenti Beria (met duivels genoegen gespeeld door de vrij onbekende Simon Russell Beale). In de film wordt mooi duidelijk dat de machtsstrijd niet alleen tussen Chroestsjov en Beria gaat, maar ook tussen het leger en de geheime dienst.

Er wordt gesold met het lijk van Stalin, sprintjes getrokken om het eerst bij zijn dochter in het gevlei te komen – af en toe is de film regelrechte slapstick. Maar telkens weer als je geneigd zou kunnen zijn het te vergeten, drukt regisseur Armando Iannucci je met de neus op de feiten. Dat sprintje van zwaarlijvige mannen lijkt kinderachtig, maar het is een kwestie van leven of dood. De kleinste steek laten vallen en je hebt ineens een kogel in je hoofd, zoals Beria aan het eind ondervindt. Ja, er mag gelachen worden, maar niet zonder alles uiterst serieus te nemen.

Schuur nummer twaalf kijkt neer op nummer 13 en 14. De laatste bevatten namelijk vaten zuurkool, terwijl hij de trotse bewaker is van een stel mooie fietsen. Dan slaat het noodlot toe: schuur nummer twaalf wordt verkocht. De fietsen gaan weg, er komt een vat ingelegde komkommerlijken voor in de plaats. Vat en schuur mogen elkaar niet. Dat kan alleen maar verkeerd aflopen – en dat doet het dan ook in de verhalenbundel The blue lantern van de Russische auteur Victor Pelevin.

Schuur nummer twaalf is niet de enige, laten we zeggen, minder gebruikelijke hoofdpersoon in de verhalen. Er zijn bijvoorbeeld ook twee kuikens die proberen te ontsnappen aan de slacht, twee cocaïne snuivende soldaten die communisten in Sint Petersburg moeten tegenhouden tijdens de revolutie van 1917, en een vrouw die een handeltje heeft in het tot leven wekken van omgekomen Duitse soldaten, om ze te laten trouwen met Russinnen die zo een visum voor het westen proberen te bemachtigen.

Knettergek is de beste omschrijving voor Pelevins verhalen, maar ze boeien niettemin. Want knettergek was ook de tijd (begin jaren negentig) waarin Pelevin de verhalen schreef. Het verhaal van de kuikens, bijvoorbeeld, valt goed te lezen als een parabel over twee dissidenten die liever voor het grote onbekende kiezen dan dat ze bij de groep blijven. Knettergek, zeker, maar minstens zo fantasievol en intrigerend.

Exlusief bij Boek & Meester, op 6 juni 20 uur in de Kunsthal: Bernhard Schlink komt vertellen over zijn nieuwe roman Olga. De auteur van De Voorlezer (verfilmd met Kate Winslet in de Oscarwinnende hoofdrol) doet in Nederland alleen Rotterdam aan. Hij wordt aan de tand gevoeld door Jasper Henderson en het publiek. Na afloop is er alle gelegenheid om een gesigneerd exemplaar te bemachtigen bij de meereizende boekhandel. Kaartjes hier.

Ik heb Olga ter voorbereiding inmiddels gelezen. De hoofdpersoon is een lerares uit Pommeren (tegenwoordig in het oosten van Polen), wier leven het wel en wee van Duitsland weerspiegelt vanaf het eind van de negentiende eeuw tot de jaren zeventig van de twintigste. Het verhaal gaat alleen over haar persoonlijk, maar tegelijkertijd vertelt Schlink een groter verhaal. Het boek heeft ook het karakter van een speurtocht, met twee plotwendingen aan het eind, waaraan je kunt zien dat de auteur begonnen is als thrillerschrijver.

En die thrillers kwamen allicht weer voort uit Schlinks juridische carrière. Hij is namelijk nog altijd een staatsrechtspecialist met een internationale reputatie. Ook die achtergrond klinkt een paar keer door in Olga. Hoe alles in elkaar steekt horen we hopelijk op 6 juni.

Welbeschouwd is het nogal wonderlijk dat Kameraad Kisljakov van Pantelejmon Romanov überhaupt heeft kunnen verschijnen in de Sovjet Unie onder Stalin. Goed, de roman werd na verschijning snel verboden, maar Romanov slaagde erin nog jarenlang te leven en zelfs een natuurlijke dood te sterven. Terwijl samenwerken met de communisten toch vrij onverholen met hoererij wordt vergeleken en ook anderszins weinig fraais over de rode heilsstaat te lezen valt.

Het verhaal: Ippolit Kisljakov is medewerker van het Centraal Museum te Moskou en behoort daarmee tot de intelligentsia. Een rustig leventje dat verstoord wordt door de aanstelling van een nieuwe directeur, die het museum meer in lijn moet brengen met het nieuwe regime. Het is duidelijk dat dit niet voor iedereen goed gaat aflopen. Kisljakov besluit er het beste van te maken en zorgt dat hij niet al te opvallend in het gevlei komt bij de nieuwe directeur. Gaandeweg neemt hij meer afstand van zijn oude collega’s, die een voor een worden weggestuurd. Romanov observeert:

Het volk, het proletariaat, dat zo aandoenlijk en geweldig was geweest zolang het door andere klassen was mishandeld, was helemaal niet meer aandoenlijk en geweldig toen het deze klassen zelf begon te mishandelen en daarbij op de meest directe manier van zijn eigen bestaan te kennen gaf, dat wil zeggen, met boerenhemd en laarzen alle instellingen binnenliep en zijn plek innam.

Lees meerPantelejmon Romanov: Kameraad Kisljakov

Net als in de jongste roman van Ester Gerritsen wordt er in De heilige Rita van Tommy Wieringa stevig geloofd, op katholieke wijze. Dit keer niet in een klooster maar op het Twentse platteland, tegen de Duitse grens aan. Hoofdpersoon is Paul Krüzen, een eenling die nooit verder gekomen is dan de boerderij van zijn ouders, waar hij nog altijd voor zijn oude vader zorgt. Hij drijft er een handeltje in militaire memorabilia.

Pauls moeder is er ooit vandoor gegaan met een Russische piloot die – en dit mogen we toch echt een Wieringaiaanse wending noemen – tijdens de Koude Oorlog onder de radar van het IJzeren Gordijn door vloog en in het maisveld achter de boerderij crashte. De Rus werd ondervraagd door de autoriteiten, die verder niet wisten wat ze met hem moesten, zodat ze hem maar op de boerderij terug bezorgden. Hij bleek uiteindelijk een interessantere man dan de introverte boer.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de flashbacks van de Rus de sterkste passages vormen in De heilige Rita. Het treurige gehannes met de dorpsgenoten, het bordeel net over de grens, het dorpje dat door immigranten overeind wordt gehouden tot ook die vertrekken, de leegte van het landschap, het is allemaal prachtig beschreven, maar het ontbeert de vonk van inventiviteit. Nog steeds een sterk boek, maar niet Wieringa’s beste, zoals de recensent van het AD suggereerde.

Ter voorbereiding op de komst van Esther Gerritsen naar Worm Rotterdam op 24 april (koop kaartjes!) las ik haar nieuwste roman, De trooster. Wie de letterenscene een beetje volgt weet waar die over gaat, want zo’n beetje alle kranten hebben er aandacht aan besteed. Maar in het kort: Jacob, de concierge van een klooster, wint tegen zijn zin het vertrouwen van een gast, Henry Loman. Er ontwikkelt zich een vriendschap waarbij Jacob steeds meer het gevoel krijgt dat hij Henry moet redden.

De trooster leest bij vlagen als een inleiding in het katholicisme. Het lijkt een nieuw thema in Gerritsens werk, maar op de achtergrond heeft het geloof altijd een rol gespeeld. In een van haar eerste toneelstukken (dat ik ergens in 1999/2000 zag) speelde een bisschop een opvallende rol. Hij stond in de keuken. De toeschouwers kregen hem niet te zien, maar de bisschop drong zich wel op in de conversatie.

Uiteindelijk gaat het boek echter niet over geloof, maar over Jacob, die vrij gemakzuchtig in het leven staat en nu geconfronteerd wordt met een opdracht, die hij eerst van zich af probeert te schuiven maar waarmee hij zich uiteindelijk zo identificeert dat hij zijn eigen en andermans grenzen overschrijdt. Knap geschreven door Gerritsen, die de lezer schijnbaar moeiteloos door een plot leidt dat een even logisch als verrassend eind kent.

Zes verhalen telt de bundel Fortune smiles van de Amerikaanse schrijver Adam Johnson, die er in 2015 de National Book Award mee won (nadat hij eerder al een Pulitzer Prize binnensleepte voor zijn roman The Orphan Master’s Son). Zes totaal verschillende verhalen zijn het, maar ze hebben gemeen dat hun hoofdpersonen curieuze outsiders zijn.

Neem het titelverhaal, waarin twee Noord-Koreaanse deserteurs centraal staan. Ze proberen in te burgeren in Seoul, maar een van de twee heeft heimwee en komt erachter dat terugkeren moeilijker is dan vluchten. In het noorden moesten ze voortdurend op eieren lopen om niet in ongenade te vallen, maar ze stelden tenminsten wel wat voor. In Seoul zijn ze niemand. In een vergelijkbare positie bevindt zich de voormalige Oost-Duitse gevangenisdirecteur, nog altijd trots op de orde die hij handhaafde, die met lede ogen toeziet hoe zijn instelling nu aan toeristen getoond wordt als een afschrikwekkend voorbeeld van de geschiedenis.

Zo is er ook een voormalige pedofiel die zich ineens het lot moet aantrekken van twee jonge buurmeisjes en een nerd die een perfecte computersimulatie van Kurt Cobain maakt om zijn zieke vrouw te plezieren. Allemaal karakters van wie je niet meteen weet wat je van hen verwachten mag. Adam Johnson is een groot verteller die in staat is je in andermans gedachtenwereld te brengen om hun drijfveren te leren kennen, ook als die nogal dubieus zijn.

Sadegh Hedayat, van wie ik eerder de verhalenbundel Three drops of Blood las, was geen lachebekje. Zijn bekendste werk, De blinde uil, waarvan onlangs een nieuwe uitgave verscheen, is daarop geen uitzondering. De Iraanse schrijver (1903-1951) beschrijft de duistere, hallucinante gedachten van een man op weg naar de dood.

Van een plot kun je moeilijk spreken. Hij verlangt naar een vrouw die hij gekend heeft (of misschien alleen maar gezien). Zijn oom bezoekt hem. Als hij reikt naar een oude fles wijn om zijn gast in te schenken ziet hij boven de kast een raam dat daar niet was. Door het raam ziet hij de vrouw. Als hij zijn aandacht weer naar zijn gast verlegt, is die verdwenen. Het raam blijkt ook onvindbaar. Geen van de gebeurtenissen in De blinde uil hoeft werkelijk plaats te vinden. Het gaat om de naargeestige, wanhopige sfeer die Hedayat wil oproepen.

Dat lukt goed. De blinde uil is stilistisch en narratief sterk. Je moet wel houden van dit soort zwarte romantiek. Anders gaat overdosis aan Weltschmerz je waarschijnlijk tegenstaan.

Op een schip van New York naar naar Buenos Aires leert de verteller in Schachnovelle, een literair kleinood van Stefan Zweig, de zonderlinge schaakgrootmeester Mirko Czentovic kennen. Al is kennen leren misschien wat sterk uitgedrukt, want Czentovic communiceert nauwelijks. Wel gaat de grootmeester in op het verzoek van een Amerikaan om tegen betaling een partij te spelen tegen de verzamelde belangstellenden. Ze verliezen uiteraard smadelijk, maar tijdens de revanche fluistert een onbekende man de Amerikaan een paar zetten in die tot remise leiden. Daarna treedt de onbekende, dr B., aan tegen de grootmeester en wint.

De kern van Schachnovelle is niet de partij aan boord, maar de levensverhalen van Czentovic en dr. B., twee totaal verschillende mensen, een eenvoudige boerenjongen die talent voor schaken blijkt te hebben en zijn leven eraan wijdt, versus de adellijke jurist die in eenzame opsluiting een schaakboek gebruikt om geestelijk gezond te blijven tussen de Gestapoverhoren door.

De Oostenrijker Zweig schreef de novelle in ballingschap in Brazilië. Het verscheen in 1942, het jaar van zijn zelfgekozen dood. Schachnovelle gaat over het overwinnen van tegenslagen, iets wat Zweig zelf niet kon opbrengen. Vooral het verhaal van dr B. is beklemmend.

De J. Kessels romans van P.F. Thomése zijn de literaire variant van het patatje pinda. Niet echt verantwoord, maar af en toe best wel lekker. Ik ben nu halverwege de nieuwste, Ik, J. Kessels, en er wordt weer oeverloos geouwehoerd, biertjes gehesen en andere dingen gedaan waarmee heren op leeftijd de schijn hoog houden dat ze nog jong en onaangepast zijn.

Op 22 maart komt Thomése naar Rotterdam (20 uur, voormalig Ro Theater, kaartjes). Ernest van der Kwast gaat met de schrijver in gesprek over het boek, de verloren vriendschap met de echte J. Kessels, de relatie tussen fictie en werkelijkheid, de balans tussen komische romans zijn andere werk, het schrijverschap in het algemeen, en natuurlijk zijn voorliefde voor countrymuziek.

Kortom, er valt het nodige te lachen, maar we gaan het ook hebben over serieuze zaken. En ik kan het weten, want as we speak ben ik druk bezig de vragen voor te bereiden. Had ik al gezegd dat er nog kaartjes zijn? Er zijn kaartjes! HIER



×