U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Cultuur

Net als in de jongste roman van Ester Gerritsen wordt er in De heilige Rita van Tommy Wieringa stevig geloofd, op katholieke wijze. Dit keer niet in een klooster maar op het Twentse platteland, tegen de Duitse grens aan. Hoofdpersoon is Paul Krüzen, een eenling die nooit verder gekomen is dan de boerderij van zijn ouders, waar hij nog altijd voor zijn oude vader zorgt. Hij drijft er een handeltje in militaire memorabilia.

Pauls moeder is er ooit vandoor gegaan met een Russische piloot die – en dit mogen we toch echt een Wieringaiaanse wending noemen – tijdens de Koude Oorlog onder de radar van het IJzeren Gordijn door vloog en in het maisveld achter de boerderij crashte. De Rus werd ondervraagd door de autoriteiten, die verder niet wisten wat ze met hem moesten, zodat ze hem maar op de boerderij terug bezorgden. Hij bleek uiteindelijk een interessantere man dan de introverte boer.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de flashbacks van de Rus de sterkste passages vormen in De heilige Rita. Het treurige gehannes met de dorpsgenoten, het bordeel net over de grens, het dorpje dat door immigranten overeind wordt gehouden tot ook die vertrekken, de leegte van het landschap, het is allemaal prachtig beschreven, maar het ontbeert de vonk van inventiviteit. Nog steeds een sterk boek, maar niet Wieringa’s beste, zoals de recensent van het AD suggereerde.

Ter voorbereiding op de komst van Esther Gerritsen naar Worm Rotterdam op 24 april (koop kaartjes!) las ik haar nieuwste roman, De trooster. Wie de letterenscene een beetje volgt weet waar die over gaat, want zo’n beetje alle kranten hebben er aandacht aan besteed. Maar in het kort: Jacob, de concierge van een klooster, wint tegen zijn zin het vertrouwen van een gast, Henry Loman. Er ontwikkelt zich een vriendschap waarbij Jacob steeds meer het gevoel krijgt dat hij Henry moet redden.

De trooster leest bij vlagen als een inleiding in het katholicisme. Het lijkt een nieuw thema in Gerritsens werk, maar op de achtergrond heeft het geloof altijd een rol gespeeld. In een van haar eerste toneelstukken (dat ik ergens in 1999/2000 zag) speelde een bisschop een opvallende rol. Hij stond in de keuken. De toeschouwers kregen hem niet te zien, maar de bisschop drong zich wel op in de conversatie.

Uiteindelijk gaat het boek echter niet over geloof, maar over Jacob, die vrij gemakzuchtig in het leven staat en nu geconfronteerd wordt met een opdracht, die hij eerst van zich af probeert te schuiven maar waarmee hij zich uiteindelijk zo identificeert dat hij zijn eigen en andermans grenzen overschrijdt. Knap geschreven door Gerritsen, die de lezer schijnbaar moeiteloos door een plot leidt dat een even logisch als verrassend eind kent.

Zes verhalen telt de bundel Fortune smiles van de Amerikaanse schrijver Adam Johnson, die er in 2015 de National Book Award mee won (nadat hij eerder al een Pulitzer Prize binnensleepte voor zijn roman The Orphan Master’s Son). Zes totaal verschillende verhalen zijn het, maar ze hebben gemeen dat hun hoofdpersonen curieuze outsiders zijn.

Neem het titelverhaal, waarin twee Noord-Koreaanse deserteurs centraal staan. Ze proberen in te burgeren in Seoul, maar een van de twee heeft heimwee en komt erachter dat terugkeren moeilijker is dan vluchten. In het noorden moesten ze voortdurend op eieren lopen om niet in ongenade te vallen, maar ze stelden tenminsten wel wat voor. In Seoul zijn ze niemand. In een vergelijkbare positie bevindt zich de voormalige Oost-Duitse gevangenisdirecteur, nog altijd trots op de orde die hij handhaafde, die met lede ogen toeziet hoe zijn instelling nu aan toeristen getoond wordt als een afschrikwekkend voorbeeld van de geschiedenis.

Zo is er ook een voormalige pedofiel die zich ineens het lot moet aantrekken van twee jonge buurmeisjes en een nerd die een perfecte computersimulatie van Kurt Cobain maakt om zijn zieke vrouw te plezieren. Allemaal karakters van wie je niet meteen weet wat je van hen verwachten mag. Adam Johnson is een groot verteller die in staat is je in andermans gedachtenwereld te brengen om hun drijfveren te leren kennen, ook als die nogal dubieus zijn.

Sadegh Hedayat, van wie ik eerder de verhalenbundel Three drops of Blood las, was geen lachebekje. Zijn bekendste werk, De blinde uil, waarvan onlangs een nieuwe uitgave verscheen, is daarop geen uitzondering. De Iraanse schrijver (1903-1951) beschrijft de duistere, hallucinante gedachten van een man op weg naar de dood.

Van een plot kun je moeilijk spreken. Hij verlangt naar een vrouw die hij gekend heeft (of misschien alleen maar gezien). Zijn oom bezoekt hem. Als hij reikt naar een oude fles wijn om zijn gast in te schenken ziet hij boven de kast een raam dat daar niet was. Door het raam ziet hij de vrouw. Als hij zijn aandacht weer naar zijn gast verlegt, is die verdwenen. Het raam blijkt ook onvindbaar. Geen van de gebeurtenissen in De blinde uil hoeft werkelijk plaats te vinden. Het gaat om de naargeestige, wanhopige sfeer die Hedayat wil oproepen.

Dat lukt goed. De blinde uil is stilistisch en narratief sterk. Je moet wel houden van dit soort zwarte romantiek. Anders gaat overdosis aan Weltschmerz je waarschijnlijk tegenstaan.

Op een schip van New York naar naar Buenos Aires leert de verteller in Schachnovelle, een literair kleinood van Stefan Zweig, de zonderlinge schaakgrootmeester Mirko Czentovic kennen. Al is kennen leren misschien wat sterk uitgedrukt, want Czentovic communiceert nauwelijks. Wel gaat de grootmeester in op het verzoek van een Amerikaan om tegen betaling een partij te spelen tegen de verzamelde belangstellenden. Ze verliezen uiteraard smadelijk, maar tijdens de revanche fluistert een onbekende man de Amerikaan een paar zetten in die tot remise leiden. Daarna treedt de onbekende, dr B., aan tegen de grootmeester en wint.

De kern van Schachnovelle is niet de partij aan boord, maar de levensverhalen van Czentovic en dr. B., twee totaal verschillende mensen, een eenvoudige boerenjongen die talent voor schaken blijkt te hebben en zijn leven eraan wijdt, versus de adellijke jurist die in eenzame opsluiting een schaakboek gebruikt om geestelijk gezond te blijven tussen de Gestapoverhoren door.

De Oostenrijker Zweig schreef de novelle in ballingschap in Brazilië. Het verscheen in 1942, het jaar van zijn zelfgekozen dood. Schachnovelle gaat over het overwinnen van tegenslagen, iets wat Zweig zelf niet kon opbrengen. Vooral het verhaal van dr B. is beklemmend.

De J. Kessels romans van P.F. Thomése zijn de literaire variant van het patatje pinda. Niet echt verantwoord, maar af en toe best wel lekker. Ik ben nu halverwege de nieuwste, Ik, J. Kessels, en er wordt weer oeverloos geouwehoerd, biertjes gehesen en andere dingen gedaan waarmee heren op leeftijd de schijn hoog houden dat ze nog jong en onaangepast zijn.

Op 22 maart komt Thomése naar Rotterdam (20 uur, voormalig Ro Theater, kaartjes). Ernest van der Kwast gaat met de schrijver in gesprek over het boek, de verloren vriendschap met de echte J. Kessels, de relatie tussen fictie en werkelijkheid, de balans tussen komische romans zijn andere werk, het schrijverschap in het algemeen, en natuurlijk zijn voorliefde voor countrymuziek.

Kortom, er valt het nodige te lachen, maar we gaan het ook hebben over serieuze zaken. En ik kan het weten, want as we speak ben ik druk bezig de vragen voor te bereiden. Had ik al gezegd dat er nog kaartjes zijn? Er zijn kaartjes! HIER

In een provinciestadje strijkt een gezelschap neer met als voornaamste attractie een opgezette walvis. Dat heb ik eerder gelezen. Maar László Krasznahorkai’s De melancholie van het verzet is geen lichtvoetig sprookje. Eerder een duistere parabel. Met de walvis is een groep van twintig mannen megekomen. Ze staan op het stadsplein, smoezend met elkaar. Die hebben weinig goeds in de zin, dat is duidelijk. De burgers van de stad moeten zich ergens op voorbereiden, of wegkijken, of het op een zuipen zetten.

Er is bijvoorbeeld mevrouw Eszter, die meent dat zij de macht zal moeten overnemen om erger te voorkomen. Meneer Harrer, die haar blindelings volgt. Meneer Eszter, die vooral met rust gelaten wil worden (en geminacht wordt door zijn vrouw). De simpele Valuska, zijn burgerlijke moeder, de inepte politiecommandant en nog wat andere karakters. Zij spelen allen hun rol op weg naar de onvermijdelijke ontlading. Maar daar gaat het allemaal niet om.

Het gaat om de taal, zinnen die soms meer dan een pagina aanhouden, niet een enkele keer maar bij voortduring, alsof de woorden gedrenkt zijn in suikerstroop die niet wil loslaten (en dan gooit László Krasznahorkai – grootmeester van de dubbele tangconstructies, haakjes en andere in literair verband zelden gebruikte leestekens – er met een gerust hart nog een paar bijzinnen tussendoor), woorden ook die zwanger zijn van zinloze details en achteloze terzijdes die verloren gaan in de zoektocht naar de betekenis van de hoofdzin, die zich evenmin altijd met gemak ontwaren laat, zodat je alleen maar kunt alleen met ontzag denken aan de concentratie die de auteur heeft moeten opbrengen tijdens het schrijven, terwijl je ook niet kunt nalaten met een mengsel van gruwel, medelijden en bewondering te denken aan de vertaler die dit allemaal vanuit het Hongaars, dat als Finoegrische taal immers totaal andere zinsconstructies kent, naar het Nederlands heeft moeten omzetten, een taal dus die uitblinkt in complexiteit, waarbij je je gelukkig prijst dat het verhaal er geen al te hoog tempo op nahoudt, zodat de schade beperkt is wanneer je het spoor een keer volkomen bijster raakt en van arren moede doorgaat met de volgende zin, waar je tot de ontdekking komt dat er in de tussentijd (op die pagina die je feitelijk hebt overgeslagen dus) gelukkig niet al te veel gebeurd is – dat zou je nopen die vermaledijde zin alsnog tot je te nemen – en je je weer kunt wijden aan de overpeinzingen van meneer Eszter, wiens gedachten weliswaar verheven en diepzinnig zijn, maar niet buitengewoon relevant in het licht van de gebeurtenissen die zich buiten afspelen waar zijn vriend, de simpele Valuska, het opneemt tegen mannen die doen alsof ze zijn vrienden zijn maar hem, tevergeefs aankloppend bij het huis van zijn moeder, ondertussen naar zijn ondergang leiden.

Dat dus. Het is allemaal waanzinnig knap en László Krasznahorkai wordt met recht als een literaire krachtpatser beschouwd. Na een poosje wen je zelfs aan de taal en glijden de pagina’s sneller voorbij. Maar veel meer dan knap is het niet.

Tonya Harding was de eerste Amerikaanse kunstrijdster die de driedubbele axel beheerste, maar is de geschiedenis ingegaan vanwege haar betrokkenheid bij een poging haar rivale Nancy Kerrigan het ziekenhuis in te slaan. Iedereen haat Tonya. Maar niet meer nadat je de biopic I, Tonya gezien hebt, gebaseerd op “wildly contradictory interviews” met de betrokkenen.

Tonya heeft niet de frêle elegantie die van kunstrijdsters verwacht wordt. Ze ziet eruit alsof ze dagelijks hout hakt, merkt haar coach op. Dat komt omdat ze iedere dag hout hakt, zegt haar moeder, een verschrikkelijk mens dat haar dochter mishandelt. Tonya vlucht het huis uit, trouwt jong. Haar man mishandelt haar ook. En dan klaagt dat nufje van een Kerrigan als ze ook eens een keer klappen krijgt. Terwijl Tonya niet beter weet dan dat die bij het leven horen.

Lees meerPrachtfilm: I, Tonya

Katharine Graham was de uitgeefster (en eigenaar) van The Washington Post ten tijde van de Pentagon Papers en Watergate. De eerste vrouwelijke CEO in de Fortune 500. Ze was weliswaar in de veertig toen ze aan het roer kwam, maar de krant was van haar vader geweest en ze bewoog zich haar hele leven al in de hoogste kringen in Washington. Formeel was ze misschien ‘huisvrouw’, maar in werkelijkheid natuurlijk een formidabele vrouw die zich door niemand de wet liet voorschrijven.

Daarom steekt het zo dat ze door Meryl Streep, in de verfilming van de affaire rond de Pentagon Papers, als een wijfelkont wordt neergezet. Er komen bijna traantjes aan te pas als ze het voortbestaan van de krant op het spel zet door tot publicatie over te gaan (The New York Times, die de primeur had, had op dat moment al een publicatieverbod). Zo zit een vrouw die gewend is met macht en machtigen om te gaan, niet in elkaar. De werkelijkheid was ook anders:

Lees meerMeryl Streep perst traantjes in The Post

Zijde is een kleine novelle, een sprookje haast, van de gelauerde Italiaanse auteur Alessandro Baricco. Het gaat over Hervé Joncour, die halverwege de negentiende eeuw naar Japan afreist om clandestien eitjes van de zijderups te bemachtigen. Die vormen de basis voor de zijdespinnerijen in zijn Zuid-Franse dorp. Telkens weer gaat hij terug, steeds minder voor de eitjes, steeds meer voor de mysterieuze vrouw in het gezelschap van de man die hem de eitjes verkoopt.

Het verhaal werd al eens verfilmd. Nu is er een versie met prachtige illustraties van Rébecca Dautremer, die de dromerige sfeer van het verhaal prachtig vangt. Eigenlijk verdient dit boek het drie keer gelezen te worden. Eén keer om de tekst in een vloeiende beweging tot je te nemen. Eén keer om de illustraties te bestuderen. En één keer om de samenhang te bewonderen.



×