
Twee uur lang op het puntje van je stoel zitten bij een spionagethriller met een verwaarloosbaar aantal actiescènes – dat is Tinker Tailor Soldier Spy. Het verhaal start eenvoudig: de gepensioneerde Britse spion Smiley krijgt de opdracht een mol te zoeken in de top van de geheime dienst.
Wat volgt is een ingewikkeld schaakspel waarin velen wat te verbergen hebben, niet alleen geheime contacten met de Russen, maar ook persoonlijke ambities en trauma’s. Smiley worstelt zich door logboeken om snippertjes informatie te verzamelen die hem uiteindelijk brengen bij een dood gewaande collega, die zonder het te weten de sleutel in handen heeft.
Lezen, gesprekken voeren, rondsnuffelen, het heeft allemaal een laag James Bond gehalte, maar er gaat bijna geen minuut voorbij zonder dat je als kijker een nieuwe kluif krijgt toegeworpen. Het hoeven niet altijd explosies te zijn.
De onverstoorbare Smiley wordt prachtig neergezet door Gary Oldman. Regisseur Tomas Alfredson doorsnijdt zijn chronologische vertelling met flashbacks, die vooral bedoeld zijn als sfeerbeelden en om de verhoudingen tussen personages te schetsen. Zelden een thriller met zoveel geslaagde lagen gezien.

Tilda Swinton heeft al grote hoeveelheden lof toegezwaaid gekregen voor haar rol in We need to talk about Kevin, waarin ze de moeder van een onmogelijke zoon speelt. Dat is terecht. Het is een rol waarin veel wezenloos gekeken moet worden en daar is Swinton een meester in.
De film zelf is traag, en ondanks het gegeven (je weet dat de jongen een slachting gaat aanrichten op zijn school) nogal saai. Telkens weer dezelfde scènes met een steeds oudere Kevin: moeder dwingt zichzelf om aardig te zijn voor haar kind, kind toont onwil en misdraagt zich, maar wordt subiet een engeltje als vader in de buurt komt, waarna confrontatie volgt tussen vader en moeder, zodat moeder zich toch weer dwingt om aardig te zijn, enzovoort.
Slechts een paar keer zie je een glimp van karakterontwikkeling, bijvoorbeeld als Kevin ziek is en ineens heil zoekt bij zijn moeder in plaats van vader. Telkens hoop je op een verdieping van de karakters, maar dan keert het refrein in zijn volle, trage glorie terug. ‘We need to talk about Kevin’ is zeker geen slechte film, maar te monotoon om de aandacht bijna twee uur vast te houden.

Margin Call is een thriller zonder de minste dreiging van geweld. Een jonge analist bij een bank komt erachter dat de complexe financiële producten die zijn bank koopt en verkoopt, de risico’s bij de bank zo hebben opgestapeld dat een bankroet nabij is.
Hij meldt het bij zijn baas, en dan gaat een hele keten van machtsspelletjes lopen tot aan de top van het bedrijf toe. Iedereen wist wel dat de risico’s groot waren, maar nu moet iemand de schuld krijgen. En de giftige beleggingen moeten gedumpt worden bij andere banken, zonder dat die het doorhebben.
Margin Call is het best te genieten als je enige kennis van het bankwezen hebt, want overdreven uitleggerig is de film gelukkig niet. Sterk acteerwerk van onder andere Jeremy Irons, Kevin Spacey, Stanley Tucci en Demi Moore maakt het ook aantrekkelijk. Het mooiste is echter dat Margin Call de kredietcrisis een menselijke maat weet te geven.

In zijn eigen film, Ides of March, mag George Clooney eindelijk eens een onaangenaam personage neerzetten, een gouverneur die president wil worden. Op het eerste gezicht lijkt hij hetzelfde sympathieke karakter dat hij vrijwel altijd speelt, maar helemaal aan het begin van de film legt Clooney al een waarschuwing in de mond van een journaliste: die kerel lijkt aardig, maar hij is een politicus, dus eens zal hij je teleur stellen.
Die waarschuwing slaat hoofdpersoon Stephen, tweede campagnemanager van de gouverneur, in de wind. Hij gelooft werkelijk in de kandidaat, die volgens de peilingen aan kop staat in de voorverkiezingen van zijn partij. Het plot begint te rollen als hij een telefoontje krijgt van de eerste campagnemanager van de tegenpartij. Die geeft cruciale informatie over zijn baas prijs, maar doet ook een voorstel dat Stephen in verwarring brengt.
Wie bedriegt wie en waarom? Ides of march slaagt erin een spannende film te zijn zonder lijken, schietpartij of wat voor actie dan ook, behalve een ongeloofwaardige zelfmoord tegen het eind. Als kijker ben je geneigd mee te leven met Stephen, maar je ziet ook net iets meer manipulatie dan hij. Puntje van de stoelwerk met een ijzersterk acterende cast.

Afgelopen vrijdag zag ik Source Code, een science fiction film met Jake Gylenhaal in de hoofdrol als marinier die de laatste herinnering van een terreurslachtoffer geïmplanteerd krijgt om die te kunnen doorzoeken op aanwijzingen naar de dader. Een aardige vondst voor een film, die matig wordt uitgewerkt en vooral dankzij de hoofdrolspeler overeind blijft.
Die dag had ik het nieuws niet echt gevolgd. Dus pas zaterdagochtend drong tot mij door dat het terreurscenario uit de film – een kleinere aanslag als voorwaarschuwing voor een grote, door een eenling met een verwrongen geest die de mensheid door destructie vooruit denkt te kunnen helpen – zich ondertussen in Noorwegen in het echt afgespeeld had.
Je kunt niet zeggen dat de werkelijkheid de science fiction heeft ingehaald, maar de film kreeg er voor mij achteraf wel een andere lading van.

Wie het boek nauwgezet volgt, zit met de verfilming van Kazuo Ishiguro’s roman Never let me go bijna vanzelf goed. Het verhaal over koststchoolkinderen die een toekomst als ‘zorger’ en ‘donor’ tegemoet gaan, is namelijk ijzersterk en verontrustend.
De film is helaas niet zo sterk als het boek. Dat komt doordat teveel nadruk komt te liggen op de driehoeksrelatie tussen de hoofdpersonen Ruth, Kathy en Tommy, maar vooral door de bombastische muziek, die overal een larmoyante saus overheen giet. Een kalere aanpak, waarbij de emoties niet in het gezicht van de kijker gedrukt worden, zou beter bij het verhaal hebben aangesloten.
Dat neemt niet weg dat de film een aantal indrukwekkende scènes kent, met name telkens wanneer weer een illusie onderuit gehaald wordt, die de kinderen hun hele leven gekoesterd hebben. Op die momenten valt het persoonlijke drama en ethische ongemak samen.

The Fighter is nog maar tien seconden onderweg wanneer je al weet dat je een uitstekende film tegemoet gaat. Christian Bale, die doorgaans houterig acteert, zet een elektrische rol neer als de doorgedraaide crackverslaafde annex broer en bokstrainer van Mark Wahlberg.
Voor het verhaal hoef je niet naar The Fighter. Het gaat gewoon over een bokser die na zware tegenslag de titel wint. Maar de prestaties in de bijrollen maken het een geweldige kijkervaring. Niet alleen Bale, ook Melissa Leo als moeder is gedenkwaardig, net als de onbekende actrices die het roedel zussen neerzetten.
Eigenlijk is het boksverhaal dan ook ondergeschikt aan het menselijke drama. Daar valt de hand van producer Darren Aronofsky in te herkennen. Je hoeft dan ook niet van boksen te houden om van de film te genieten.

Biutiful gaat over een sjacheraar in Barcelona, die illegalen ‘aan het werk’ helpt, zijn kinderen probeert op te voeden en te beschermen tegen hun manisch depressieve moeder, en dan ook nog eens te horen krijgt dat hij prostaatkanker in een vergevorderd stadium heeft.
Kortom, de ellende stapelt zich op, maar Uxbal buffelt ambigu voort. Enerzijds buit hij zijn illegalen uit, maar in een poging een van hen uit handen van de politie te houden, belandt hij zelf in de cel. Hij heeft het beste met zijn kinderen voor, maar in de praktijk verwaarloost hij ze. En dan heeft hij ook nog een nevenactiviteit als medium dat met de doden spreekt en probeert hij in het reine te komen met zijn overleden vader.
Het is de verdienste van regisseur Alejandro González Iñárritu dat hij dit verhaal niet laat ontsporen. In aanleg is het een melodramatische draak, maar Iñárritu houdt het samen met hoofdrolspeler Javier Bardem strak in de hand. Een verhaal als dit moet je ook rustig brengen, maar zeker tegen het einde is Biutiful wel erg traag. Nog iets meer beheersing zou de film ten goede gekomen zijn.

Twee jaar geleden zag ik The Wrestler van Darren Aronofsky, een film over een oude worstelaar die langzaam ten onder gaat. Dezelfde regisseur heeft nu Black Swan in de bioscoop, over een jonge ballerina die langzaam stuk gaat.
Black Swan is op zichzelf al een indringende film, met Nathalie Portman in de overtuigende hoofdrol als danseres die streeft naar perfectie in haar rol in het Zwanenmeer. Ze is ook fantastisch als witte zwaan, meent de choreograaf, maar heeft te weinig verdorvenheid in zich voor de dubbelrol van zwarte zwaan in hetzelfde ballet. Haar rivale voor de rol is juist meer zwarte dan witte zwaan. Aronofsky’s spel met fantasie en werkelijkheid zit overtuigend in elkaar.
De film krijgt echter een extra dimensie als je hem in samenhang met The Wrestler ziet. Sommige verhaallijnen zijn gespiegeld (de worstelaar staat aan het eind van zijn carrière, de ballerina aan het begin), andere lopen parallel (beiden verslapen zich voor het belangrijkste moment van de film). De obsessieve relatie van de ballerina met haar moeder heeft zijn pendant in de pogingen van de worstelaar de relatie met zijn dochter te herstellen.
Aronofsky schijnt oorspronkelijk het plan te hebben gehad beide karakters in één film te proppen. Dat heeft hij gelukkig niet gedaan. Maar een fraai tweeluik is het wel geworden.

Ok, True Grit is geen Big Lebowski, maar om de een of andere reden ontkwam ik tijdens het kijken naar de jongste film van de broers Coen niet aan de associatie. Niet alleen speelt Jeff Bridges weer de hoofdrol, hij heeft hetzelfde baardje meegekregen, de drankzucht en het schmieren.
Hoewel de films verder totaal verschillend in karakter zijn, duikt in de komische momenten van True Grit telkens The Dude op. De scène in True Grit waarin Bridges als een dronken Rooster Cogburn op maiskoeken probeert te schieten en daarbij van zijn paard afvalt is een vorm van slapstick waar het gehannes van Lebowski meer dan in doorschemert.
Ook los daarvan is True Grit overigens een fijne film. De beste western van de afgelopen decennia is het niet (dat is namelijk Unforgiven), maar de film heeft een kop en een staart (dat kon je van The Big Lebowski niet zeggen) en meandert knap heen en weer tussen grim en grap.