
Vincere gaat over Ida Dalser, de minnares van Benito Mussolini, wier hysterische toewijding een risico wordt voor de Duce in wording, zodat hij haar laat opsluiten in een psychiatrische inrichting. Hun zoon brengt hij bij de nonnen onder. Daar kun je een mooie film van maken.
Dat is regisseur Marco Belocchio niet gelukt. Er wil maar geen lijn komen in de losse scènes, die doorsneden zijn met historische beelden. Naar mate hoofdrolspeelster Giovanna Mezzogiorno gekwelder in de camera kijkt, krijg je steeds meer sympathie voor Mussolini’s besluit haar te lozen. En dan moet je ook nog naar ellenlange, schaduwrijke seksscènes turen.
Kortom, Vincere is veel geschreeuw en weinig wol. Ik verliet de bioscoop vooral verbijsterd om de historische opnames van Mussolini’s toespraken, die alleen maar als potsierlijk te kenschetsen zijn. De hysterie had indertijd niet alleen Ida Dalser in de greep, maar het halve Italiaanse volk.

Meer nog dan Cormac McCarthy’s roman grijpt de film van The Road je naar de strot. De vader en zoon die proberen te overleven in een apocalyptisch landschap, waar mensenvlees het best voorradige voedsel is, strijden niet alleen om het behoud van hun leven, maar ook van hun waardigheid.
De beelden maken dat verhaal des te indringender, zodanig zelfs dat (her)lezen van de roman weinig toegevoegde waarde meer heeft. McCarthy’s boek is stilistisch briljant, maar zit minder op de huid van de personages, omdat de emoties eruit gefilterd zijn. De film heeft diezelfde constaterende toon, maar in de gezichten van de vader en zoon (overtuigend gespeeld door Viggo Mortensen en Kodi Smit-McPhee) valt meer te lezen dan in de letters van het boek.
Kortom, een indrukwekkende film, maar plan hem niet als onderdeel van een gezellig avondje uit. Je zult namelijk een grote neiging krijgen naar huis te gaan om in bed wakker te liggen.

Eigenlijk is Bad Blake, de verlopen countryzanger over wie Crazy Heart gaat, een ongelukkige versie van The Dude, de rol die Jeff Bridges de rest van zijn leven zal aankleven. Waar The Dude ontspoord maar ontspannen in het leven stond, worstelt Bad Blake met zijn carrière, de liefde en de jonge muzikant, ooit zijn leerling, die hem van de troon gestoten heeft.
De vergelijking dringt zich ook op met Randy the Ram uit The Wrestler, ook een oude professional die zich steeds meer moet oppeppen voor het kunstje dat hij al jaren verricht, in de wetenschap dat hij oud is, en zo goed als afgeschreven. Crazy Heart is echter minder cynisch. Het gaat niet goed met Bad Blake, maar je hebt voortdurend het gevoel dat het nog goed zou kunnen komen.
Dat gevoel is de verdienste van Jeff Bridges, die de zanger precies op het randje neerzet: een geloofwaardig personage waarmee het tot ver in de film alle kanten uit kan. Ook Maggie Gylenhaal als love interest weet precies de sfeer te vinden die aarzelt tussen hoop en treurnis. Voeg daaraan het prachtig desolate landschap van New Mexico en Texas toe, en je hebt een aangename film over mensen die het veel tegenzit, maar toch het beste van hun leven proberen te maken.

De originele Bad Lieutenant is een inktzwart drama over een drugs- en gokverslaafde politieman die, als hij de zaak moet onderzoeken van een bruut verkrachte non die de daders vergeven heeft, op zoek gaat naar verlossing en die op een weinig opwekkende manier vindt. Het is een hechte, vrij trage film, met maar een paar subplots en een constante, troosteloze sfeer.
Ik was dus totaal op het verkeerde been gezet, toen ik naar de bioscoop ging voor de nieuwe Bad Lieutenant, met Nicholas Cage in de hoofdrol, en een film te zien kreeg die bij vlagen op een Tarrantino-achtige wijze humor en geweld mengt. Er zijn nogal wat (onwaarschijnlijke) subplots en de toon is veel minder wanhopig. Cage acteert perfect binnen de sfeer van de film, maar bereikt niet de diepten waar Harvey Keitel als de eerste inspecteur naar zonk.
De inspecteur van Cage toont zich regelmatig van zijn goede kant, en heeft mensen die om hem geven, terwijl die van Keitel volstrekt eenzaam en gewetenloos is in zijn handelen. Zijn inspecteur is weliswaar miserabeler, maar mede daardoor ook consequenter. Voor mij blijft Keitel dan ook de echte bad lieutenant.
Tim Burton, specialist in rare films, is natuurlijk een uitgelezen regisseur om Alice in Wonderland eens bij de kraag te vatten. Hij gebruikt de elementen uit het oorspronkelijke verhaal om geheel naar eigen inzicht een sprookje te vertellen. Het verhaal is daarbij ondergeschikt aan de karakters.
Helena Bonham Carter is in vorm als verwende rode koningin, Johnny Depp speelt een uitzinnige mad hatter met triestige trekjes en Mia Wasikowska is goed gecast als onschuldig meisje dat voor een moeilijke keuze staat. Voeg daar nog een fraaie cast aan digitale figuren bij, en je vermaakt je als bioscoopganger uitstekend.
Burtons versie is uiteraard duisterder dan de alweer zestig jaar oude versie van Disney, die dan ook vooral voor kinderen bedoeld was. Alleen die muziek van Avril Lavigne had van mij niet gehoeven. Doe mij maar Tom Petty of de briljante knip-en-plaktrack die Pogo maakte uit Disney-fragmenten.

In zijn Monty Python tijd knutselde Terry Gilliam met schaar en lijm bizarre filmpjes in elkaar. In het tijdperk van computer graphics kan dat allemaal veel gelikter – en die mogelijkheid grijpt hij met beide handen aan in The imaginarium of doctor Parnassus.
Het verhaal over een reizend gezelschap waarvan de leider het eeuwige leven heeft gekregen van de duivel in ruil voor zijn dochter, stelt allemaal niet zoveel voor. De film blijft bij door de scènes achter de wonderspiegel, waar iedereen in zijn eigen wildste fantasie terecht komt. Het is de wereld van Gilliams bizarre verbeeldingskracht.
In de scène met de meeste Monty Python trekken is de hoofdrol weggelegd voor vier Russische maffiosi, die door een heuvellandschap drentelen dat rechtstreeks uit de jaren zestig lijkt te komen. Een groot hoofd met Britse politiehelm boort zich een weg omhoog door de woestijn, de tong rolt uit en er komt een peloton agenten uit dat een dansje doet. De maffiosi vluchten onder de rokken van een enorme baboesjka die met een vileine grinnik ontploft. Enzovoort. Heerlijk vermaak.
“Zijn we nog vriendjes?” Om die vraag draait Where the wild things are, de film naar het boek dat in het Nederlands bekend staat als Max en de Maximonsters. Iedereen zal het verhaal wel kennen uit zijn jeugd: Max is boos, vlucht naar zijn kamer, drijft weg in een door monsters bewoonde fantasiewereld waar hij de baas kan zijn, maar keert uiteindelijk toch terug naar zijn veilige thuis.
De film biedt meer ruimte om het thema van het in woorden spaarzame boek verder uit te werken: de angst om verlaten te worden en de behoefte aan geborgenheid. Dat leidt tot een intensiteit die niet te dragen lijkt voor kinderen in de leeftijd voor wie het boek bedoeld is. Eerder iets voor hun ouders.
In iedere film van Joel en Ethan Coen, ook als het scenario weer eens rammelt, zitten momenten die lang bijblijven. Zeg ‘Yaaah’ en je herinnert je Fargo, ‘My rug, man’ roept de Big Lebowsky op en ‘Dapper Dan’ is voor altijd verbonden met O brother where art thou.
In hun nieuwste, A serious man, zit een korte dialoog tussen de hoofdpersoon, universitair natuurkundedocent Larry, en de assistente van rabbi Mashak (te zien in de trailer), die cultpotentie heeft. De dialoog lijkt overigens sterk op eentje in No country for old men, tussen huurmoordenaar Anton Chigurh en de beheerster van een trailerpark.
Voor een hardcore bèta als ik zit er bovendien een heerlijke verhaallijn in over een Koreaanse student die zakt voor zijn tentamen over de Schrödinger vergelijking, maar vervolgens wel Larry opzadelt met een envelop vol geld die tegelijkertijd wel en niet bestaat. Dan weet je weer even dat, hoe rommelig ook, alles in hun films doordacht is en een doel dient.

Ze bestaan werkelijk, lieden die bij een bedrijf worden ingevlogen om mensen te ontslaan. Niet om een heel plan te maken en dat uit te voeren, zoals consultancybedrijven, nee, mensen die gewoon ingevlogen worden om het ontslaggesprek te voeren, zodat het minder persoonlijk is en daarom soepeler verloopt. George Clooney speelt zoiemand in Up in the air.
Als Ryan Bingham vindt hij het verzamelen van zoveel mogelijk airmiles belangrijker dan het lot van de ontslagenen, dus zijn wereldje dreigt in te storten als een jonge stagiaire voorstelt het voortaan per videoconferentie af te handelen. Wat volgt is een komedie die in de tweede helft gaat slepen als regisseur Jason Reitman (bekend van Juno) de moraal er wat al te dik bovenop legt. Aangenaam verpozen, maar niet meer dan dat.

De trailer van The men who stare at goats was grappig en vol vaart. Alle reden om te gaan kijken – om er vervolgens achter te komen dat alle vaart en grappen uit de film al zo’n beetje in de trailer zaten. Het verhaal over een paranormale Amerikaanse gevechtseenheid wordt gebracht in de vorm van een trage raamvertelling, waarin hapsnap wat flashbacks zitten, die wel enorme potentie bezitten, maar niet worden uitgewerkt. De ontknoping is aardig, maar niet meer dan dat. Zonde om zo’n sterrencast voor een rommelig scenario als dit te laten opdraven.