
In Nederland krijgen we Spaanstalige films meestal onder hun oorspronkelijke titel, of hoogstens de Nederlandse vertaling, niet de Engelse. Maar omdat ‘Pan’s labyrinth’ als zo’n doorslaand succes was in de VS moeten we het nu daarmee doen, niet met het ritmischer ‘El laberinto del fauno’.
De juichende kritieken zijn terecht, heb ik inmiddels mogen vaststellen. Regisseur Guillermo del Toro weet perfect de balans te handhaven tussen de gruwelen van de falangistische jacht op de laatste linkse troepen in het Spanje van 1944, en de fantasieën van een jong meisje dat een sprookjeswereld van elfen, faunen en gruwelijke monsters betreedt.
Kniesoor Jongeneel ergert zich dan weer wel aan de onvolkomenheden in het ‘realistische’ gedeelte van de film. Bijvoorbeeld: als je zonodig het onverdoofd afzetten van een door koudvuur aangestast been wilt laten zien, zet de zaag er dan wel op de juiste plek in, zorg dat de patiënt stevig vastgebonden is en geef hem een houtje tussen zijn tanden, zodat hij zijn tong niet afbijt.

Regisseur Zhang Yimou slaagt er altijd weer in zijn muze Gong Li neer te zetten als een gekwelde vrouw met wie het slecht afloopt. Dus ook in ‘Curse of the golden flowers’, dat sinds deze week in de bioscoop draait. Gong Li speelt een keizerin in het oude China die wraak probeert te nemen op haar even meedogenloze man.
Een plot van niks, natuurlijk, maar wat een prachtige film. De kleuren spetteren van het scherm af, zelfs als het rood bloed in een bed van gele chrysanten is. Indrukwekkender dan de grootschalige gevechten zijn de massascenes in het paleis, met talloze figuranten die in hun overbodige veelheid de grootheidswaan van de keizerlijke entourage versterken.
De kranten spraken van een Shakespeariaans drama, maar ik moest aan een andere film denken: Cleopatra, met Elizabeth Taylor in de hoofdrol.

Thalia, Corso, Calypso, Kriterion, Lumière, Arena, Luxor. Allemaal voormalige bioscopen in de Rotterdamse binnenstad. Thalia, Corso en Arena zijn inmiddels danstenten (al zit Arena, tegenwoordig Nighttown, dicht). Calypso en Lumière zijn afgebroken voor woningen en winkels. Kriterion in het Groothandelsgebouw wordt nog wel gebruikt voor debatten. Luxor is een theater dat al jaren op de nominatie staat voor sloop.
Er zijn in de Rotterdamse binnenstad nog drie bioscopen open. Lantaren/Venster gaat echter verhuizen naar de Kop van Zuid. Pathé wil zich concentreren op megaplexen aan de rand van de stad. En de laatste, Cinerama, kondigde vandaag sloop aan. Schrale troost voor de filmliefhebber: ze hopen op herbouw op dezelfde plek of anders elders in de binnenstad.

‘Das Leben der Anderen’, vanaf deze week in de bioscoop, is een van de eerste Duitse films over de donkere kant van de DDR. Hij laat de subtiele verbale martelpraktijken zien van de Stasi, kleine chantages en intimidaties die samen een systematisch terreurweb vormen.
De hoofdrol is voor stasi-officier Wiesler (een sublieme rol van Ulrich Mühe, de Duitse tweelingbroer van Kevin Spacey), die een toneelauteur en diens vriendin moet bespieden om te kijken of hij een misstap begaat. Uit sympathie voor de vriendin doet hij of hij sommige dingen niet opmerkt, en vangt zichzelf zo in een net van steeds grotere leugens die uiteindelijk tot niets anders dan zijn eigen ondergang kunnen leiden.
De film won uiterst terecht een Oscar voor beste buitenlandse film en verdient het door zoveel mogelijk mensen bekeken te worden.

De verleiding is groot om The Prestige, sinds vorige week in de bioscoop, te vergelijken met The Illusionist, die ook nog draait. Beide gaan over goochelaars in het fin de siècle en spelen een spelletje met de verwachtingen van de kijker.
Toch laat de film zich beter vergelijken met een eerdere film van dezelfde regisseur: Memento. Het motto van The Prestige had net zo goed voor Memento kunnen gelden: are you watching closely? Het plot van beide films is enorm dicht aan wendingen. Eventjes niet opletten is er niet bij voor de kijker. Regisseur Christopher Nolan hoeft het echter niet alleen van het plot te hebben. Hij is ook een meester in het oproepen van sfeer.
The Prestige is een absolute aanrader voor mensen die graag meepuzzelen tijdens de film. Twee korte beeldflitsen aan het eind geven nog aanwijzingen dat het heel anders is dan de ontknoping suggereert. Om alle vliegen af te vangen, moet je hem waarschijnlijk meerdere keren zien.

De laatste film die ik dit jaar bij het IFFR zie: Gubra, van de Maleisische regisseuse Yasmin Ahmad. Het is een multiculti-komedie annex melodrama met scherpe randjes.
Twee verhalen spelen door elkaar heen. Het ene is gesitueerd in de upper class van de stad Ipoh: een jonge vrouw verwerkt het verlies van haar geliefde die bij een motorongeluk is omgekomen. Het andere speelt zich af in een arme wijk, waar een moslim geestelijke en zijn vrouw zich ontfermen over twee prostituées, en zelfs een straathond. De verhaallijn is niet zo sterk, maar de personages wel.
Waar westerse ogen een milde film vol mededogen zien, zagen sommige landgenoten van Ahmad een bijtende provocatie. Citaat: “I think they should ban this movie! To those who like such filth , well to each their own, but to me this is pure B.S.!”

Wanneer je, zoals Garin Nugroho, na drie maanden voorbereiding in twee weken een film opneemt, heb je weinig te klagen wanneer dat een meesterwerk heet te zijn. Opera Jawa staat als opera helemaal in de Javaanse traditie, met veel gamelan en voor het westerse oor allicht te schelle zang.
Het verhaal is gebaseerd op de Ramayana, het Indiase epos dat ook ten grondslag ligt aan de Javaanse hoftraditie, die zijn oorsprong vindt in de hindoeistische periode van het eiland. In deze filmversie wordt de mooie Sinta echter niet ontvoerd door de demon Ravana, maar verleid. De strijd tussen Sinta’s echtgenoot, prins Rama, en Ravana komt daardoor in een heel ander licht te staan.
De overdaad aan symbolische actie maakt de film soms moeilijk te volgen. Wie de Ramayana niet kent, zal moeite hebben sommige karakters te duiden. Rama’s broer Laksmana en de apenhoofdman Hanuman zijn bijvoorbeeld moeilijk als zodanig te herkennen. Opera Jawa is een rijke film, maar moeilijk te duiden.

Vooraf klaagde regisseur Gabriel Range dat hij dit jaar weer geen kerstkaart van het Witte Huis had gekregen. Het publiek wist toen al waarom: je maakt jezelf niet populair met een fictieve documentaire over de moord op George Bush in oktober 2007. Range weet de spanning goed vast te houden in de zoektocht naar de dader.
Maar dat is niet waar Death of a President eigenlijk over gaat. Het gaat over de politieke mechanismes bij de zoektocht, hoe allerlei begrijpelijke reacties van individuen samen mengen tot een explosieve cocktail, die bijna leidt tot oorlog met Syrië. Als de zaak eenmaal zo groot politiek is opgeklopt, is er geen weg meer terug naar een anticlimax. Verontrustend.

Zo zit je bij een Koreaanse huurmoordenaarsfilm, zo bij een sfeervol puberdrama dat zich afspeelt in de bergen bij Ayvacik, ten zuiden van Samsun aan de Zwarte Zee. Er gebeurt welhaast niets in Bes Vakit van Reha Erdem, die gisteravond wegen griep verstek moest laten gaan bij de vertoning.
Ömer heeft een hekel aan zijn vader, de imam, Yakup is verliefd op de lerares van het schooltje en Yildiz zou liever lezen dan voor haar kleine broertje zorgen. Ze hangen wat rond, liggen in het gras, maken hele kleine dingetjes mee, net genoeg om te zorgen dat de verveling niet toeslaat. De hoofdrol is weggelegd voor de lucht, die spreekt in prachtige opnamen van regen, zon en slierterige wolken.

Een van de charmante gebruiken van het IFFR is dat je klapt na afloop van iedere film. Je weet namelijk nooit zeker of de regisseur niet in de zaal zit. Bij No Mercy for the Rude sprak regisseur Park Chul-Hee het publiek kort toe, zich verontschuldigend dat het misschien een beetje saai zou worden.
Tsja. Een zachtaardige huurmoordenaar heeft zich toegelegd op het omleggen van klootzakken, ontfermt zich over een hoertje en een weesje (of is het omgekeerd?), droomt over een carrière als toreador en gaat soms picknicken met zijn collega-moordenaars. Dat is natuurlijk een recept voor saai.
Niet dus. No Mercy for the Rude is een vlotte combinatie van geweld, melodrama, sex en humor, in de traditie van Quentin Tarantino. Alhoewel, de trouwe filmfestivalbezoeker weet natuurlijk dat het omgekeerd is: Tarantino maakte slechts remakes van Aziatische voorgangers.