
Sinds de lancering heb ik de opmars van Mama Tandoori met grote belangstelling gevolgd. Auteur Ernest van der Kwast verdient na jaren hard werken zijn literaire doorbraak. De verkoopcijfers zeiden het al, maar nu is hij ook in de race voor prijzen: NS Publieksprijs en AKO.
Juryvoorzitter van die laatste prijs is Femke Halsema. Onder haar leiding wordt de tiplijst van 25 teruggebracht naar zes, waaruit één winnaar overblijft. Dus, pssst, Femke, goed naar dat boek van Ernest kijken!

Op zich ben ik een liefhebber van magisch realisme, maar dan meer in de trant van Gabriel Garcia Marquez, die mythische elementen in een plausibele werkelijkheid giet, dan van Jorge Luis Borges, die extreem fantasievol met alles een loopje neemt.
Michal Ajvaz is een discipel van Borges. Het korte verhaal ‘De Kever’ is bij mijn weten het enige dat van hem in het Nederlands vertaald is. En ik moet zeggen: in kleine doses is deze vorm van magisch realisme zeer te genieten. Ik ben het met de NRC-recensent eens dat de passages over konijnen en voetnoten het hoogtepunt vormen. Citaat, waarin de hoofdpersoon zich ergert aan een kever die een cruciale passage in een boek bedekt en zich niet laat verjagen:
“Als ik bedenk op hoeveel andere plaatsen die kever zou kunnen zitten – hij zou zich op prachtige en bedwelmend geurende boeken kunnen neerzetten, op de borst van een slapende maagd, hij zou op een rijk verlucht gotisch handschrift kunnen neerstrijken, op zeldzame bibliofiele uitgaven, en als hij er al bij blijft uitgerekend op het boek over konijnen te moeten zitten, dat zo b eroerd geschreven is dat het lijkt of het ook door een konijn geschreven is, dan had hij toch op zijn minst twee regels hoger kunnen gaan zitten.”
Zaterdag en zondag in het Vroesenpark in Rotterdam Noord de tweede editie van Duizel in het Park: het festival met kunst en verhalen die je doen duizelen. Voor iedereen die het Zomercarnaval te massaal en lawaaierig vindt. Een productie van Rotown Magic, dus gegarandeerd goed.

John Hersey’s Hiroshima leest als een roman, maar het is een reportage. Hersey was al in 1945 in Japan. Zijn verslag over de gebeurtenissen in Hiroshima op 6 augustus 1945 verscheen een jaar later in The New Yorker. Het besloeg de complete editie.
Hersey had in Tokyo kennis gemaakt met een Duitse priester, die in Hiroshima was toen de bom viel. Hij toog met hem naar de verwoeste stad en sprak met nog vijf andere overlevenden.
In kaal proza dat doet denken aan John Coetzee en Cormac McCarthy, beschrijft Hersey wat de zes mannen en vrouwen overkwam: eerst de lichtflits, toen het vuur, de totale chaos en een geleidelijke terugkeer naar onmogelijk normaal leven. Een opvallend detail dat hij noteert: niemand herinnert zich de enorme knal, die er ook was, vlak na de lichtflits.
Door zich te concentreren op het lot van zes mensen brengt Hersey het leed van Hiroshima, waar een paar dagen na de bom ook nog een orkaan doorheen joeg, terug tot voor mensen begrijpelijke proporties. En nog laten die proporties een diepe indruk achter.

Pas toen ik het boek in handen had, besefte ik dat ‘Dood in Venetië’ van Thomas Mann geen roman is, maar een verhaal, een long short story, zoals de Amerikanen zeggen. Het is doorgaans gebundeld met een aantal andere semi-autobiografische verhalen van Mann.
Er wordt in de verhalen nogal geworsteld met de liefde door adolescenten, jongemannen en heren van gevorderde leeftijd. Wanhopig verliefd zijn ze, maar de vrouwen en enkele man in kwestie geeft geen sjoege, hoe graag de hoofdpersoon dat ook zou willen. ‘Dood in Venetië’ is in twee opzichten het eindpunt van de ontwikkeling in de verhalen. Ten eerste omdat het object van liefde een jongen van veertien is, dus per definitie onbereikbaar, en ten tweede omdat de liefde een vrijwel volledig geabstraheerd duister verlangen is geworden, een broertje van de dood.
Mann etaleert zijn hoofdpersonen expliciet met al hun twijfels, zoals ook Dostojevski dat doet. Maar waar de morele dilemma’s die de laatste schetst meer dan een eeuw later nog staan als een huis, doet de romantiek van Mann gedateerd aan. Een moderne redacteur zou van ‘Dood in Venetië’ een nog veel korter verhaal gemaakt hebben.

Vanavond wordt in Lantaren/Venster de tweede roman onder eigen naam van Ernest van der Kwast ten doop gehouden. Mama Tandoori heet het en ik ben al in de gelegenheid geweest om Ernest enkele fragmenten te horen voorlezen. Het gaat over zijn moeder en de rest van zijn Indiase familie, met al hun eigenaardigheden. Trefwoorden: vaart, humor, liefde.
Update een dag later: Gelezen. Het was precies wat ik me ervan had voorgesteld, al is het boek eerder een verzameling verhalen rond een thema dan een roman. Gelukkig heeft Ernest al toegegeven dat het niet allemaal waar is wat er in deze autobiografie staat. En verder sluit ik me aan bij de bespreking in de papieren NRC: het had nog sterker kunnen zijn als de tragische laag in deze tragikomedie wat verder uitgediept was. Alle reden om naar het volgende boek uit te kijken.

Toegegeven, ik heb maar twee romans van Joost Zwagerman gelezen. Gimmick stond prachtig in de tijd, maar was inhoudelijk noch stilistisch een topper. Over De Buitenvrouw zal ik het maar niet hebben. Ook Zwagerman zelf leek de laatste jaren te vinden dat zijn forte in de essayistiek lag.
Maar nu is er dus het boekenweekgeschenk Duel, en dat verdient een dikke vette plus. Het gaat over een museumdirecteur die een van zijn belangrijkste schilderijen ontvreemd ziet en er zelf achteraan gaat om de dader, een jonge kunstenares, te ontzien. Het is spannend en Zwagerman ziet knap kans om kunstkritiek naadloos in het plot te weven. Stilistisch is hij nog altijd geen wonderkind, maar de zakelijke stijl, inderdaad tegen het essayistische aan, past goed bij het verhaal.

D-503 is een loyaal inwoner van EenStaat, die netjes zijn dagelijkse schema afwerkt en regelmatig gebruik maakt van de sexformulieren om het te doen met O-90. Dan maakt hij echter kennis met I-330, die allerlei verboden dingen doet, zoals roken, drinken en er individuele gedachten op nahouden. Langzamerhand begint D-503 een ziel te ontwikkelen en dat brengt hem onvermijdelijk in conflict met de Weldoener, die waakt over EenStaat. Het individu heeft namelijk maar één lotsbestemming: zich ondergeschikt te maken aan het collectief.
Komt dat plot een beetje bekend voor? Dat klopt, George Orwells 1984 is namelijk gemodelleerd naar de roman Wij van Yevgeny Zamyatin, die hem schreef in 1920, zelfs nog tien jaar voor Brave New World. Het is daarmee een van de eerste dystopische romans.
Omdat de handeling bij Zamyatin, anders dan bij Orwell, erg afstandelijk blijft, is het boek als roman minder meeslepend. Maar zijn idee om een technologisch toekomstbeeld te verbinden met een totalitaire staat, staat als een huis. Zamyatin had mazzel dat hij van Stalin in 1931 Rusland mocht verlaten in plaats van de gulag in te verdwijnen.

Parijs, 1973. Een rijke jonge vrouw ligt op sterven. Ze heeft een telefonische relatie. Zij heeft zijn nummer wel, hij het hare niet. Urenlang hangen ze bij elkaar aan de lijn. Hun liefde is fysiek vermoeiend. Hij verlangt een ontmoeting. Op alle afspraken die ze maken komt ze niet opdagen. Als ze tenslotte een foto laat bezorgen, stuurt hij die terug: ze voldoet niet aan het beeld dat hij van haar heeft. Ouders bemoeien zich ermee, bedienden. Overal hangt de schaduw van de dood overheen.
Vervang telefoon door internet en ‘Nachtschip Night’ van Marguerite Duras is zo actueel als het maar wezen kan. Duras tekende het verhaal op uit de mond van de jongeman die het heeft meegemaakt. Het verscheen in een literair tijdschrift, er werd een film van gemaakt, voor toneel bewerkt. Dat kan omdat de tekst zelf fragmentarisch is, alsof Duras de aantekeningen van het gesprek met de jongeman alleen heeft ingetikt, niet uitgewerkt. Maar misschien is het juist die beperking tot de essentie die maakt dat het verhaal de tand des tijds doorstaan heeft.

Met ‘De onzichtbare jongen’ las ik voor het eerst in tijden weer eens een roman van Bernlef. Het gaat over de vriendschap aan het eind van de jaren veertig tussen twee schooljongens, Wouter van Bakel en Max Veldman. Max is de ‘odd one out’ van de twee, met zijn fotografische geheugen en obsessie met windsnelheden.
Het boek is met name geslaagd als sfeertekening van Amsterdam vlak na de oorlog, een periode die literair in het niemandsland ligt tussen de oorlog zelf en de jaren vijftig. Het tweede deel van het boek, waarin Wouter en Max elkaar onder bijzondere omstandigheden jaren later weer treffen, is minder geslaagd. Het slot is zelfs larmoyant te noemen.
Maar wat me vooral teleurstelde waren de stilistische slordigheden. Bernlef heeft naam gemaakt met karig gebeiteld proza in ‘Sneeuw’ en ‘Onder ijsbergen’, maar hier babbelt hij er lustig op los, in zinnen met teveel stoplappen en gemeenplaatsen. Een voorbeeld:
“En toen kwam het moment waarop ik voor het eerst onder de elf seconden liep. Dat gebeurde op een septemberdag in Amersfoort.” Daar had moeten staan: “Op een septemberdag in Amersfoort liep ik voor het eerst onder de elf seconden.” De strakke Bernlef van dertig jaar geleden had dat nooit laten gebeuren.