
Michail Lermontov heeft in zijn korte leven één roman geschreven, De held van onze tijd. Hoofdpersoon Petsjorin is een officier die in zijn oprechtheid mensen kwetst en ook zonder gene toegeeft dat hij manipuleert voor zijn plezier. Ook voor een moord schrikt hij niet terug.
De ‘roman’ bestaat in feite uit een aantal losse verhalen, waarvan het langste een satire is op het leven van welgestelde Russen in een kuuroord in de Kaukasus. Petsjorin maakt er de jonge Mary het hof, om een vriend dwars te zitten, en om in de buurt te komen van een getrouwde vrouw waar hij een affaire mee (gehad) heeft. Petsjorin is cynisch, maar bij vlagen ook een romanticus.
De roman is een mooi portret van een man vol tegenstrijdigheden, dat krap twee eeuwen later nog fris aandoet. Maar het is nou ook weer niet een meesterwerk dat zich kan meten met die van Dostojevski, Gogolj of Tolstoj.

Eigenlijk kun je Wide Sargasso Sea alleen lezen, als je Jane Eyre kent. De roman van Jean Rhys is daar namelijk een reactie op. Maar ik houd nu eenmaal niet zo van melodrama in de Engelse middenklasse, terwijl de exotische setting van Wide Sargasso Sea me wel trekt. Bovendien schrijft Rhys, die met dit boek op 76-jarige leeftijd doorbrak, veel bondiger.
Wide Sargasso Sea beschrijft de lotgevallen van een jonge Antoinette Cosway in de Caraiben aan het begin van de negentiende eeuw. De slavernij is net afgeschaft en dat heeft de verhoudingen in het gebied overhoop gegooid. De oude (min of meer) blanke slavenhouders, waartoe Antoinette’s familie behoort, zijn hun trots kwijt. De bevrijde zwarte bevolking telt nog steeds niet mee. Een nieuwe golf blanke gelukzoekers voert de boventoon. Als Antoinette trouwt met een man uit de nieuwe elite, voelt ze zich onbegrepen en vervalt ze langzaam tot waanzin.
Het plot van Wide Sargasso Sea is eigenlijk niet zo belangrijk. Het korte, laatste deel van het boek, dat zich afspeelt in Engeland, is zelfs overbodig. Het gaat om de sfeertekening in de eerste twee delen: Antoinette als kind op de oude plantage, en als jonge vrouw op huwelijksreis in een buitenhuis van de familie op een ander eiland.
Het verval, de vijandigheid van de omgeving, bezwerende rituelen en de lusteloosheid vermengen tot een dreigende atmosfeer waarvan je je goed kunt voorstellen dat je er gek van wordt. Dat is het knappe van Wide Sargasso Sea: het slaagt erin zonder te psychologiseren, maar uitsluitend door de veranderende omstandigheden te schetsen, een scherp portret van Antoinette neer te zetten.

Auteurs met lef, die mag ik altijd graag lezen. Dus als Said el Haji een roman schrijft over de grootvader van de profeet Mohammed, dan ga ik naar de boekhandel om hem te kopen, ook als het een foeilelijke omslag heeft. De aankondiging blijkt een boeiend maar wat onevenwichtig boek.
Het verhaal is dik in orde. Mekka is een tolerante stad aan de rand van de invloedsfeer van de Byzantijnse en Perzische rijken. Daar groeit Moetalieb op als pleegzoon van een van de notabelen. Langzaam werkt hij zich via de handel op tot hij de onbetwiste leider van Mekka is. Tegelijkertijd voltooit hij een spirituele zoektocht uit onvrede met de stenen beelden in het heiligdom van Mekka. Het verhaal eindigt met een mythische gebeurtenis die Mekka reinigt en klaar maakt voor een nieuw tijdperk.
Kortom, een verhaal met een kop en een staart dat zich op verschillende niveaus laat lezen. Om het helemaal te kunnen volgen is enige kennis van de geschiedenis onontbeerlijk, want El Haji bezondigt zich niet aan uitleggerigheid. Als je niet weet wat een hanief is, dan zoek je het maar op, want Said vertelt het je niet expliciet.
Het zwakke punt van het boek zit naar mijn smaak in de stijl. Said heeft een neiging tot formeel taalgebruik en omslachtige zinsconstructies. Die wisselt hij af met juist heel vlot geschreven passages. Dat wringt en maakt De aankondiging minder levendig dan gekund had.
Poëzieweblog Krakatau, onderdeel van Rotown Magic, heeft een nieuwe vormgeving gekregen. Het bleek maar een paar avonden werk om de minimalistische voorganger in een glad jasje te steken. Vooral mooi op een breder scherm, al zeg ik het zelf.

“Hiermee eindigen de aantekeningen van deze liefhebber van paradoxen overigens nog niet. Hij kon het niet laten en ging maar door. Maar ook wij vinden dat we hier wel kunnen ophouden.”
Zijn dodelijkste zinnen bewaart Dostojevski voor de laatste pagina’s van Aantekeningen uit het ondergrondse, een duistere satire op zelfbelang als drijfveer voor sociale veranderingen. Dostojevski is nooit te beroerd om het laagste in de mens te accentueren en dat doet hij in deze korte roman dan ook met verve.
Een naamloze, verloederde ambtenaar vertelt over zijn bestaan, dat lijkt te bestaan uit een reeks van gênante situaties, die hij over zichzelf afroept. Hij misdraagt zich, neemt zich voor het goed te maken, maar misdraagt zich dan uit een impuls nog erger – om zich vervolgens te wentelen in het zelfmedelijden dat bij zijn leven als paria hoort.
Na afloop heb je als lezer niet alleen een prachtig boek gelezen, maar ben je ook genezen van de gedachte dat het optimistische mensbeeld achter het communisme tot een ideale samenleving kan leiden (al dacht Lenin daar anders over).

Een yup rijdt met zijn auto van het talud en komt terecht in een niemandsland tussen een aantal snelwegen. Hij denkt: ik klim naar boven en zoek een lift. Dat blijkt zo makkelijk nog niet. Het verkeer zoeft langs, niemand wil hem zien staan.
Zo eenvoudig is het gegeven van J.G. Ballards Concrete Island, een variant op het Robin Crusoe verhaal, geplaatst in de asfaltjungle. Er komen bijna-reddingen aan te pas, zoektochten naar eten en wilden die het betonnen eiland ook blijken te wonen. Maar bovenal gaat het verhaal over een man die langzaam begint te beseffen dat hij ook kan leven zonder de verworvenheden van het moderne leven.
Concrete Island is geschreven in Ballards eigen, afstandelijke stijl. Korte, beschrijvende zinnen. Geen beschouwende uitweidingen. Toch zit Ballard dicht op de huid van zijn hoofdpersoon. Psychologisch rammelt de roman, maar Concrete Island moet je dan ook vooral lezen als een parabel.

De hoofdpersoon van Haruki Murakami’s Dance Dance Dance, krijgt van de mysterieuze Schaapman het advies om vooral te blijven dansen. Hij moet het leven over zich heen laten komen en de mogelijkheden grijpen die zich voordoen.
Het heeft er alle schijn van dat Murakami zelf ook door de Schaapman bezocht is, maar dan met het advies vooral te blijven babbelen. De roman is een aangename reeks van ontmoetingen, met een vlotte hotelreceptioniste, een helderziende puber, een melancholische b-acteur, een over het paard getilde schrijver genaamd Makimura, een wereldvreemde fotografe, een eenarmige dichter, twee politie-agenten en zo nog wat kleurrijke karakters.
De diepere laag die ik in Murakami’s Kafka on the shore zo indrukwekkend vond, komt hier niet goed uit de verf. Dance Dance Dance leest als een trein, maar heeft verder niet veel om het lijf.

Een boek van Richard Powers is altijd pittig leeswerk, vanwege de vele informatie die hij in zijn romans propt. Dat geldt in optima forma voor The gold bug variations, waarin twee gemankeerde liefdesgeschiedenissen door elkaar heen lopen.
De ene lijn gaat over de briljante wetenschapper Stuart Ressler, een pionier op het gebied van dna in de jaren vijftig, die verliefd wordt op een collega. De tweede lijn speelt dertig jaar later, als Ressler een suf baantje als systeembeheerder heeft. Zijn assistent en diens geliefde proberen erachter te komen waarom hij indertijd de wetenschap verlaten heeft. Helaas komt geen van de karakters werkelijk tot leven in het meer dan 600 pagina’s dikke boek.
Dat komt omdat Powers eigenlijk iets heel anders wil vertellen, namelijk hoe ongelooflijk complex en daarom mooi dna wel niet in elkaar zit, en hoe dat zich verhoudt tot de menselijke voortplanting, diens gevoel voor kunst en nog een heleboel andere dingen. Allemaal heel knap in elkaar gezet en bij vlagen echt heel mooi verwoord, maar ook nogal stroef.
Ik blijf Powers bewonderen, maar in dit vroege werk ontbreekt nog de vonk die een roman echt briljant maakt, zoals The time of our singing.

Het Engelse platteland tijdens de oorlog. Een man wordt vermoord en een praatgrage papegaai ontstolen aan een Duitse oorlogswees. Dat is een klusje voor de gepensioneerde inspecteur, die zich liefst met zijn bijen zou bezighouden.
The Final Solution van Michael Chabon, over wie ik eerder schreef (1, 2) is een novelle die is opgezet als een detective in de traditie van Sherlock Holmes. Chabon is een uitstekende verteller en een betere stilist dan Conan Doyle, maar aan diens vernuft kan hij niet tippen. Erg ingenieus steekt het plot niet in elkaar.
Toch boeit het tot het eind, niet zozeer omdat je wilt weten wie het gedaan heeft, maar vanwege het eigenlijke raadsel: wat zijn die cijferreeksen die de papegaai voortdurend zingt? Een leuk boekje om tussendoor te lezen.

Het was een zonnige dag in Londen, perfect om met een boekje in een park te gaan zitten. Maar ik had niks bij me, dus ik liep de dichtstbijzijnde Waterstone’s binnen, op zoek naar een dunne novelle. Ik begon bij de A en kwam bij C een vaag bekende naam tegen, Raymond Carver.
Carver is de veel geprezen auteur van een klein oeuvre aan korte verhalen, wist ik. Ik koos ‘What we talk about when we talk about love’, en toog naar het park. Carvers verhalen bleken elk nog geen tien pagina’s lang te zijn, maar dat zou je niet zeggen. Hij verstaat de kunst om binnen een pagina een levend personage te schetsen. Die personages zijn ‘gewone mensen’, in alledaagse situaties. Alledaagse pijnlijke situaties. Er wordt gerookt, er wordt gedronken, er wordt ruzie gemaakt.
Meestal hebben korte verhalen iets onbevredigends, maar Carver bezit (behalve in het allerkortste verhaal uit de bundel, over een man en een vrouw die om een baby vechten) de gave om in acht pagina’s een afgerond geheel te presenteren. De bundel liet zich heerlijk lezen onder de Londense zon. Toen hij uit was ging ik weer naar de boekhandel om de andere bundels te kopen.