
Met de Religiespecial heeft poëzietijdschrift Krakatau zijn beste nummer tot nu toe afgeleverd. Dat zeg ik natuurlijk omdat er eindelijk eens iets van mezelf in staat. Althans bijna van mezelf. Het gaat om een aantal gedichten van de dertiende-eeuwse Turkse bard Yunus Emre, die ik alweer drie jaar geleden met een vriend uit het Ottomaanse Turks vertaald heb. Een fragment:
Watermolen waarom kreun je?
Lijden volgt mij, daarom kreun ik
Voor de Heer vatte ik liefde
Daarom kreun ik, daarom steun ik
Toen ik deze zomer in de Syrische stad Hama was, heb ik deze raderen gezien en vooral gehoord. Yunus blijkt met ‘kreunen’ het juiste woord gekozen te hebben. Pas daar, in Hama, begreep ik Yunus’ poëzie ten volste. Logisch dat het publiek waarvoor ik het gedicht deze avond in Arminius voorlas, afstand voelde.

De Turkse schrijver Orhan Pamuk heeft vandaag te horen gekregen dat zijn rechtszaak voorlopig verdaagd is. Hij zou zich moeten verantwoorden omdat iets hardop gezegd heeft dat nationalistische Turken liever niet horen, namelijk dat hun land verantwoordelijk is voor een van de grootste systematisch slachtpartijen van de moderne geschiedenis, die op de Armeniërs in 1915 (achtergrondinfo daarover hier).
Pamuk staat bekend om briljante, maar behoorlijk ingewikkelde romans, al worden zijn boeken in de loop der jaren steeds toegankelijker. ‘Sneeuw’, absoluut zijn belangrijkste tot nu toe, speelt zich af in Kars, in het Armeense gebied van Turkije. Tegen een decor van fundamentalisten, meisjes met hoofddoeken, een nationalistische staatsgreep en heel veel sneeuw probeert een schrijver zijn jeugdliefde terug te winnen. Boeiend in alle opzichten en bovendien een diepgaande zoektocht naar een moderne Turkse samenleving, die in de rechtszaak een fikse tegenslag heeft getroffen.

Onlangs verschenen twee verhalenbundels bij de Rotterdamse uitgeverij Douane. ‘Sub Urban’, verschenen ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van Passionate, bundelt twaalf jonge auteurs uit de stal van dat tijdschrift. ‘Vier Rotterdamse wintervertellingen’ bevat verhalen van vier (sic) auteurs, van wie er twee ook in de eerste bundel staan. Dat geeft al een beetje aan dat de bundels aan elkaar verwant zijn. Het zijn allemaal zeer aardse vertellingen, al verschillen ze onderling sterk.
Juist de twee ‘dubbelaars’ laten de uitersten zien. Laurens Abbink Spaink voert troosteloos geweld op, terwijl Sanneke van Hassel haast dromerig schrijft. Toch blijft er na lezing van beide bundels iets steken. Prima verhalen allemaal, niks aan op te merken, maar ook nogal risicoloos, zowel stilistisch als inhoudelijk. Iets meer lef had geen kwaad gekund bij een jonge garde die toch geacht mag worden de hemel te willen bestormen.

ICT’ers doen het doorgaans niet zo goed als romanfiguren. Om eerlijk te zijn ken ik er maar één. Die heet Eug en is de hoofdpersoon in ‘De hondenkoning’ van Walter van den Berg. Eug beheert een productiestraat voor cd-roms bij een uitgeverij in Alphen aan den Rijn. Die productiestraat heeft hij zelf geprogrammeerd. In zijn vrije tijd heeft hij vage fantasieën over zijn veertienjarige buurmeisje, dat van zijn obsessie handig gebruik maakt. Elke dag zit Eug tot tien uur ‘s avonds te wachten of ze misschien langskomt om met de computer te spelen. Eug is, zeg maar, niet helemaal een doodgewone jongen.

Nur Literatur in Off_Corso. Bewonderenswaardig hoe een podium zonder enige opschmuck – gewoon een paar schrijvers die voordragen achter een katheder – nog altijd een zaal volkrijgt. Drankje erbij en luisteren maar. Mooie mix ook van fris (Tjitske Jansen!) tot oud en der dagen zat (Frans Pointl). Frans besloot, toen hij tegen elven voor de tweede keer aan de beurt was, het bij een paar gedichten te houden. ‘Dan kan ik naar huis.’
Maar een van de leuke dingen is nou juist in Off_Corso te blijven hangen en zien hoe het publiek naar de nacht toe langzaam verandert, jonger wordt, meer dansbaar. Nooit geweten dat het image van de Insane Clown Posse inmiddels een inspiratie is voor de Rotterdamse nightcrowd.

Richard Powers is een van de krachtigste Amerikaanse schrijvers van dit moment. Vandaag las ik ‘Three farmers on their way to a dance’ uit, dat al uit 1985 dateert. In feite zijn het drie novellen, die in de loop van het boek steeds sterker verweven raken.
Centraal staat een foto van de Duitse fotograaf August Sander uit 1914: drie boerenjongens, op hun paasbest gekleed, op weg naar een feest aan de vooravond van de eerste wereldoorlog. De roman doet voor fotografie wat Orhan Pamuks ‘My name is red’ doet voor de miniatuurkunst: onderzoeken wat de relatie tussen beeld en werkelijkheid is. Tegelijkertijd is het spannend genoeg om tussen de haast essayisitische passages door te blijven boeien.
Powers is voor mij als schrijver ook interessant omdat hij nadrukkelijk in technologie geïnteresseerd is. Een van de hoofpersonen in ‘Three farmers on their way to a dance’ is net als ik ICT-journalist en Powers roman ‘Galatea 2.2′ is verreweg de beste die ooit over het begrip ‘kunstmatige intelligentie’ geschreven is. In beide romans speelt Maastricht een belangrijke rol, wat voor een Nederlandse lezer ook de nodige herkenning oplevert.

Een paradox is een gedicht. Een paradox is een gedicht, omdat het een zoektocht is van woorden, verdwaald op weg naar de waarheid. Ergens aan de horizon glimt ze nog, die eeuwige waarheid, maar het prikkeldraad is onverzettelijk en de woorden staan daar maar zo’n beetje, op een afstandje kijkend naar het onbereikbare. Hun enige troost is de wetenschap dat de lezer met hen meeleeft, begrijpt waar ze zo graag heen hadden willen gaan, als de taal niet in haar taaiheid was gebleven. Daarom een gedicht.
De paradox spookt rond in het hoofd van de poète maudit die een rondje loopt door de lanen van Princeton. Het is augustus 1950 en hij heeft net een bezoek gebracht aan zijn goede vriend Albert Einstein, die met zijn hofhouding een eindje verderop woont. Zijn naam staat als getuige onder het testament van de man met de wilde haardos. Hij glimlacht flauwtjes. Lome, witte wolken hangen aan de lucht. Thuis wacht Adele op hem.