
Met al dat gedoe over Maya’s dezer dagen, besloot ik eens een boek uit de kast te halen dat ik twee jaar geleden uit Mexico meenam: Popol Vuh, the sacred book of the ancient Mayas-Quiché. Deze geschiedenis van de Quiché-stam is vlak na de Spaanse verovering van Guatemala geschreven in het Latijnse schrift en mede daardoor miraculeus bewaard gebleven.
De eerste heflt van het boek vertelt universele verhalen over hoe de goden de wereld schiepen en jonge helden het kwaad versloegen. De tweede helft gaat over de komst van het Quiché-volk ‘over de zee uit het oosten’ naar hun huidige land in Guatemala, waar ze de plaatselijke bevolking massaal over de kling joegen – waardoor je onmiddellijk begrijpt waarom de Spanjaarden weinig moeite hadden met het vinden van bondgenoten om de macht van de Quiché te breken.
De Popol Vuh is, zoals veel mythische teksten, behoorlijk ondoorgrondelijk. Er wordt veel context bekend verondersteld. Zonder voetnoten valt er weinig van te bakken. Die obscure teksten stellen iedereen in staat ermee aan de haal te gaan en bijvoorbeeld te veronderstellen dat de Maya’s de verloren stammen van Israel zijn, terwijl ‘de zee uit het oosten’ waarschijnlijk gewoon de Golf van Honduras was. Je moet ook niet uitsluiten dat schijnbaar bijbelse referenties erin geslopen zijn doordat de auteurs tot het christendom bekeerde Quiché waren.
Hoe dan ook, voor de nuchtere lezer is Popol Vuh een fascinerend boek puur omdat het een inkijkje geeft in de mindset van de Quiché, wier cultuur vrijwel geheel draaide om het offeren van mensen aan de oppergod Tohil.

Romans met een computerprogrammeur in de hoofdrol, ik mag ze graag lezen, dus zeker als ze van de hand van John Coetzee zijn. Youth gaat over de jonge Zuid-Afrikaan John die aan het eind van de jaren vijftig zijn vaderland ontvlucht. Vanuit Londen zal hij de wereld gaan veroveren als dichter.
Het loopt allemaal net iets anders. Om geld te verdienen laat John zich omscholen tot programmeur, een beroep dat slecht compatibel blijkt met de poëzie. In plaats van hartstochtelijke liefde vindt hij meisjes die zich aan hem geven omdat ze even niets beters kunnen vinden. Steeds harder wordt John geconfronteerd met zijn eigen beperkingen.
Youth is niet Coetzees sterkste roman, maar de voor hem kenmerkende desillusie is ook hier weer de rode draad van een bijtend verhaal. Ik heb het geloof ik al vaker gezegd over Coetzees werk: stof om over na te denken, maar vrolijk word je er niet van.

‘La condition humaine’ van de Franse auteur, verzetsstrijder en minister André Malraux speelt zich af in het Shanghai van 1927. De hoofdpersonen Kyoshi Gisors en Ch’en Ta Erh geven elk hun eigen invulling aan de communistische revolutie die in de lucht hangt. Kyo is een ideoloog en organisator die wapens probeert te regelen, Ch’en een zelfmoordterrorist die hoopt door zijn voorbeeld anderen te inspireren.
In het eerste deel van de roman wordt er wat romantisch gefilosofeerd en vergaderd. Pas in de tweede helft, als de revolutionaire spielerei plaats maakt voor een zaak van leven of dood, krijgt het boek de urgentie die het de status van klassieker bezorgd heeft.
Hoewel duidelijk is waar zijn sympathie ligt, houdt Malraux afstand tot zijn karakters. Ook Ferral, de grootkapitalist die zijn belangen in Indochina met intriges verdedigt, is een trieste figuur die aan het eind alles kwijt raakt. Dit is het lot van de mensheid volgens Malraux: er zijn geen winnaars.

Deze week is het twintig jaar geleden dat de Muur viel, een mooi moment om Onder Water van Edgar Dutka te lezen, een beklemmend verhaal over een man die door een ondergelopen bos de grens met Oostenrijk wil bereiken. Als hij grenswachten hoort, duikt hij onder in een poel en ademt door een bruin geschilderde snorkel. Zo komt hij uiteindelijk bij de twee onder spanning staande hekken, waar – maar lees dat vooral zelf.
De mooie Nederlandse uitgave bevat ook een korte biografie en interview met Dutka, die nog eens herinneren aan de venijnigheid van het communistische regime. Waar mensen als Milan Kundera, Ludvik Vaculik en Vaclav Havel nog een kans kregen omdat ze aanvankelijk redelijk in de pas liepen, maar zich later alsnog tegen het systeem kregen, was Dutka vanaf het begin kansloos, omdat zijn moeder in 1948 naar het westen gevlucht was. Daarom kon hij ook geen bekende dissident worden, al vergaarde hij enige faam als scenarist van tekenfilms. Pas tien jaar geleden kon hij zijn literaire werk publiceren.

De Franse literatuur komt er bij mij doorgaans bekaaid vanaf. Maar ik heb me voorgenomen een inhaalslag te maken, te beginnen met La Peste van Albert Camus, een mistroostige allegorie van Frankrijk tijdens de nazi-bezetting.
Hoofdpersoon in de roman is dokter Rieux, die in het van de buitenwereld geïsoleerde Oran probeert het hoofd te bieden aan de builenpest. Hij is een van de weinigen die een vaccin heeft kunnen krijgen en trekt er van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat op uit om ziektegevallen vast te stellen, quarantaine te bevelen en andere maatregelen te nemen om de pest in te dammen.
Onvermijdelijk dringt zich de vergelijking op met een andere roman die zich in een door een epidemie geteisterde stad afspeelt, Dood in Venetië van Thomas Mann. Maar waar Mann focust op de zwakheden van zijn hoofdpersoon, gaat het Camus om diens kracht. Dokter Rieux is geen held. Hij doet gewoon wat hij vindt dat een fatsoenlijk mens gegeven de omstandigheden zou moeten doen. Dat is misschien nog wel fascinerender dan de ondergang van Manns antiheld.

Ruim twintig jaar geleden las ik ‘As I lay dying’ van William Faulkner. Het boek staat me nog altijd bij om het rubberen proza en de al even taaie karakters die elkaar het leven zuur maken. Maar dat het zo lang bijblijft, zegt ook wel iets over Faulkners gaven, zo bedacht ik onlangs, dus misschien was ik er als tiener gewoon nog niet aan toe.
Dus gaf ik Faulkner een tweede kans met ‘Go down Moses’, een roman die bestaat uit verschillende los te lezen verhalen over een deels blanke, deels zwarte familie in het diepe zuiden van de VS. Centraal staat Isaac McCaslin, telg uit een familie van slavenhouders die de wereld om zich heen ziet veranderen. De handeling begint rond 1800 met Isaac’s grootouders en een slippertje dat zwart bloed in de familie brengt. De laatste twee verhalen spelen anderhalve eeuw verder, als Isaac tachtig is, maar nog steeds even makkelijk een beer of hert omlegt.
Dit alles vervat in zinnen als watervallen, die soms meerdere pagina’s aanhouden, vol bloemrijke details en obscure referenties – en met een cast die onderling zo verweven is dat het onmogelijk is bij te houden wie nou precies in welke verhouding tot wie staat. Ik herken de kwaliteit, maar ik geloof niet dat ik de komende twintig jaar nog een keer vrijwillig een Faulkner oppak.

Zuid-Afrika, begin jaren tachtig. Een burgeroorlog is uitgebroken doordat zwarten de wapens opnemen, net zoals eerder gebeurd is in Mozambique, Zimbabwe, Namibië en Angola. De blanke Maureen Smales, haar man en drie kinderen zijn door hun bediende July meegenomen naar zijn dorp. Daar zijn ze veilig.
Nobelprijswinnares Nadine Gordimer schreef July’s People in 1981, twee jaar voordat John Coetzee hetzelfde thema zou verkennen in Life and Times of Michael K. Waar Coetzee zich echter concentreert op de fysieke ontberingen die de waardigheid van zijn hoofdpersoon afbreken, richt Gordimer zich op de psychologie.
De verhouding tussen July en de Smales familie wordt op zijn kop gezet – July is van bediende gastheer geworden. Niemand weet zich een houding te geven, behalve de kinderen, die zich snel aanpassen aan de simpele hut. Misverstanden worden spanningen. Maureen beseft steeds meer dat ze, met al haar liberale principes, niet kan omgaan met de sociale omstandigheden die in een nieuw Zuid-Afrika de norm zullen zijn.
Vijfentwintig jaar later is Zuid-Afrika het enige land in de regio waar de machtsoverdracht van blank naar zwart vreedzaam heeft plaatsgevonden. Een idealist als ik hoopt dan dat de nachtmerriescenario’s van Gordimer en Coetzee geholpen hebben het besef te doen groeien dat dit de beste weg was.

A taste for green tangerines van Barbara Bisco kocht ik omdat het zich in Indonesië afspeelde. Het ging over een antropologe die ging werken op een ecologisch project in de jungle van Borneo, beloofde de achterflap, “tribal traditions, erotic tensions and struggles between east and west.” Ik had natuurlijk enigszins gealarmeerd moeten zijn door dat ‘erotic tensions’, maar ik vermoedde niet dat dit eigenlijk was waar het boek over ging.
Kortom, ik had chicklit in handen. De roman gaat namelijk over het groepje opgehokte wetenschappers die het in wisselende samenstellingen met elkaar doen en daarbij allerlei eendimensionale gevoelens koesteren. Liefde, verraad, verveling, noem maar op. Borneo is de exotische achtergrond daarvoor.
Dat gezegd hebbend weet Bisco, die tientallen jaren in Zuid-Oost Azië leefde, wel een accuraat beeld te scheppen van de jungle en de Dajaks. Het is dus geen bordkartonnen achtergrond voor Bridget Jones in het regenwoud. De etnische spanningen en ecologische rampen in de vorm van goudmijnen en houtkap komen ruimschoots aan bod. Maar uiteindelijk gaat het erom dat de antropologe gelukkig wordt met de man aan wie ze aanvankelijk de grootste hekel had.

De twee hoofdpersonen van Haruki Murakami’s Kafka on the shore ontmoeten elkaar niet, maar zijn wel onlosmakelijk met elkaar verbonden, door dezelfde mysterieuze krachten die vissen uit de lucht laten vallen en zich manifesteren als Cononel Sanders om een onwetende vrachtwagenchauffeur een geheimzinnige steen te laten ontvreemden. Gooi er wat ufo’s bij en de indruk is compleet dat het hier om een alien story gaat.
Maar eigenlijk gaat de roman van Murakami over iets heel anders, namelijk een moderne hervertelling van de Oedipus mythe. De vijftienjarige Kafka Tamura loopt weg van huis, van zijn tyrannieke vader, op zoek naar zijn moeder en zuster. Hij vindt rust in een bibliotheek en een hut in de bergen, waar hij niet alleen nadenkt over zijn leven, maar ook fantaseert over twee vrouwen die hij tegenkwam en die zijn moeder en zuster zouden kunnen zijn.
In de tweede verhaallijn wordt Kafka’s vader vermoord door Nakata, een oude man die simpel is geworden na een incident met een ufo in zijn jeugd (maar daar wel het vermogen aan heeft overgehouden om met katten te praten). Nakata wordt gedreven door een onzichtbare macht en gaat op een missie die hem in de voetsporen van Kafka doet belanden.
Veel van de bizarre verhaallijnen zijn een symbolische weergave van de persoonlijke crisis die Kafka doormaakt. Murakami is een briljante auteur die deze complexe vertelling tot een goed einde weet te brengen: spannend, erudiet en met een diep psychologisch inzicht – zo lees je ze niet iedere dag. Vijf sterren.

Tachtig jaar geleden verscheen ‘Im Westen nichts Neues’ van Erich Maria Remarque, een goede aanleiding om dit anti-oorlogsboek eens te lezen. Door simpelweg te beschrijven hoe het er aan het front toegaat slaagt Remarque erin bij de lezer geheide oorlogswalging op te roepen. Remarques afstandelijke stijl dwingt de lezer zelf een moreel oordeel te vormen. Zijn soldaten zijn gedoemde wezens, die leven met de dood op schoot, zonder enig geloof in de zin van de oorlog.
Niet zo gek dus dat het boek op de brandstapel belandde van Adolf Hitler. De nazi-leider had aan hetzelfde front gediend als Remarque, maar hield liever een heldhaftig beeld van de frontsoldaat in stand, een gemotiveerde strijder voor volk en vaderland. Dat beeld was ook in de aanloop naar de nieuwe oorlog noodzakelijk. Landgenoten die ‘Im Westen nichts Neues’ lazen, zouden maar gedemotiveerd raken.
Tussen alle ellende door valt er in de roman overigens ook het nodige te lachen. Wanneer de kanonnen even zwijgen, slaan de jonge soldaten aan het dollen. Dat is een beeld dat Hitler beter beviel, maar het is slechts een dun masker om even het bloed en de afgerukte ledematen te vergeten.