
‘Netherland’ van Joseph O’Neill (vertaald als ‘Laagland’) gaat over een Nederlander die in New York cricket speelt. Met zo’n buitennissig onderwerp is het niet zo gek dat meerdere uitgevers het afwezen voor eentje toehapte en een bestseller in handen bleek te hebben. Het boek heeft namelijk spanning, romantiek en humor, alles van het subtiele soort.
Het begint ermee dat Chuck Ramkissoon, een cricketvriend van hoofdpersoon Hans van den Broek, met zijn handen op zijn rug uit een kanaal gevist wordt. De hoofdlijn van het boek is het verhaal van die vriendschap, doorsneden met Hans’ huwelijksproblemen en zijn jeugd in Den Haag. En dat tegen de achtergrond van post-9/11 New York. Het plot doet er echter niet zoveel toe. De kracht van ‘Netherland’ ligt in de sfeertekening. Hans is een man zonder eigenschappen, een continue aarzelaar die zich door zijn omgeving laat leven.
Hoewel het leest al een trein, valt er toch het nodige op ‘Netherland’ af te dingen. Halverwege begint O’Neill in herhalingen te vallen en gaan de literaire trucjes waarmee hij tussen zijn verschillende onderwerpen schakelt, op de zenuwen werken. Daar staat tegenover dat de zinnen sprankelen van de understatements en originele beeldspraak. Al met al meer dan de moeite waard, maar geen meesterwerk.

Vijftig jaar geleden verscheen ‘Things fall apart’ van Chinua Achebe, inmiddels beschouwd als de eerste roman die de Afrikaanse literatuur op de wereldkaart zette. In een kale, morderne stijl schetst hij de ondergang van de traditionele Ibo-cultuur aan de hand van het leven van Okwonko, die in de eerste alinea als volgt geïntroduceerd wordt:
“Okwonko was well know throughout the nine villages and even beyond. His fame rested on solid personal achievements. As a young man of eighteen he had brought honour to his village by throwing Amalinze the Cat.”
Briljant is de manier waarop Achebe in deze drie zinnen haast achteloos een complete wereld, levensstijl, en karakter schetst. In het eerste deel van ‘Things fall apart’ neemt hij de tijd om op deze wijze de complexe samenleving van de Ibo’s neer te zetten, aan de hand van Okwonko’s lotgevallen, oprijzend van een arme jongen tot een man van aanzien – tot hij per ongeluk een man doodt en verbannen wordt.
Het tweede deel schetst de ballingschap en terugkeer van Okwonko, eerst de berichten hoe de missionarissen zijn dorp bereikten en daarna de confrontatie met hen. De ondergang van Okwonko, de trotse verpersoonlijking van de traditie, lijkt slechts een kwestie van tijd.
Helemaal niets sentimenteels heeft ‘Things fall apart’. Bij mij kwam de associatie boven met IJslandse sagen als Njáls Saga, die ook epische verhalen in droge, feitelijke zinnen vervatten. Achebes werk zal de tand des tijds eveneens doorstaan.

Het eerste deel van ‘The shadow lines’, het boek dat Amitav Ghosh schreef voor hij doorbrak met ‘The glass palace’ is een nogal rommelig geheel. Het gaat over een jongetje dat opgroeit in de upper class van Calcutta in de jaren vijftig. Hij kijkt op tegen zijn neef Tridib, wordt verliefd op zijn nichtje Lia, studeert in Londen. Op de achtergrond speelt de opsplitsing van Bengalen: het merendeels moslimdeel werd zelfstandig van India als Oost-Pakistan (later Bangladesh), met enorme volksverhuizingen tot gevolg. De familie van de hoofdpersoon is oorspronkelijk afkomstig uit Dhaka.
De roman schetst op deze manier een mooi beeld van de interactie van politiek met het leven van een individu, met als extra thema de (culturele) botsingen als hij kennis maakt met Engeland. Het voortdurend heen en weer springen in tijd en telkens weer focussen op andere personages, werkt echter enigszins op de zenuwen.
Dat verandert als de vele uitgezette lijnen in het tweede lijn langzaam bijeen beginnen te komen. Weliswaar blijft Ghosh versleten schrijverstrucjes gebruiken om de afzonderlijke scènes aan elkaar te praten, maar de urgentie van de vertelling neemt toe, naar mate duidelijk wordt dat een traumatische gebeurtenis drukt op al het voorgaande. Het leidt tot een apotheose in Dhaka en Londen, die ik niet verklappen zal.
‘The shadow lines’ is zo’n boek waar je in het begin even doorheen moet bijten, maar waar je daarna in blijft doorlezen. ‘The glass palace’ heeft dat eerste probleem niet: het grijpt je meteen. Daartegen legt ‘The shadow lines’ het af, maar het steekt nog altijd ver boven vele andere uit.

Als hij niet op een tafel had gelegen met een heleboel andere fraai vormgegeven boeken van Oneworld Classics, zou mijn aandacht vermoedelijk nooit getrokken zijn door de verhalenbundel ‘Three drops of blood’ van Sadeq Hedayat (1903-1951), de peetvader van de moderne Iraanse literatuur. Nu dacht ik: ‘goh, wat interessant’, en laadde hem in het mandje. Daar heb ik geen spijt van.
Hedayats verhalen, sommige niet langer dan drie pagina’s, zijn gedrenkt in het soort duistere romantiek dat je normaalgesproken associeert met de Weltschmerz van Duitse jongemannen. Er passeert een overvloed aan morbide gedachten, harde wendingen van het lot en wanhopige zelfmoorden. De plots worden daardoor nogal voorspelbaar.
Daar staat tegenover dat Hedayat een meesterlijke stilist is, die zijn personages in enkele zinnen weet te typeren, en kans ziet eenvoudige gebeurtenissen een grote symbolische lading mee te geven. Daarin toont zich het vakmanschap van Hedayat, die zichzelf in 1951 op 48-jarige leeftijd het leven ontnam. In de desperate thematiek van zijn verhalen weerspiegelt zich ongetwijfeld de auteur.

Vorig jaar heb ik al eens de lof gezongen van de Tsjechische pareltjes van uitgeverij Voetnoot. Er zijn echter ook Franse boekjes, die ik ook maar aan het verzamelen geslagen ben. Het eerste deeltje is een erotisch verhaal van Vivant Denon, de eerste directeur van het Louvre. Meer dan twee eeuwen oud, maar het had gisteren geschreven kunnen zijn. Quote:
“Ik was smoorlijk verliefd op gravin De ***. Ik was twintig en ik was onnozel; ze bedroog me, ik werd boos, ze verliet me. Ik was onnozel, ik wilde haar terug; ik was twintig, ze vergaf me. En omdat ik twintig was en onnozel, nog altijd bedrogen, maar niet langer verlaten, waande ik me de innigst beminde aller minnaars en dus de gelukkigste man ter wereld.”

Fjodor Dostojevski is de auteur van loodzware klassiekers als ‘Misdaad en straf’ en ‘De gebroeders Karamazov’, beide overigens boeken die ik met veel genoegen gelezen heb, maar waar ik niet echt vrolijk van werd. Dostojevski bezit nu eenmaal het vermogen om diep in de spelonken van de ziel af te dalen en daar naargeestige trekken bloot te leggen.
Het was dus een ware ontdekking dat de man ook de gave van de humor bezit. ‘De speler’, dat ik zojuist uitlas, is een bij vlagen hilarisch boek over een gezelschap dat zijn geluk beproeft aan de roulettetafel in afwachting van de dood van oma, wier erfenis hard nodig is om de gokschulden te vereffenen. In plaats van oma’s doodsbericht komt oma echter zelf, een krasse oude dame die iedereen de les begint te lezen en besluit dat ze dan net zo goed zelf haar vermogen erdoor kan jassen.
De kluchtige figuur van oma en de schelmachtige hoofdfiguur, een berooide leraar die op haar kleindochter verliefd is, hebben ieder hun gitzwarte rand, maar maken van ‘De speler’ in wezen een luchtige roman, die Dostojevski in vier weken schreef.

Graham Greene is op zijn best als hij schelmen aan het werk laat, mensen die deugen maar door omstandigheden of karakterzwaktes bezwijken voor verleidingen, zoals de man in Havana die tekeningen van stofzuigers naar de Britse geheime dienst zendt als zouden het geheime installaties zijn, en de drankverslaafde priester uit ‘The power and the glory’.
In de verzamelde verhalen komen ook de nodige schelmen voor. Bijvoorbeeld twee oplichters die elkaar een poot proberen uit te draaien, een avonturier die een niet-bestaande goudmijn verkoopt aan een investeerder die ook helemaal geen goud verwacht, en twee homo’s die de kersverse echtgenoot proberen af te troggelen van een naïeve jongedame.
Greene heeft ook andersoortige verhalen geschreven, onder meer over een man op zoek naar jeugdherinneringen, een jeugdbende die het huis van een gehate buurman sloopt en een vrouw die naar Jamaica op vakantie gaat met de bedoeling haar man te bedriegen, maar daar niet de moed voor heeft. Aardige verhalen, maar de schelmen steken er met kop en schouders bovenuit.

Hoewel de meeste auteurs ervan nooit een groter publiek zullen bereiken, zijn de meeste boekenweekgeschenken haastwerkjes. Dat komt omdat de schrijvers pas een jaar van tevoren worden aangezocht. Een mooi gerijpt verhaal wordt het zo nooit.
De laatste paar jaar hebben, na de extreem magere jaren negentig, echter al fraaie boekjes van Arthur Japin en Bernlef opgeleverd. Ook Tim Krabbé’s ‘Een tafel vol vlinders’, het geschenk van dit jaar, zit goed in elkaar. Ik zou bijna gaan denken dat er stiekem vooruitgewerkt wordt.
‘Een tafel vol vlinders’ is een tweeluik. Het eerste deel gaat over reisjournalist Fred, die een levenslange band heeft overgehouden aan enkele jaren met zijn jonge stiefzoon Bram, ook nadat diens moeder hertrouwd is. Het tweede deel volgt de onrustig verliefde Bram naar een aangekondigde climax. Krabbé heeft het verhaal zorgvuldig geconstrueerd, zodat het plot zich haast achteloos ontvouwt. Alleen stilistisch had er nog wat langer aan geschaafd kunnen worden – zo, heb ik toch nog wat te mekkeren.