
Gisteren schreef ik over de tegenstelling tussen het projectsubsidiestelsel en cultureel ondernemerschap: het maken van winst wordt afgestraft. Vandaag: hoe je als overheid cultureel ondernemerschap, ook op kleine schaal, wél kunt stimuleren.
Eigenlijk zouden de subsidies natuurlijk helemaal afgeschaft moeten worden. Wat niet failliet mag (met name cultureel erfgoed) is geen bedrijf en hoort op de gemeentelijke begroting. Wat wel failliet mag is een onderneming en wordt niet gesubsidieerd. In plaats daarvan gaat de gemeente een inkooprelatie aan met culturele organisaties. De overheid bepaalt wat ze wil hebben en betaalt daar die organisaties voor. Het culturele subsidiestelsel vertoont teveel overeenkomsten met de aloude industriepolitiek.
Maar goed, vooralsnog is dat een brug te ver. Gelukkig is binnen het subsidiestelsel ook al het nodige mogelijk. Ten eerste zouden instellingen ook uit projectsubsidies vermogen moeten kunnen opbouwen. Dat is binnen de regels mogelijk. Wanneer je namelijk een aantal keer voor een vergelijkbaar project subsidie hebt gekregen, is die per definitie structureel. Instellingen weten dat niet, maar het is wel zo. Zeker wanneer Rotterdam verwacht dat voorheen structureel gesubsidieerde instellingen op projectbasis verder gaan, kan ze ondernemerschap en continuïteit van organisaties stimuleren door flexibeler om te gaan met vermogensvorming uit projectsubsidies. Weerstandsvermogen is immers een voorwaarde om het risico aan te kunnen gaan dat bij ondernemerschap hoort.
Een tweede manier voor Rotterdam om cultureel ondernemerschap te stimuleren is het verschuiven van subsidies naar garanties. Terecht wordt geconstateerd dat organisaties meer publieksinkomsten kunnen verwerven. Het probleem daarbij is dat de kosten gemaakt moeten worden, terwijl de onzekerheid over inkomsten toeneemt. Dat zorgt voor koudwatervrees. De gemeente zou inspanningen op dit vlak kunnen belonen door niet de activiteit te subsidiëren, maar een garantie achter de publieksomzet te leggen.
Kortom, er valt niet alleen bij de instellingen, maar ook bij de gemeente nog wel wat inzicht te winnen op cultureel ondernemerschap.

Gisteren besprak de raadscommissie de startnotitie van het college voor de cultuurplanperiode 2013-2016. De schaduw van veertig miljoen aan bezuinigingen hangt daar uiteraard zwaar boven. Het college volgt een logische lijn: instellingen moeten meer ondernemerschap tonen, efficiënter met hun vastgoed omgaan, meer samenwerken in de back-office. Kortom, allemaal dingen waarvan ik zeg: dikke duim omhoog.
Er zit echter ook een voorstel in waar ook de commissie gelukkig vraagtekens bij zette, namelijk bovenop de bezuiniging nog een extra verschuiving van vierjarige subsidies naar projectsubsidies. Het idee is dat er dan een grotere pot is waar buiten de boot vallende instellingen uit kunnen vissen. Sympathiek bedacht, maar het slaat de plank behoorlijk mis.
Los van de administratieve druk die dat bij dienst en instellingen gaat opleveren, staat dit voorstel namelijk op gespannen voet met het gevraagde ondernemerschap. Dat heeft te maken met de aard van projectsubsidies. Simpel gezegd: als je op een project verlies draait, moet je het zelf oplossen, maar als je winst maakt, moet je die inleveren. Sterker nog, als je winst maakt moet je uitkijken dat gemeente en fondsen er geen verlies van maken.
Dat werkt zo. Stel je maakt op een festival 2000 euro winst. Je maakt een keurige afrekening. Dan zegt de gemeente: u heeft 2000 euro winst gemaakt, dat houden wij in op de subsidie, want die is niet bedoeld om winst van te maken. Het SNS Reaalfonds reageert net zo. Dan moet je van je 2000 euro winst dus 4000 euro inleveren. In de praktijk maken instellingen het geld daarom schoon op, al dan niet met boehoudkundige trucs.
Het gevolg is dat ze het jaar erop niet een potje hebben dat ze kunnen gebruiken om meer risico te nemen, bijvoorbeeld een extra act op het festival boeken zonder zekerheid dat de horeca-inkomsten meestijgen. Omdat dit verschijnsel bekend is, mogen structureel gesubsidieerde instellingen wel geld oppotten. Die kunnen dan ook meer ondernemerschap tonen, want ze hebben kapitaal om de risico’s af te dekken. Extra verschuiving van gelden naar projectsubsidies zet dus een rem op het ondernemerschap, omdat verlies afgestraft wordt, maar winst niet beloond.
Gelukkig valt daar wat aan te doen. Maar dat komt morgen wel.

Het Engelse platteland tijdens de oorlog. Een man wordt vermoord en een praatgrage papegaai ontstolen aan een Duitse oorlogswees. Dat is een klusje voor de gepensioneerde inspecteur, die zich liefst met zijn bijen zou bezighouden.
The Final Solution van Michael Chabon, over wie ik eerder schreef (1, 2) is een novelle die is opgezet als een detective in de traditie van Sherlock Holmes. Chabon is een uitstekende verteller en een betere stilist dan Conan Doyle, maar aan diens vernuft kan hij niet tippen. Erg ingenieus steekt het plot niet in elkaar.
Toch boeit het tot het eind, niet zozeer omdat je wilt weten wie het gedaan heeft, maar vanwege het eigenlijke raadsel: wat zijn die cijferreeksen die de papegaai voortdurend zingt? Een leuk boekje om tussendoor te lezen.

Wie het boek nauwgezet volgt, zit met de verfilming van Kazuo Ishiguro’s roman Never let me go bijna vanzelf goed. Het verhaal over koststchoolkinderen die een toekomst als ‘zorger’ en ‘donor’ tegemoet gaan, is namelijk ijzersterk en verontrustend.
De film is helaas niet zo sterk als het boek. Dat komt doordat teveel nadruk komt te liggen op de driehoeksrelatie tussen de hoofdpersonen Ruth, Kathy en Tommy, maar vooral door de bombastische muziek, die overal een larmoyante saus overheen giet. Een kalere aanpak, waarbij de emoties niet in het gezicht van de kijker gedrukt worden, zou beter bij het verhaal hebben aangesloten.
Dat neemt niet weg dat de film een aantal indrukwekkende scènes kent, met name telkens wanneer weer een illusie onderuit gehaald wordt, die de kinderen hun hele leven gekoesterd hebben. Op die momenten valt het persoonlijke drama en ethische ongemak samen.

Het was een zonnige dag in Londen, perfect om met een boekje in een park te gaan zitten. Maar ik had niks bij me, dus ik liep de dichtstbijzijnde Waterstone’s binnen, op zoek naar een dunne novelle. Ik begon bij de A en kwam bij C een vaag bekende naam tegen, Raymond Carver.
Carver is de veel geprezen auteur van een klein oeuvre aan korte verhalen, wist ik. Ik koos ‘What we talk about when we talk about love’, en toog naar het park. Carvers verhalen bleken elk nog geen tien pagina’s lang te zijn, maar dat zou je niet zeggen. Hij verstaat de kunst om binnen een pagina een levend personage te schetsen. Die personages zijn ‘gewone mensen’, in alledaagse situaties. Alledaagse pijnlijke situaties. Er wordt gerookt, er wordt gedronken, er wordt ruzie gemaakt.
Meestal hebben korte verhalen iets onbevredigends, maar Carver bezit (behalve in het allerkortste verhaal uit de bundel, over een man en een vrouw die om een baby vechten) de gave om in acht pagina’s een afgerond geheel te presenteren. De bundel liet zich heerlijk lezen onder de Londense zon. Toen hij uit was ging ik weer naar de boekhandel om de andere bundels te kopen.

Nog een science fiction novelle van dik een eeuw geleden: The Scarlet Plague van Jack London. Geen utopia, maar een apocalyptisch verhaal: in 2013 slaat de scharlaken dood toe, een uiterst besmettelijke en dodelijke ziekte, die in mum van tijd bijna de hele mensheid wegvaagt.
Het verhaal gaat over de laatste overlevende, die aan zijn kleinkinderen vertelt hoe de pest zich razendsnel kon verspreiden in een dichtbevolkte wereld. De beschrijving van de maatschappelijke desintegratie door een epidemie doet wel wat denken aan Saramago’s Stad der blinden, al weet Saramago de beklemming veel levendiger op te roepen.
Londons novelle is, net als die van Forster, vooral interessant om het idee. De dichtbevolkte wereld is er en de angst voor een vernietigende epidemie is ook reëel.

Utopische science fiction valt doorgaans uiteen in twee categorieën. Ofwel de techniek ondersteunt de mensheid, ofwel ze neemt haar over. In het laatste geval is de hoofdpersoon dan vaak iemand die strijd tegen de ontmenselijking door de techniek (denk aan Brave New World).
Zo’n personage is ook Kuro uit The Machine Stops, van E.M. Forster, een schrijver die vooral bekend is van zijn romans A room with a view en A passage to India. De hoofdpersoon van dit science fiction verhaal uit 1909 is echter Kuro’s moeder Vashti, die een religieus vertrouwen in de machine heeft.
Bijzonder aan het verhaal is vooral dat het niet tot een confrontatie komt. De machine houdt er gewoon vanzelf mee op, oud en versleten. Het afhankelijke deel van de mensheid sterft, een paar uitgestoten enkelingen overleven.
Het verhaal is nogal afstandelijk geschreven, identificatie met de hoofdpersonen zit er niet in. Het gaat vooral om het originele idee, dat een dikke eeuw na dato blijft intrigeren.
Vijfentwintig jaar geleden ben ik ooit eens begonnen aan De Avonden van Gerard Reve. Na een paar pagina’s gaf ik het op. Niet om door te komen zo saai. Ik besloot het nogmaals te wagen, nu in de getekende versie van Dick Matena, met de complete tekst van de volksschrijver.
Het viel opnieuw niet mee, al haalde ik het einde nu wel. Een hoofdpersoon hoeft van mij niet sympathiek te zijn, maar slampampers als Frits van Egters (of Anna Karenina) werken ontzettend op mijn zenuwen. Er gebeurt in het hele boek niets en de humor is van het zuigende soort. Alsof je 350 pagina’s lang een slechte Jiskefet sketch zit te lezen.
Dick Matena’s donkere tekenwerk sluit goed aan bij de sfeer van het boek. Natuurlijk sluipt her en der de routine erin, de zoveelste kop van Frits is voor een tekenaar niet echt inspirerend. Met name de buitenscènes voegen echter werkelijk iets aan het verhaal toe. Ik durf de stelling dus wel aan dat de stripversie van De Avonden heel veel beter is dan het origineel.

Het zat er al even aan te komen, maar vandaag is het zo ver. De curator van Watt gaat de gemeente voor de rechter dagen wegens het niet nakomen van garanties. De procedure kan jaren gaan duren, want tot nu toe graaft de gemeente zich behoorlijk in.
Watt nam ooit op verzoek van de gemeente een grote schuldenlast en onvoordelige contracten over van de vorige exploitant, die aan de vooravond van het jongerenjaar failliet dreigde te gaan. Watt kreeg toen de verzekering dat alle lijken uit deze kast voor rekening van de gemeente waren.
Dat ontkent de gemeente nu. Ten eerste stelt ze dat ze nauwelijks een rol had bij de overname en ten tweede dat ze alleen beloofd had de lijken in de kast te houden tot die bij Watt werd afgeleverd. Anders gezegd: die sufferds van Watt haalden zich volgens de gemeente welbewust en zonder rugdekking een miljoenenschuld en een onbekend aantal lijken op de hals.
Enfin, u mag zelf bedenken hoe plausibel u dat verhaal vindt. Gokken hoe lang de procedure gaat lopen mag in het commentaarveld.

The Fighter is nog maar tien seconden onderweg wanneer je al weet dat je een uitstekende film tegemoet gaat. Christian Bale, die doorgaans houterig acteert, zet een elektrische rol neer als de doorgedraaide crackverslaafde annex broer en bokstrainer van Mark Wahlberg.
Voor het verhaal hoef je niet naar The Fighter. Het gaat gewoon over een bokser die na zware tegenslag de titel wint. Maar de prestaties in de bijrollen maken het een geweldige kijkervaring. Niet alleen Bale, ook Melissa Leo als moeder is gedenkwaardig, net als de onbekende actrices die het roedel zussen neerzetten.
Eigenlijk is het boksverhaal dan ook ondergeschikt aan het menselijke drama. Daar valt de hand van producer Darren Aronofsky in te herkennen. Je hoeft dan ook niet van boksen te houden om van de film te genieten.