
Wat als Lenin in 1917 niet uit zijn ballingsoord Zürich teruggekeerd was naar Rusland om daar de revolutie uit te roepen, maar in Zwitserland gebleven was en daar een sovjetstaat gesticht? Die premisse ligt ten grondslag aan Ik zal hier zijn bij zonneschijn en schaduw van Christian Kracht. Het roept associaties op met Het complot tegen Amerika van Philip Roth, dat als premisse had dat cryptofascist Charles Lindbergh de presidentsverkiezingen van 1940 zou winnen van Franklin Roosevelt.
Anders dan Roth, die een veranderend Amerika bekeek door de ogen van een joods jongetje, doet Kracht weinig met zijn gegeven. Zijn verhaal speelt zich honderd jaar later af, in een post-apocalyptische wereld die niets anders dan oorlog kent, maar behalve wat terminologie heeft het met communisme of fascisme weinig van doen. De hoofdpersoon, een Afrikaanse partijcommissaris in Zwitserse dienst, moet een zekere Brazhinsky opsporen en beland uiteindelijk in een gangenstelsel in de Zwitserse Alpen, waar hij besluit naar zijn Afrikaanse roots terug te keren.
Krachts goed geschreven roman intrigeert van het begin tot het eind, maar na afloop beklijft toch het gevoel dat er veel meer in gezeten had, als hij wat meer naar het voorbeeld van Roth gekeken had.

Gisteravond vond dan eindelijk het debat over het rekenkamerrapport inzake Watt plaats. Ik was er niet bij, maar gelukkig kun je het helemaal naluisteren. Uiteraard gebeurde er niks van belang meer, hoewel het gedraai van raadsleden en college bij vlagen komisch was.
Het draaide allemaal om het woord ‘verwachtingen’. De rekenkamer had dat woord geïntroduceerd om geen uitspraak te hoeven doen in hoeverre ze vond dat de op papier gestelde afspraken tussen Watt en de gemeente juridisch sluitend waren.
De politici grepen het woord aan om het helemaal niet over de papieren afspraken te hoeven hebben, maar te doen alsof er alleen maar vage soort-van-afspraken waren, die vooral in het hoofd van derde partijen bestonden. Als die partijen het gevoel hadden dat er harde afspraken waren, hadden ze die maar op papier moeten zetten met de handtekening van de gemeente eronder.
Enfin, die papieren zijn er dus, want ik ben nu eenmaal zo’n hinderlijk type die al zijn mail bewaart. Ik mag nog niet zeggen wat de curator gaat doen, maar ik durf wel te voorspellen dat dit toch niet de laatste keer geweest is dat de gemeenteraad zich over het dossier gebogen heeft.

Biutiful gaat over een sjacheraar in Barcelona, die illegalen ‘aan het werk’ helpt, zijn kinderen probeert op te voeden en te beschermen tegen hun manisch depressieve moeder, en dan ook nog eens te horen krijgt dat hij prostaatkanker in een vergevorderd stadium heeft.
Kortom, de ellende stapelt zich op, maar Uxbal buffelt ambigu voort. Enerzijds buit hij zijn illegalen uit, maar in een poging een van hen uit handen van de politie te houden, belandt hij zelf in de cel. Hij heeft het beste met zijn kinderen voor, maar in de praktijk verwaarloost hij ze. En dan heeft hij ook nog een nevenactiviteit als medium dat met de doden spreekt en probeert hij in het reine te komen met zijn overleden vader.
Het is de verdienste van regisseur Alejandro González Iñárritu dat hij dit verhaal niet laat ontsporen. In aanleg is het een melodramatische draak, maar Iñárritu houdt het samen met hoofdrolspeler Javier Bardem strak in de hand. Een verhaal als dit moet je ook rustig brengen, maar zeker tegen het einde is Biutiful wel erg traag. Nog iets meer beheersing zou de film ten goede gekomen zijn.

Twee jaar geleden zag ik The Wrestler van Darren Aronofsky, een film over een oude worstelaar die langzaam ten onder gaat. Dezelfde regisseur heeft nu Black Swan in de bioscoop, over een jonge ballerina die langzaam stuk gaat.
Black Swan is op zichzelf al een indringende film, met Nathalie Portman in de overtuigende hoofdrol als danseres die streeft naar perfectie in haar rol in het Zwanenmeer. Ze is ook fantastisch als witte zwaan, meent de choreograaf, maar heeft te weinig verdorvenheid in zich voor de dubbelrol van zwarte zwaan in hetzelfde ballet. Haar rivale voor de rol is juist meer zwarte dan witte zwaan. Aronofsky’s spel met fantasie en werkelijkheid zit overtuigend in elkaar.
De film krijgt echter een extra dimensie als je hem in samenhang met The Wrestler ziet. Sommige verhaallijnen zijn gespiegeld (de worstelaar staat aan het eind van zijn carrière, de ballerina aan het begin), andere lopen parallel (beiden verslapen zich voor het belangrijkste moment van de film). De obsessieve relatie van de ballerina met haar moeder heeft zijn pendant in de pogingen van de worstelaar de relatie met zijn dochter te herstellen.
Aronofsky schijnt oorspronkelijk het plan te hebben gehad beide karakters in één film te proppen. Dat heeft hij gelukkig niet gedaan. Maar een fraai tweeluik is het wel geworden.

Superduif, de jongste roman van Esther Gerritsen, gaat over een meisje van twaalf dat soms verandert in een dikke vette duif en dan reddingen verricht. Zo vecht ze tegen haar eenzaamheid en gevoelens van minderwaardigheid.
Het is een mooi gegeven, dat Gerritsen netjes uitwerkt. Helaas is ‘netjes’ hier het juiste woord, want het verhaal mist de scherpte van haar eerdere werk. Het taalgebruik is bij vlagen slordig, wat je niet verwacht van de schrijfster van Tussen een persoon. Met name miste ik in Superduif de logica van het absurde, die van Tussen een persoon zo’n pijnlijk grappige en daarmee bijzondere roman maakte.

Gisteren had ik inspreektijd gevraagd in de commissie JOCS van de Rotterdamse gemeenteraad, om vervolgens bevraagd te worden. Het was een stevige discussie, die ik niet helemaal hier kan weergeven. Hieronder wel de voorbereidende tekst die ik naar de commissie gestuurd had.
“In haar reactie op het rapport van de rekenkamer over Watt en opnieuw in de beantwoording van vragen door uw lid Anton Molenaar, geeft het college een trap na in de richting van Watt door te doen voorkomen alsof stichting CAR zelf verantwoordelijk is voor de fatale beslissing om MyTown Horeca bv over te nemen. Aanvankelijk wilde ik dit laten passeren, maar op verzoek van de heer Molenaar zal ik toch een korte toelichting geven.
CAR (dwz WaterFront en What’s Live) is altijd een pertinent tegenstander van de overname geweest. We hebben op diverse momenten de verantwoordelijke wethouder en ambtelijke dienst gewezen op de risico’s, die CAR niet kon dragen. Uiteindelijk zijn wij slechts akkoord gegaan na nadrukkelijke toezeggingen dat de gemeente alle schade uit de overname zou dekken. Zelf konden wij die schade vooraf niet overzien, omdat wij geen inzicht kregen in de accountantsrapporten die de gemeente had laten maken.
Op het moment van de overname zat de gemeente aan het stuur bij CAR. De door de gemeente aangestelde kwartiermaker was tijdelijk voorzitter. De juridische dienst van de gemeente stelde het contract op en verwerkte concessies die de gemeente rechtstreeks aan de verkopers deed. De rest van het bestuur van CAR hoorde vaak pas achteraf wat er speelde, vergezeld van de opmerking dat men zich geen zorgen moest maken, want er was immers een afspraak dat de gemeente de schade zou afvangen.
Vlak voor de overname definitief werd, heeft CAR nogmaals nadrukkelijk aan de bel gehangen dat de kosten wat betreft zowel schulden als geluidsproblematiek uit de hand dreigden te lopen. Dat inzicht was voor de gemeente, die wist dat CAR het risico niet dragen kon, geen reden om de zaak af te blazen.”

Paul Auster is een meester in het mystificeren van zijn hoofdpersonen. Daarin slaagt hij ook in Invisible, het verhaal van de jonge dichter Adam Walker, die de raadselachtige Fransman Rudolf Born en diens vriendin Margot ontmoet, met gevolgen die voortdurend in de lucht blijven hangen.
Pas halverwege de roman begrijp je als lezer dat hij eigenlijk over iets heel anders gaat, namelijk de verhouding tussen Adam en zijn zuster Gwyn, maar dan schakelt Auster toch weer terug naar Rudolf en Margot, en komen er ook nog een derde en vierde vrouw in beeld.
Jammer is dat Auster het intrigerende verhaal ook nog opgezadeld heeft met een stuk metafictie, in de vorm van een verteller die zogenaamd een manuscript van Adam in handen heeft, wat de aandacht ontzettend van het verhaal afleidt. Nog steeds een fijn boek, maar lang niet zo goed als Austers vroegere werk.

Ok, True Grit is geen Big Lebowski, maar om de een of andere reden ontkwam ik tijdens het kijken naar de jongste film van de broers Coen niet aan de associatie. Niet alleen speelt Jeff Bridges weer de hoofdrol, hij heeft hetzelfde baardje meegekregen, de drankzucht en het schmieren.
Hoewel de films verder totaal verschillend in karakter zijn, duikt in de komische momenten van True Grit telkens The Dude op. De scène in True Grit waarin Bridges als een dronken Rooster Cogburn op maiskoeken probeert te schieten en daarbij van zijn paard afvalt is een vorm van slapstick waar het gehannes van Lebowski meer dan in doorschemert.
Ook los daarvan is True Grit overigens een fijne film. De beste western van de afgelopen decennia is het niet (dat is namelijk Unforgiven), maar de film heeft een kop en een staart (dat kon je van The Big Lebowski niet zeggen) en meandert knap heen en weer tussen grim en grap.

In Op weg naar Zoar schetst striptekenares Sela een zondag uit haar leven als streng gereformeerd meisje. Opstaan, naar de kerk, koffie drinken, nog een keer naar de kerk – allemaal weinig spannend, ware het niet dat Sela een vreemde droom gehad heeft.
Heel gereformeerd Nederland doet afstand van zijn wereldse bezittingen en gaat op weg naar Zoar (dat is in de bijbel de stad die anders dan Sodom en Gomorra gespaard blijft). Sela twijfelt, omdat ze haar oudere broer, die van het geloof is afgevallen, zal moeten achterlaten.
Sela tekent het verhaal in sobere zwarte tinten en met weinig woorden. De kunst van het weglaten drijft ze zo ver door dat veel mensen geen hoofden hebben, omdat ze aan hun pak ook wel als mens te herkennen zijn. De jonge Sela heeft vaak een paar krassen als hoofd, om haar verwarring uit te beelden. Al met al een mooi verhaal, met veel symbolische middelen uitgebeeld. Bijbelkennis is een pre.
Heel veel mooie landschappen passeren in The Way Back, de film over een groep gevangenen die in de Stalintijd uit een Siberisch kamp ontsnappen, door de ijzige bossen trekken, de Gobi woestijn, de Tibetaanse hoogvlakte en tenslotte de Himalaya naar India, waar de vrijheid hun wacht. Die landschappen zijn ook de belangrijkste attractie van de film, die nogal uitleggerig is en een tenenkrommend slot kent.
Hoezeer de acteurs ook hun best doen om af te zien tijdens de vele ontberingen, ze slagen er niet in hun tocht boven het niveau van een stevig schoolreisje uit te tillen. De meedogenloze natuur tekent zich simpelweg niet in hun gezichten, zoals in films als Atanarjuat en Himalaya, met lokale hoofdrolspelers die echt weten hoe het voelt als je jaren achter elkaar extreme omstandigheden moet doorstaan.
Niettemin is The Way Back goed te genieten. De landschappen inspireren en als je een beetje door het plot heenkijkt, kan het gegeven van de vlucht behoorlijk met je verbeeldingskracht aan de haal gaan.