
Sinds de universiteit hem op z’n 65ste met pensioen stuurde, reist mijn vader de halve wereld af om colleges te geven in landen waar je op die leeftijd nog niet wordt afgeschreven. Aanbiedingen voor een vaste aanstelling legt hij naast zich neer en hij heeft ook het aantal reizen gerantsoeneerd, maar anders zou hij voor de komende jaren volgeboekt kunnen zijn. Kortom, de hele aow-discussie is aan hem niet besteed.
Deze maand verscheen zijn tweede magnum opus. Het is maar half zo dik als het eerste, maar toch altijd nog een kloeke 450 pagina’s. ‘Jesus Christ in world history’ traceert hoe binnen en buiten het christendom in de loop van twintig eeuwen tegen de figuur van Jezus en tegen zijn volgelingen werd aangekeken.
Verwacht geen Karen Armstrong-achtige rollende zinnen. Mijn vader is meer een encyclopedist. Iedereen die iets belangwekkends over Jezus gezegd heeft, komt aan het woord. Het aantal harde feiten per pagina loopt in de vele tientallen. Op sommige bladzijden nemen de voetnoten meer ruimte in dan de lopende tekst. Gelukkig blijft er ook ruimte voor anekdotes en citaten. Bijvoorbeeld deze van de Sri Lankaanse buddhistische priester Migettuwatte Gunananda, die in 1873 helder liet weten niets in Jezus te zien:
“At the birth of one who is to bring happiness to this world, a good omen must present itself, and as the slaughter of children was not a good sign, there was no doubt that it only portended the introduction of a false religion on earth and consequent evil to man.”

Even een egopostje. Dit weekend zat tussen de post het rapport Wetenschap is voor iedereen van Suzanne Haanappel en Sjaak Brinkkemper (Universiteit Utrecht). Het is een studie naar de popularisering van de informatica en informatiekunde.
Ik ben een van de twee experts die voor het onderzoek aan de tand gevoeld is. Dat jullie even weten dat ik naast een heleboel ongefundeerde opinies ook best nog wel ergens verstand van heb.
Er zijn van die herinneringen die een mens moet koesteren. Een daarvan in mijn geval is een geschiedenisleraar die soms een uur lang achterover geleund met de benen op tafel verhalen vertelde over hoe het eraan toeging tijdens de Renaissance in Italië of Rusland onder de Romanovs. Aantekeningen maken hoefde niet, want niks ervan zou feitelijk terugkomen tijdens een repetitie. Maar wat leerde je als jonge gymnasiast tijdens die sessies veel over hoe het leven in elkaar zat.
Vandaag werd Adriaan Miltenburg een groots afscheid aangeboden aan het CGU. Ik was er niet bij. Ik moest namelijk toezicht houden op een jongen met een piercing door zijn lip die bij mij een lek raam kwam vervangen. Zo zit het leven ook wel eens in elkaar. Het afscheidsprogramma duurde drie uur. Ik hoop dat Adriaan tenminste de helft daarvan gekregen heeft om te vertellen.
In 1986 namen hij en leraar grieks en latijn Joop Delmaar een kleine groep leerlingen op een geschiedenisles van twee weken mee naar Rome. Adriaan was de reisleider, Joop was voortdurend bezig passages van Tacitus en Suetonius aan de stoffige realiteit om hem heen te relateren. Het was zijn eerste keer in Rome, zei hij, al vind ik dat nog steeds moeilijk te geloven. Adriaan deed alsof hij Rome in zijn broekzak had en het jaarlijks even tevoorschijn haalde om op te poetsen voor een nieuwe generatie leerlingen. Wij waren zeer onder de indruk.
Maar dat was ik in de klas ook. Hij liet zich wel eens ontvallen dat hij aan mij kon zien of het interessant was wat hij vertelde. De ene keer schreef ik veel op, de andere keer niets. Achteraf vraag ik me af of die keren dat ik niets schreef, niet de interessantste waren.

Vanavond is mijn laatste redactievergadering van de Linker Wang, het tijdschrift voor geloof en politiek dat aan GroenLinks verbonden is. Ik heb er dan elf jaar in gezeten en in die tijd bijna honderd artikelen geschreven, gemiddeld iets minder dan twee per editie. Het honderdste is in de maak en dat vond ik een mooi moment om mijn vertrek aan te kondigen.
Ik werd indertijd door Ab Harrewijn erbij gehaald en ging aanvankelijk vaak met hem mee op reportage. Vanuit dat contact kwam ook mijn initiatief voor de naar hem genoemde prijs voort. Bij die prijs blijf ik natuurlijk wel betrokken.

Na een tip van wiskundemeisje Jeanine deed ik de Facebook-quiz ‘What kind of mathematician are you’, met het volgende geruststellende resultaat. De man op de foto is mijn held Kurt Gödel.


Drie weken zonder internet, ik kan het iedere blogger aanbevelen. Eerst heb je nog wat afkick-verschijnselen, met name een onrustig gevoel dat je je verplichting jegens je lezers zou verzaken, maar al gauw besef je dat die je helemaal niet zo missen.
Enfin, ik zit weer achter mijn bureau en kan het toch niet laten. Het nieuwe seizoen begint als altijd met een nieuwe skin voor de site, lekker fel blauw. Wie dat niet bevalt, kan natuurlijk terugschakelen naar de gedekte kleuren van eerdere jaren. Er staan ook wat nieuwe reisfoto’s op de site.
Of ik mijn rugzak wilde uitpakken. Nee, niet een klein beetje, helemaal. De Franse douanebeambte deed het even voor, binnen de kortste keren lag mijn vuile was op de stoep van de grenspost. Laat niemand denken dat de grens tussen Andorra en Frankrijk geen serieuze zaak is. Tientallen flessen belastingvrije Pernod worden er dagelijks in beslag genomen, en zeker zoveel sigaretten, schat ik in.
In de zomer is Andorra ook een prima uitvalsbasis voor bergwandelingen. Lekker iedere avond terug naar je driesterrenhotel voor veertig euro per nacht. En, mocht je daar behoefte aan hebben, ongestraft meer Pernod kopen dan de Franse douane betamelijk acht.

Na een tocht van bijna twaalf uur uit Porto Torres, Sardinië, kristalliseerde Barcelona gisteren aan het begin van de avond langzaam uit het tegenlicht. Eerst twee hoge torens, daarna een skyline met nog meer wolkenkrabbers en een kabelbaan en, als je goed keek, de ranke staken van La Sagrada Familia.
Toen begon het schip te wijken, naar het zuiden, het gruizige industriële havengebied, dat voor de stad verborgen gehouden wordt doordat Montjuic ertussen ligt. Ik voelde me bekocht. Op mijn ticket stond toch duidelijk dat ik naar Barcelona gebracht zou worden, niet naar de plaatselijke Botlek. We voeren de petroleum- en containerhaven binnen.
Daar gebeurde iets wonderlijks. We voeren door, terug naar de stad, binnendoor langs Montjuic, tot we alsnog aan de rand van de binnenstad belandden en ik vanaf het achterplecht Las Ramblas bijna zien kon. Niet zo mooi als een rechtstreekse intocht, maar nog altijd stukken beter dan Athene, waar de scheepganger in een troosteloze haven wordt losgelaten en dan nog een half uur bezig is om zich naar de stad te worstelen. Dan kun je net zo goed niet met de boot gaan.

Het museo archeologico van Cagliari heeft het nodige aan potten en pannen uit de steen- en bronstijd. Sardinië was indertijd in de verre omtrek bekend als obsidiaan, vulkanisch glas dat lucratieve handel betekende (en dat beschermd met tientallen forten die ervoor zorgden dat Phoeniciërs en Grieken niet verder kwamen dan hun handelsvestigingen aan de kust). Er zijn ook talloze stenen en bronzen beeldjes.
Een daarvan trok mijn aandacht. Het leek wel een madonna met kind, al was het jongetje een jaar of zeven. Het kind keek verwachtingsvol omhoog naar zijn moeder, in wier gezicht een lichte wanhoop te lezen viel. Ruw uit brons gekneed, 3500 jaar oud. Fascinerend. Ik zocht naar uitleg. ‘Beeldje’, stond erbij in het Italiaans.