
Drie uur met de bus uit Palermo naar het zuiden en je bent terug in Griekenland. Een verkruimeld wit amfitheater, rechtstreeks uit de rotsen gehakt, kijkt uit over zee. Een Apollotempel levert strijd tegen de tijd. De tempel van Athene staat nog fier overeind, als integraal onderdeel van de kathedraal. De kerk hier claimt met trots de tweede ter wereld te zijn, na die van Antiochië.
Syracuse was een belangrijke stad in de oudheid, een zelfstandige staat die de pech had precies halverwege Rome en Carthago te liggen. Een intellectueel bolwerk ook, de thuisbasis van Pythagoras, om maar iemand te noemen. Ruïnes is alles wat er rest, behalve dus die Athenetempel, die net als de tempel van Zeus in de grote moskee van Damascus indruk blijft maken door haar standvastigheid: weinigen zien haar nog, maar ze is er wel. Een kerk van 2500 jaar oud, je wordt er toch even stil van als je binnenstapt.
(Iets vergelijkbaars eclectisch is zichtbaar in de Palatijnse kapel van het koninklijke paleis van Palermo, waar Moorse, Byzantijnse en nog weer latere mozaïekmakers een gezamenlijk stempel op gedrukt hebben, totaal verschillende stijlen die elkaar op de een of andere manier toch vinden.)
Voor het overige is Syracuse toch weer Italiaans, met okeren in plaats van witte steegjes, met daarlangs een erewacht van gietijzeren balkons, waaraan men niet, zoals in Napels, zijn was te drogen hangt, met een gelateria op bijna iedere hoek en met pizza altijd binnen handbereik.
Twee veerboten verder – en korte stukjes met trein en bus – ben ik van Rhodos via Athene, Patra en Bari in Napels beland, bekend van pizza en wasgoed aan de balkons in de binnenstad. Chaos en schoonheid gaan hier hand in hand. Zelden een stad gezien die zo erg onder de graffiti zit en zijn waterfront zo weet te verpesten. Daar staat dan weer een archeologisch museum met topstukken uit Pompeï en Herculaneum tegenover. Napels, met al zijn verloederde monumenten, is een underachiever op toeristisch gebied. Ik ben dan ook niet van plan hier mijn eindtijd af te wachten. De volgende boot, naar Palermo, wacht.

De gedachte was om na de ferry van Odessa naar Istanbul een boot naar Bodrum te nemen, maar die werd dit voorjaar helaas uit de vaart genomen, waarmee de laatste mogelijkheid verviel om uit Istanbul over het water de Aegeïsche Zee te bereiken. Dus werd het een bus naar Bodrum, dat ooit als Halicarnassus bekend stond om een van de zeven wereldwonderen, namelijk de graftombe van koning Mausolus.
Bodrum en Rhodos, waar je dan weer wel per schip kunt komen, zijn magneten van het massatoerisme. Dat betekent hordes in korte broek en bikini op straat, restaurants en souvenirwinkels tot je erbij neervalt en koortsachtig werkende autochtonen, die maar drie maanden in het jaar hebben om het geld binnen te roeien en ook merken dat de spoeling dit jaar dunner is. Gelukkig is de oude stad van Rhodos een Unesco-monument, zodat ondanks alles de charme hardnekkig in de straten blijft hangen.
Een wandelingetje langs het strand leert je wat de minimale afstand tussen twee strandstoelen is die mensen nog als comfortabel ervaren: twee armlengtes. Mensen gaan op zo’n stoel liggen en blijven daar dan de hele dag, net zo lang tot de slagschaduw van hun hotel als een zonnewijzer de tijd aangeeft om te gaan douchen en het nationale restaurant op te zoeken – die waar ze de moeite hebben genomen om het menu in jouw taal te vertalen en er een paar woordjes van te spreken, jouw vlag aan de gevel te hangen en aan de muur een stelletje klompen, een gehoornde helm of noem maar op. Het blijft een fascinerend gezicht waar ik graag een poosje naar mag kijken.
Bovenaan de beroemde trappen van Odessa heeft iemand een gedenkplaatje voor Michael Jackson opgehangen. Ik zag twee jonge tienermeisjes met een viltstift er iets bijschrijven. Ze gingen weg, aarzelden, kwamen toch weer terug, schreven nog iets. Zeker een kwartier waren ze zo met hun idool bezig.

Vanmiddag stond bij de McDonald’s in het hartje van Chisinau een kerel met een grote indianentooi op zijn hoofd fanatiek de panfluit te bespelen. Hij en zijn maat hadden nogal wat publiek, dat ervoor gekozen had de zondagmiddag op en neer Stefan cel Mare te flaneren, de boulevard waaraan alles in de stad gebeurt, van ijsjes eten tot het land regeren.
De stad is rustig. Politie is alleen bij de ambassades aanwezig. De regeringsgebouwen zijn met gloednieuwe, glimmende hekwerken afgezet. Niets wijst erop dat in dit land momenteel de duimschroeven aangedraaid worden om ervoor te zorgen dat de communisten de verkiezingen aan het eind van deze maand winnen. Die zijn nodig omdat de verkiezingen van april tot een patstelling leidden.

In een grijs verleden is Iasi ooit nog eens een paar jaar de hoofdstad van Roemenië geweest. Nog vlak voor de oorlog kon het bogen op vijf universiteiten, bijna honderd kerken en nog meer synagogen. Die laatste zijn er niet meer, net als veel andere fraaie gebouwen uit de hoogtijdagen. In plaats daarvan is Iasi stedebouwkundig dichtgesmeerd met betonbouw die na enkele decennia al staat te verkruimelen.
Lelijk, veel anders kun je van de huidige stad niet zeggen. Lelijk, maar wel levendig. Talloos zijn de parkjes, pleinen en terrassen, zeker op zomerse dagen. Mijn eerste reflex, ‘snel weer weg hier’, heb ik onderdrukt om rustig op een bankje in het Copou park een boek te lezen, af en toe naar de spechten en boomkruipers te kijken en dan nog een slok ijskoud bronwater met veel magnesium te nemen.
Oradea, net over de Hongaarse grens in Transsylvanië, staat niet hoog op de toeristenbestemmingen van Roemenië en daarmee ook niet hoog op de restauratielijst. En dat is jammer, want er staat in het stadje een enorme hoeveelheid unieke art nouveau architectuur te verpieteren.
Het begin van herstel is er. Hotel Vulturul Negru en enkele andere grote monumenten zien er fris gepleisterd uit. Maar het blijft pijnlijk om aan een pand met verkruimelende mozaïeken een bordje te zien hangen: ‘Dit is het meest bijzondere art nouveau pand van Oradea’.
Dat zie je tegenwoordig niet veel meer in Nederland, koeien die gewoon uit het weiland het water in mogen lopen om te drinken.

Sinds ik als kleine zelfstandige door een wetswijziging verplicht sta ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, krijg ik brieven van groothandels in kantoorartikelen, kantinebenodigdheden en andere zaken die de moderne ondernemer nodig heeft.
Maar van de zending van vandaag stond ik toch even te kijken. Google stuurde me een brief. Of ik Adwords wilde gaan gebruiken. Er zat een plastic pasje met een actiecode bij. Dat heb ik uiteraard niet in de oudpapierbak gegooid.