
In mijn tijd aan de TU Delft kreeg ik colleges bedrijfskunde van Jan in ’t Veld, een Taylorist van het zuiverste soort, die zijn colleges opdeelde in blokken van vijf minuten, waarbinnen hij in een rustig tempo een van te voren vastgesteld aantal sheets afwerkte. In ’t Veld kreeg ooit bezoek van de studievereniging van Industrieel Ontwerpen, die kwam klagen over te moeilijke tentamens. De studenten wisten dat ze hun klacht met cijfers moesten onderleggen, omdat ze anders sowieso niet serieus genomen werden. Ze hadden dus een mooie tabel gemaakt van de cijfers die studenten op bedrijfskunde scoorden, afgezet tegen andere vakken van hun faculteit. De tabel toonde zonneklaar dat bedrijfskunde een bovengemiddeld moeilijk vak was.
De studenten hadden echter de pech dat de aimabele In ’t Veld dit soort berekeningen zelf ook maakte. Uit een la trok hij de tabel met de prestaties die studenten uit verschillende faculteiten leverden op exact dezelfde colleges en tentamens. Daaruit bleek dat industrieel ontwerpers gemiddeld veel slechter scoorden dan anderen. Het probleem, analyseerde In ’t Veld, was dus niet dat de tentamens te zwaar waren, maar dat de io’ers ofwel dommer waren ofwel minder hard werkten dan andere Delftse studenten. Daar ging hij geen rekening mee houden.

Spectaculaire vuurpijl rond Megaupload vandaag, maar het begin van een minstens zo interessante strijd met potentieel veel grote impact op cyberspace stond gisteren in de krant: Kodak gaat ten onder. Het bedrijf probeerde al een half jaar een deel van zijn waardevolle patenten te verkopen, maar potentiële kopers dachten dat ze minder kwijt zouden zijn als Kodak helemaal geen geld meer had.
De uitverkoop van in totaal 11.000 patenten kan nu beginnen, vergelijkbaar met de veiling van de Nortel patenten vorig jaar. Het bankroete telecombedrijf had er 6000. Apple en Microsoft waren er zo op gebrand Google buiten de deur te houden dat ze 4,5 miljard dollar overhadden voor Nortels portfolio. Google sloeg binnen een maand terug door voor 12,5 miljard Motorola Mobile over te nemen, vooral vanwege de patenten.

Het is een warme dag, dus prof.dr. Peter-Paul Verbeek loopt in een fleurig overhemd door het doolhof van het Cubicus gebouw op de UT-campus. In voorkomende gevallen trekt hij daar een min of meer passend colbertje bij aan – het uniform van een generatie die zich aantoonbaar niet wil laten leiden door oude conventies. Een visitatiecommissie die enige tijd geleden de door hem geleide opleiding kwam beoordelen, bevestigde dat beeld. Ze oordeelde dat er weliswaar niets mis was, maar constateerde ook dat de Twentse benadering van de filosofie zich, tegen de traditie in, wel heel erg liet leiden door de praktijk in plaats van de theoretische beschouwing. De opleiding droeg als het ware onvoldoende stropdas.
Verbeek, begeesterd: ‘Maar dat is toch juist het prachtige van de techniekfilosofie! Filosofen hebben de neiging om eerst een abstracte theorie op te stellen en die dan toe te passen op de werkelijkheid. In het geval van technologie dringt de werkelijkheid zich op aan de filosofie. Technologie stuurt het debat. Wij passen vaak geen bestaande filosofie toe op techniek, maar ontwikkelen nieuwe kaders omdat de oude kaders niet altijd voldoen voor nieuwe technologieën. Techniekfilosofie is per definitie pionierswerk, omdat je steeds voor nieuwe uitdagingen gesteld wordt.’
‘De kritiek luidt dan vaak: de ethiek hobbelt achter de techniek aan. Als ethici zich zo opstellen, komen ze inderdaad terecht in de rol van Waldorf en Statler, de oude mannetjes uit de Muppets, die steeds achteraf mopperen dat het niet deugt. Ik vind dat de ethiek naast de techniek moet lopen, niet erachteraan. Ethici moeten medeontwerper zijn van technische systemen. Ja, dan maak je vuile handen, maar dat is nou juist het mooiste van mijn werk. Het is niet alleen interessant of een stuk technologie ethisch verantwoord is of niet. Het gaat erom helder te maken wat die technologie betekent in het leven van mensen en om op grond daarvan besluiten te kunnen nemen over de toepassing.’

Het lijken mooie tijden voor technocraten momenteel. Waar het financiële stelsel kraakt, moeten zij de boel als oliemannetjes weer aan de gang helpen. Parlementen weten het niet meer en wenden zich tot kundige lieden, die normaalgesproken afstand bewaren tot de politieke smeer.
In het oude Rome deed men dat ook. Wanneer de situatie hopeloos leek, maakte de senaat de weg vrij voor een dictator, die tijdelijk een algehele volmacht kreeg om orde op zaken te stellen. Types als Lucius Quinctius Cincinnatus verjoegen dan de vijandige legers en keerden na gedane zaken terug naar hun boerderij. De senaat mocht dan weer op de winkel passen. De term ‘dictator’ is een beetje besmet geraakt sinds Julius Caesar zijn tijdelijke macht weigerde in te leveren, maar de gedachte is dezelfde gebleven: in opperste nood leg je je lot in handen van iemand die je vertrouwt om zijn competenties, en volg je ongezien zijn commando’s.
De technocraten die in Italië en Griekenland de euro moeten redden, zijn helemaal geen ingenieurs, maar bankiers, zij het van een ander type dat de crisis veroorzaakt heeft. Maar ‘bankier’ of ‘econoom’ klinkt niet vertrouwenwekkend genoeg om je portemonnee door te laten redden. ‘Technocraat’ heeft die lading kennelijk wel. Dat is curieus. Ik zie twee verklaringsgronden.

Ooit heb ik een Apple IIcx bezeten, de betaling in natura van een bevriende redactie, die een nieuwe had aangeschaft. Indertijd zat je aan Apple vast als je een tijdschrift wilde vormgeven. Ik gebruikte hem voor een vrijwilligersblaadje dat ik maakte. Het was een fijn ding, omdat er een heel groot beeldscherm bij zat, dat ik in mijn eentje nét kon tillen.
Net als mijn pc liep de Apple regelmatig vast. In plaats van een blauw scherm met onbegrijpelijke codes toonde het apparaat in dat geval een bommetje. Daaromheen kon je dan nog het werk zien dat je onherroepelijk kwijt was. Herstarten was de enige optie, en dan maar het beste ervan hopen. Anders dan bij Windows kon je bij Apple namelijk niet onder de motorkap kijken om te zien wat er mis was.
De meeste mensen willen helemaal niet onder de motorkap kijken. Dat was het briljante inzicht van de onlangs overleden Applevoorman Steve Jobs. Als het een beetje makkelijk werkt, vinden de meeste mensen het best. Apple bewaakt de motorkap van zijn apparaten dan ook als een leeuw. Iedereen mag apps voor de iPhone maken, maar Apple beslist of ze door de ballotage komen.

John Stewart is al meer dan dertig jaar actievoerder, met name tegen verkeersoverlast. Hij zag kans een extra landingsbaan voor Heathrow te blokkeren en werd in 2008 door de Independent on Sunday uitgeroepen tot de meest effectieve milieuactivist van het Verenigd Koninkrijk. Wanneer je aan zijn boek ‘Why noise matters’ begint, weet je dus dat zijn doel is een alarmbel te luiden, niet een evenwichtig betoog te houden.
Wat het boek niettemin waardevol maakt, is dat het een breed overzicht schetst over een veld dat nauwelijks als een eenheid gezien wordt. Bovendien maakt hij vanuit zijn oogpunt gehakt van twee ontwikkelingen die andere delen van de milieubeweging nou juist sterk propageren, namelijk zeetransport en windenergie.

Op dit moment staat op mijn diploma een uitstervende titel, ingenieur. De TU’s geven tegenwoordig immers MSc’s af. En het zou zomaar kunnen gebeuren dat mijn diploma straks is verstrekt door een instituut dat niet meer bestaat. De universiteiten van Delft, Leiden en Rotterdam praten namelijk over fusie, aldus een artikel waarmee de NRC in de komkommertijd uitpakte. De nieuwe universiteit zou de naam dragen van de oudste onder hen, Universiteit Leiden.
Nou doen dergelijke fusiegeruchten eens in de ongeveer tien jaar de rondte, dus zo’n vaart zal het niet lopen – en de betrokkenen ontkennen met klem dat er over meer gesproken wordt dan intensieve samenwerking – maar anderzijds is het niet voor niets dat het idee steeds terugkeert. Een alfa-, beta- en gamma-universiteit op een half uur reizen van elkaar, in iedere wereldstad zouden dat drie filialen van hetzelfde instituut zijn. Kortom, zo’n gek idee is die fusie niet.
Een van de voornaamste motieven om te fuseren, zo opperde de krant, was dat de combi-universiteit hoger zou eindigen op internationale ranglijstjes van academische toppers, omdat ze samen meer citaten in toptijdschriften scoren dan afzonderlijk. Toen ik dat las, rook ik lont. Het is immers een illusiestrategie. Je suggereert dat de universiteit beter wordt, maar in werkelijkheid wordt ze alleen maar groter.

Jaren geleden interviewde ik Johan Blaauwendraad, een gereformeerde hoogleraar civiele techniek, die op dat moment rector magnificus was van de TU Delft. Hij vertelde dat in zijn kringen techniek als een ‘veilige’ studiekeuze werd gezien, omdat studenten daarbij niet geconfronteerd werden met kwesties die hun geloof aan het wankelen konden brengen. Dit in tegenstelling tot studies als astronomie, biologie en theologie. Wie zich op de techniek concentreerde had geen last van ingewikkelde keuzes tussen goed en kwaad. Blaauwendraad was het daar volstrekt mee oneens. Techniek had juist wel een ethische dimensie.
Zo rond 21 mei, toen de Amerikaanse predikant Harold Camping het einde der tijden voorspelde, moest ik terugdenken aan dat idee van de ‘veilige studie’. Camping was opgegroeid in een christelijk gereformeerd gezin in Californië – ook daar heeft het calvinisme van Nederlandse snit wortel geschoten. Hij studeerde in 1942 af in de civiele techniek aan Berkeley, niet de minste universiteit. Kortom, ook een gereformeerde jongen die voor een veilige studie gekozen had.

De Rus Gisha Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.
Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.

Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.
Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.