
In april gaat de film Isabelle Avondrood van Luc Besson (Nikita, The Fifth Element, Leon) in première, naar de stripserie van Jacques Tardi. Dat roept bij mij niet alleen nostalgische gevoelens op, maar maakt ook de bèta in me wakker. Geen strip wordt namelijk zo bevolkt door waanzinnige geleerden als Isabelle Avondrood, dat zich afspeelt in Parijs rond de eerste wereldoorlog.
De waanzinnige geleerde, zo mag bekend verondersteld worden, is eigenlijk een waanzinnige ingenieur. Hij is namelijk niet doorgedraaid in zijn behoefte om iets te weten, maar om iets te doen. Victor Frankenstein, het archetype dat talloze navolgers kreeg in de populaire cultuur, zette zijn monster niet in elkaar om meer te weten te komen over het leven. Nee, hij wil het zelf scheppen, in de uiteindelijke hoop de dood te overwinnen. Dan ben je ingenieur.

Een druilerige vrijdagochtend. Het stadhuis van de gemeente Duitendam oogt verlaten, na de langdurige zitting van de gemeenteraad in de nacht ervoor. Op een bankje in de brede gang, tegenover het schilderij van gewezen burgemeester Ordeman, zit ir. Anton Grout van ingenieursbureau Drijver & Van der Graaf te wachten tot hij wordt binnengeroepen bij wethouder Sentewaaier. Dan is het zo ver.
‘Goed nieuws, meneer Grout’, zegt Sentewaaier wanneer ze zijn aangeschoven aan een tafel waar ook tien vermoeid ogende ambtenaren van diverse afdelingen aanzitten. ‘De kogel is door de kerk. Ik heb stevig moeten pleiten, maar de gemeenteraad is om vier uur vanochtend akkoord gegaan met een vierbaans tunnel met parkeergarage annex waterberging onder het stadhuis. Mits duurzaam ontworpen. Kunnen jullie dat?’
‘Meneer de wethouder, al wilde de gemeente een hydraulisch opklapbaar stadhuis dat opzij kan schuiven om er een raketlanceerinstallatie onder te verbergen, dan nog zou Drijver & Van der Graaf het kunnen ontwerpen.’

Een paar dagen nadat De Ingenieur bij u op de mat ploft, verschijnt deze column ook op mijn website. Daar kunt u hem gratis en voor niks lezen, en kunt u mij bovendien laten weten wat u ervan vindt. In feite sponsort de redactie van De Ingenieur op deze manier de content op mijn website, want als zij er niet voor betaalde, zou deze column nooit geschreven zijn. De redactie heeft geen probleem met de digitale herpublicatie, omdat het totaal geen bedreiging voor de papieren editie is.
In tegenstelling tot wat iedereen u probeert wijs te maken is internet namelijk helemaal niet de nagel aan de doodskist van papieren kranten en tijdschriften. Er is nog nooit zoveel papier op de markt geslingerd als nu, want dat is stukken goedkoper geworden in het digitale tijdperk. De concurrentieslag tussen papieren bladen onderling is zwaarder dan die tussen papier en internet.

Het was al voorbij middernacht toen er op mijn deur geklopt werd. De hoteleigenaar, een oudere Chinese man, verontschuldigde zich dat de politie me wilde spreken. Er stonden vijf mannen in burger om hem heen. Dit was politie van het speciale soort en ze vragen morgen terug te komen was geen optie. Even de deur dichtdoen om me aan te kleden ook niet.
Een paar seconden later stonden ze binnen. Twee hielden me aan de praat, terwijl de andere drie behoedzaam de kamer en mijn spullen doorzochten. Ik moest mijn paspoort laten zien. Wat deed u in Iran? Wat deed u in Pakistan? Wat deed u in Maleisië? Waarom bezoekt u Indonesië? Gelukkig had ik genoeg goede argumenten paraat om mezelf neer te zetten als christelijke toerist in plaats van moslimterrorist. Mijn bezoekers ontspanden en bogen hun vragen moeiteloos om van wantrouwend naar nieuwsgierig. Binnen een uur mocht ik weer gaan slapen.

Tot de meer bevredigende reportages die ik als journalist mag schrijven, behoort het bedrijfsportret. Een interview met een onderzoeker is intellectueel uitdagender en zal de lezer allicht meer nieuws vertellen, maar als journalist betekent het vaak dat je niet verder komt dan een bureau, tastend naar de abstracte ideeën die de promovendus of hoogleraar naar je toeschuift.
Als ik geluk heb, mag ik dan een onderzoeksopstelling bezoeken, meestal een blinkend roestvrijstalen constructie waaraan ik wel het nodige kan zien, maar niet de essentie van het idee. ECN heeft mij ooit op een dagtochtje per vliegtuig meegenomen naar de synchrotron in Grenoble, maar het ultieme bewijs dat Nederland en Vlaanderen daar een eigen elektronenbundel hadden voor materiaalonderzoek bestond uit een dansende grafiek op een beeldscherm. Het was een indrukwekkende installatie, maar de essentie van een synchrotron bleef ontastbaar.

De eerste pc die ik ooit van mijn spaarcenten kocht, was een Tulip. Het werd indertijd ontzettend belangrijk gevonden dat Nederland een eigen hardware-industrie zou krijgen. Anders zouden wij namelijk een natie van ‘dozenschuivers’ worden en dat was natuurlijk een inferieur metier. Nou was het schuiven van dozen eigenlijk altijd de core business van Nederland geweest, maar de gedachte dat we dingen moesten maken, liefst in grote hoeveelheden, vond ook ik vanzelfsprekend. Tulip, dat een marginaal betere IBM-kloon op de markt bracht, was dan ook de nationale computertrots.
Inmiddels is Tulip onder allerlei namen diverse keren bijna failliet geweest, en begin september ging het definitief mis. Computers produceerde het al jaren niet meer. Niemand in de westerse computerindustrie gelooft namelijk nog dat het op bulkschaal in elkaar schroeven van apparaten een begerenswaardige bezigheid is. Massaproductie hoort thuis in lagelonenlanden. Ontwerp en design, dat zijn taken voor een economie van dure, hoog opgeleide krachten, en daarnaast de productie van kleine series met innovatieve of ingewikkelde methoden.

Tot de gesjeesde ingenieurs die redelijk succesvol zijn geworden in het literaire vak behoort de Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk. Hij was al drie jaar gevorderd in de architectuur aan de eerdbiedwaardige technische universiteit van Istanbul, toen hij besloot het bijltje erbij neer te gooien en te gaan schrijven. In ‘Istanbul, memories and the city’, zijn boek met autobiografische essays, schrijft hij daarover: ‘As my mostly uninspired teachers at the Technical University possessed the souls of engineers, had no sense of play and took no creative pleasure in architecture, their classes began to seem a waste of time.’
Zo die zit. Nou zal iedereen die de moderne Turkse architectuur heeft mogen bewonderen in de buitenwijken van Istanbul, Izmir of Ankara kunnen beamen dat fantasie niet hoog op het prioriteitenlijstje staan van Turkse bouwers en hun klanten. Zonder uitzondering zijn het vierkante torens, met balkons op de hoeken, opgetrokken uit betonnen skeletten die met holle bakstenen zijn opgevuld. Laagje pleister eroverheen, vrolijk kleurtje en klaar. Dus dat een fantasievolle auteur als Pamuk, die bovendien liever schilder was geworden, zich er niet thuis voelde, valt te billijken.

Dezer dagen bevind ik mij regelmatiger dan anders onder techniekfilosofen aan de Nederlandse technische universiteiten. Dat is een klein wondertje – ik bedoel niet dat ik hun burelen frequenteer, maar dat er überhaupt zoveel techniekfilosofen zijn. Tien jaar geleden moest je ze namelijk nog met een lantaarntje zoeken. Techniekfilosofie was een onderwerp dat werd aangejaagd door studentenpastoraten en enkele bijzondere hoogleraren, veelal van religieuzen huize, die een handjevol gelijkgestemde studenten bedienden. In Twente had je Hans Achterhuis, ook een theoloog trouwens, die aan de weg timmerde met toegankelijke betogen over de wisselwerking van techniek en maatschappij.
De omslag is gekomen onder druk van de studenten, die vonden dat ze onvoldoende werden voorbereid op ethische dilemma’s, die ze in hun beroepspraktijk zouden tegenkomen. Universiteitsbestuurders legden de studenteneis eens onder de loep, en kwamen tot de slotsom dat die alleszins redelijk was. Ethiek verscheen op de curricula, dus moesten er mensen zijn die het doceerden, en die mensen moesten ook onderzoek doen, want we waren tenslotte aan een universiteit en niet aan een hogeschool, en zo bouwde Nederland binnen een decennium een wereldreputatie in de techniekfilosofie op.

Slechts weinigen komen voor de kunst naar La Piscine, een museum in Roubaix, een van de arme voorsteden van het sjieke Noord-Franse Lille. Er hangen wat aardige genrestukken, veelal van lokale navolgers van de groten der schilderkunst, en er is een respectabele collectie textiel – een herinnering uit de tijd dat die industrie nog niet naar goedkopere landen was uitgeweken.
Net als iedereen bezocht ik niet daarvoor het Musée d’art et d’industrie André Diligent. Ik kwam voor het gebouw, een art deco badhuis uit 1927, ooit ontworpen als monument van hygiëne voor de noeste arbeiders van Roubaix. De techniek schreed echter voort. De arbeiders hebben nu allemaal bad of douche aan huis. In 1985 sloot het verwaarloosde badhuis definitief de deuren.
Wat overbleef was een gebouw, doorwasemd met vocht en chloor, vrijwel nergens goed voor. Maar ondertussen wel een juweeltje van bouwkunst, met licht dat schrijlings binnenvalt door grote ramen aan weerszijden van het grote bad. Iemand bedacht dat het wel een museum kon worden. De architecten hadden er een hele kluif aan om het vervallen gebouw op te poetsen, maar acht jaar geleden ging het in volle glorie open. Er ligt nu een kleine vijver waar ooit het grote zwembad was, geflankeerd door enkele tientallen beeldhouwwerken. De omkleedhokjes zijn vitrines geworden. In aanpalende ruimtes hangen de schilderijen.

De grens bij Tay Trang was sinds een paar maanden open, had ik op internet gelezen, dus ik hield een motorfiets aan en liet me er door de rijstvelden heen brengen. Bij de grenspost hield het asfalt op. Een paar lanterfanterende kinderen staarden me verbaasd na, terwijl ik het kantoortje binnenliep, waar twee beambten voorovergebogen over hun bureau lagen te dutten. Ook op hun gezichten ongelovige blikken, toen ik verzocht mijn paspoort te stempelen. Exit Vietnam.
Laos begon als een pad van modder en steenslag. Na een paar kilometer door de motregen kwam ik bij een hypermoderne grenspost: enorm gebouw, barakken eromheen, spiegelgladde parkeerplaats voor zeker honderd auto’s en vrachtwagens. Het was volstrekt verlaten. Op de bovenverdieping vond ik een slapende ambtenaar, die zich snel aankleedde om mijn paspoort te stempelen. Welkom in Laos, zei hij erbij, en wees naar de hoek van het parkeerterrein waar een pad van modder en steenslag verder omlaag leidde. Ooit zou dit de belangrijkste weg tussen de hoofdsteden Ha Noi en Vieng Chian worden, maar nu lag deze vooruitgeschoven post van de moderne tijd er misplaatst bij temidden van het groen.