
Tot de gesjeesde ingenieurs die redelijk succesvol zijn geworden in het literaire vak behoort de Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk. Hij was al drie jaar gevorderd in de architectuur aan de eerdbiedwaardige technische universiteit van Istanbul, toen hij besloot het bijltje erbij neer te gooien en te gaan schrijven. In ‘Istanbul, memories and the city’, zijn boek met autobiografische essays, schrijft hij daarover: ‘As my mostly uninspired teachers at the Technical University possessed the souls of engineers, had no sense of play and took no creative pleasure in architecture, their classes began to seem a waste of time.’
Zo die zit. Nou zal iedereen die de moderne Turkse architectuur heeft mogen bewonderen in de buitenwijken van Istanbul, Izmir of Ankara kunnen beamen dat fantasie niet hoog op het prioriteitenlijstje staan van Turkse bouwers en hun klanten. Zonder uitzondering zijn het vierkante torens, met balkons op de hoeken, opgetrokken uit betonnen skeletten die met holle bakstenen zijn opgevuld. Laagje pleister eroverheen, vrolijk kleurtje en klaar. Dus dat een fantasievolle auteur als Pamuk, die bovendien liever schilder was geworden, zich er niet thuis voelde, valt te billijken.

Dezer dagen bevind ik mij regelmatiger dan anders onder techniekfilosofen aan de Nederlandse technische universiteiten. Dat is een klein wondertje – ik bedoel niet dat ik hun burelen frequenteer, maar dat er überhaupt zoveel techniekfilosofen zijn. Tien jaar geleden moest je ze namelijk nog met een lantaarntje zoeken. Techniekfilosofie was een onderwerp dat werd aangejaagd door studentenpastoraten en enkele bijzondere hoogleraren, veelal van religieuzen huize, die een handjevol gelijkgestemde studenten bedienden. In Twente had je Hans Achterhuis, ook een theoloog trouwens, die aan de weg timmerde met toegankelijke betogen over de wisselwerking van techniek en maatschappij.
De omslag is gekomen onder druk van de studenten, die vonden dat ze onvoldoende werden voorbereid op ethische dilemma’s, die ze in hun beroepspraktijk zouden tegenkomen. Universiteitsbestuurders legden de studenteneis eens onder de loep, en kwamen tot de slotsom dat die alleszins redelijk was. Ethiek verscheen op de curricula, dus moesten er mensen zijn die het doceerden, en die mensen moesten ook onderzoek doen, want we waren tenslotte aan een universiteit en niet aan een hogeschool, en zo bouwde Nederland binnen een decennium een wereldreputatie in de techniekfilosofie op.

Slechts weinigen komen voor de kunst naar La Piscine, een museum in Roubaix, een van de arme voorsteden van het sjieke Noord-Franse Lille. Er hangen wat aardige genrestukken, veelal van lokale navolgers van de groten der schilderkunst, en er is een respectabele collectie textiel – een herinnering uit de tijd dat die industrie nog niet naar goedkopere landen was uitgeweken.
Net als iedereen bezocht ik niet daarvoor het Musée d’art et d’industrie André Diligent. Ik kwam voor het gebouw, een art deco badhuis uit 1927, ooit ontworpen als monument van hygiëne voor de noeste arbeiders van Roubaix. De techniek schreed echter voort. De arbeiders hebben nu allemaal bad of douche aan huis. In 1985 sloot het verwaarloosde badhuis definitief de deuren.
Wat overbleef was een gebouw, doorwasemd met vocht en chloor, vrijwel nergens goed voor. Maar ondertussen wel een juweeltje van bouwkunst, met licht dat schrijlings binnenvalt door grote ramen aan weerszijden van het grote bad. Iemand bedacht dat het wel een museum kon worden. De architecten hadden er een hele kluif aan om het vervallen gebouw op te poetsen, maar acht jaar geleden ging het in volle glorie open. Er ligt nu een kleine vijver waar ooit het grote zwembad was, geflankeerd door enkele tientallen beeldhouwwerken. De omkleedhokjes zijn vitrines geworden. In aanpalende ruimtes hangen de schilderijen.

De grens bij Tay Trang was sinds een paar maanden open, had ik op internet gelezen, dus ik hield een motorfiets aan en liet me er door de rijstvelden heen brengen. Bij de grenspost hield het asfalt op. Een paar lanterfanterende kinderen staarden me verbaasd na, terwijl ik het kantoortje binnenliep, waar twee beambten voorovergebogen over hun bureau lagen te dutten. Ook op hun gezichten ongelovige blikken, toen ik verzocht mijn paspoort te stempelen. Exit Vietnam.
Laos begon als een pad van modder en steenslag. Na een paar kilometer door de motregen kwam ik bij een hypermoderne grenspost: enorm gebouw, barakken eromheen, spiegelgladde parkeerplaats voor zeker honderd auto’s en vrachtwagens. Het was volstrekt verlaten. Op de bovenverdieping vond ik een slapende ambtenaar, die zich snel aankleedde om mijn paspoort te stempelen. Welkom in Laos, zei hij erbij, en wees naar de hoek van het parkeerterrein waar een pad van modder en steenslag verder omlaag leidde. Ooit zou dit de belangrijkste weg tussen de hoofdsteden Ha Noi en Vieng Chian worden, maar nu lag deze vooruitgeschoven post van de moderne tijd er misplaatst bij temidden van het groen.

Tijdens de wereldwijde economische malaise van de jaren tachtig raakte ook Philips in de problemen. Het bedrijf zag zich genoodzaakt duizenden mensen te ontslaan, ook in haar thuisregio. Die ontslagronde is achteraf een zegen gebleken voor Eindhoven en omgeving. Ineens was er een ruim aanbod aan hoogwaardig technisch personeel en konden jonge bedrijven als ASML en OTB talenten werven zonder bang te hoeven zijn dat die bij de eerste de beste gelegenheid voor een alternatief bij het prestigieuze Philips zouden kiezen. Zo werd een crisis een kans voor een deel van Brabant.
Op een grotere schaal stortte Europa zich aan het eind van de jaren tachtig op een Groot Project: de integratie van de zojuist uit het Oostblok losgeweekte landen, waar talloze getalenteerden gefrustreerd vastzaten in een lamlendig economisch systeem. Het leidde tot enorme investeringen, die bijdroegen aan economische voorspoed die op een enkel dipje na tot vorig jaar aanhield. Een hype rond technologische vernieuwing, de dotcom-bubble, versterkte de vastberadenheid die nodig is om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen.

De Portugese futurist Álvaro de Campos mag een van de meest uitbundige dichters ooit heten. Hij studeerde maritieme techniek in Glasgow, reisde langdurig in het verre oosten, maar streek uiteindelijk neer in Londen, waar hij zich te buiten ging aan bisexuele uitspattingen. Daarnaast schreef hij honderden gedichten, samengebracht in bundels met titels als ‘De sensationistische ingenieur’ en ‘De metafysische ingenieur’, die pas na zijn dood gepubliceerd zouden worden (recent verscheen een kloeke Nederlandse uitgave in twee delen). Uit het gedicht ‘Lisbon revisited’ komen de regels:
Ik ben technicus, maar alleen technisch binnen mijn techniek
Daarbuiten ben ik gek, met alle recht om het te zijn
Met alle recht om het te zijn, verstaan?

Een van de vroegste slachtoffers van de kredietcrisis was Global Alpha Fund, een hedgefund van Goldman Sachs, een van de twee Amerikaanse investeringsbanken die het het langste uithield, maar eind september toch ook zijn privileges moest opgeven om een normale bank te worden. Global Alpha verloor in 2007 zestig procent van zijn waarde, zodat er maar vier miljard dollar over bleef.
Het bijzondere aan dit fonds is dat het een zogeheten quant fund is, waarvan de investeringsbeslissingen uitsluitend door computers genomen worden. Mensen bedenken nog wel de algoritmes, maar gezien de soms wel meer dan honderd parameters kunnen ook zij het totale effect niet meer overzien. In feite zijn quants fondsen die erop gokken dat de toekomst een extrapolatie van het verleden is. Daardoor functioneren ze onder kalme marktomstandigheden beter dan in zwaar weer.

‘The extraction industries, firms like Shell, got the message about political risk 30 years ago, but most of the Fortune 100 weren’t thinking this way until recently. Corporates in the tech area are among the worst, perhaps because their management is suffused with engineers.’
Ik knipperde even met mijn ogen, maar hij zei het echt, Ian Bremmer van consultancybedrijf Eurasia Group, in een speciaal katern van het tijdschrift The Economist over de risico’s van zakendoen in een gepolitiseerde omgeving. Dat knipperen kwam niet zozeer door het vooroordeel jegens ingenieurs uit de laatste zin – daar ben ik zo onderhand wel aan gewend – maar uit de tegenstelling die gemaakt wordt met de grondstoffenwinning.
In mijn beleving is mijnbouw, de industrie die het wel zou snappen, namelijk ook een vorm van technologie. De laatste keer dat ik ernaar keek bestond de raad van bestuur van Shell in meerderheid uit ingenieurs en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er in de rest van het bedrijf ook de nodige rondlopen. Als een overvloed aan ingenieurs in het management tot politieke ongevoeligheid leidt, hoe komt het dan dat Shell daar geen nadelen van ondervindt?

Legoland is een alleraardigst pretpark op een half dagje rijden van Groningen. Veertig jaar bestaat het deze maand en het concept is altijd gelijk geblijven: laat mensen van alle leeftijden staaltjes Legobouwkunst zien en ze zullen er met open mond naar kijken. Toch is Legoland sterk veranderd, net als de dozen met vrolijk gekleurde plastic blokjes die in de winkels liggen.
Bij binnenkomst stuit de bezoeker eerst op het oude Legoland, een soort Madurodam van Lego. Gebouwen en landschappen uit de hele wereld zijn er nagebouwd, met bewegende boten, auto’s, bruggen, sluizen en treinen. Het is vooral een jaloers makend staaltje technisch kunnen dat hier getoond wordt. Kijk eens wat je allemaal van Lego kunt bouwen, als je maar genoeg blokjes hebt!

In de roman ‘The reluctant fundamentalist’ van Mohsin Hamid krijgt de jonge Pakistaan Changez een business case voorgelegd als hij solliciteert bij Underwood Samson, een prestigieuze consultancyfirma. Een bedrijf heeft een teletransporter uitgevonden, waarmee je in een ogenblik van New York naar Londen reist. De vraag ten behoeve van investeerders is: hoeveel is dit bedrijf waard?
Changez haalt al zijn kennis over business modellen van stal, berekent de waarde van de tijdwinst, maakt een schatting van de opbrengsten en komt uiteindelijk op een bedrag: 2,3 miljard dollar. Zijn beoordelaar Jim zwijgt een poosje en schudt dan zijn hoofd. Veel te optimistisch. Wie laat zich nou desintegreren in een machine en dan een oceaan verderop weer in elkaar zetten? ‘This is exactly the the kind of hyped-up bullshit our clients pay Underwood Samson to see through’, zegt Jim.