
Een poosje geleden schreef ik voor een ander tijdschrift een artikel over een idee van een hoogleraar aan een van de TU’s. Op dat idee had ik commentaar ingewonnen bij een andere hoogleraar, die op beleefde wijze zware twijfels aan de haalbaarheid uitte. Als journalist wil je tenslotte niet alles voor zoete koek slikken. Toen die eerste hoogleraar daar lucht van kreeg, ontving ik een mailtje, meteen maar met cc aan de rector magnificus, met daarin de volgende frase:
‘Het is mijns inziens niet overeenkomstig de ethiek van de ingenieur om eventuele meningsverschillen via de pers uit te vechten in plaats van direct met de collega hierover in discussie te gaan. Dit is niet alleen mijn mening maar staat ook in de normen van Kivi, de organisatie waar zowel ik als vele andere collega’s lid van zijn. Ik vraag u deze ethiek te respecteren. Ik vraag u ook collega’s niet in verleiding te brengen om ter wille van de sensatie zich tegen elkaar te uiten.’

Begin maart haalde de TU Delft zowaar de voorpagina van de Volkskrant. Niet met iets technisch, natuurlijk (daar val je de krantenlezer ‘s ochtends vroeg niet mee lastig), maar met een vette roddel: hoogleraar René de Borst had de deur boos achter zich dichtgeslagen en vertrok naar Eindhoven. Opgeruimd staat netjes, zullen ze in Delft stiekem gedacht hebben, want ze hebben De Borst ook al een keer intern moeten overplaatsen nadat hij met alles en iedereen op zijn oude faculteit ruzie gemaakt had.
De roddel van de Volkskrant concentreerde zich echter op de reden die De Borst opgaf voor zijn vertrek: de TU Delft is sinds een jaar of drie een popiejopie universiteit waar echte wetenschappers niet meer serieus genomen worden. Sterker nog, ‘de wetenschap wordt verwaarloosd. Eens keert dit zich als een boemerang tegen je.’ Alle aandacht gaat naar leuke projectjes, zoals de Nuna zonnewagen en de Wasub onderzeeër.

Onlangs belandde een dun boekje op mijn bureau, ‘The tragedy of Edward Teller’. Het is een toneelstuk in twee bedrijven over de Joods-Hongaars-Amerikaanse natuurkundige die te boek staat als de vader van de waterstofbom en als een lastige ijdeltuit. Teller – even snel voor degenen die hem niet kennen – was een natuurkundige in de beste Duitse traditie, een leerling van Werner Heisenberg, die voor de nazi’s naar Amerika vluchtte en daar een rol kreeg in het Manhattan project om de atoombom te ontwerpen.
Veel van zijn collega’s kregen na de bommen op Hiroshima en Nagasaki pacifistische trekjes. Teller niet. Hij vond communisten net zo erg als nazi’s. Daar maakte hij geen vrienden mee, zeker niet toen hij tijdens de communistenjacht voor de Amerikaanse senaat getuigde tegen de leider van het Manhattan-project, Robert Oppenheimer. Ondertussen werd Teller een van de leidende breinen achter de ontwikkeling van de waterstofbom. Hét brein, vond hij zelf, hoewel velen in zijn omgeving daar anders over dachten. Volgens sommigen stond hij model voor Stanley Kubrick’s dr. Strangelove.

Een paar maanden geleden was ik in Kazbegi, een bergstadje in Georgië, aan de grens met Rusland. Ooit was dit een belangrijke pleisterplaats voor vrachtwagenchauffeurs, want de belangrijkste weg over de Kaukasus liep erdoorheen. Nu was die grens gesloten, vanwege conflicten tussen Georgië en Rusland, en vanwege de nabijheid van Tsjetsjenië. Georgië handelde tegenwoordig gretig met Turkije en het westen.
Buiten de hoofdweg Tbilisi-Vladikavkaz was het droevig gesteld met de wegen, die veelal steil tegen de bergwanden opliepen. ‘Iedere winter bevriezen de straten’, legde mijn gastheer uit. ‘Zodra het gaat dooien, veranderen ze in wilde rivieren die het kapotgevroren cement meesleuren. Wegen aanleggen heeft hier weinig zin. De laatste keer dat er iets aan gedaan is, dateert al uit de sovjettijd.’

De verkiezingen komen er aan, dus krijgen we vanzelf gedoe over stemmachines. De actiegroep ‘Wij vertrouwen stemmachines niet’ haalde onlangs het nieuws door aan te tonen dat de machines van Nedap eenvoudig te manipuleren waren. Je moest wel toegang hebben tot de apparaten, maar dan was het een koud kunstje om een chip te vervangen en zo de uitslag te beïnvloeden. Je kon bij wijze van spreken een wifi-chip inbouwen en van een afstandje zelf elke stem afluisteren en veranderen. Om de kwetsbaarheid van de software in het apparaat aan te tonen, herprogrammeerden de actievoerders ook een machine tot schaakcomputer.
In reactie worden de machines nu ongetwijfeld beter bewaakt, zeker in Rotterdam, waar er 400 losjes opgestapeld in een hok bleken te staan, zonder cameratoezicht. Bovendien wordt de beveiliging op ouderwetse wijze uitgebreid met een verzegeling. Een fysieke maatregel dus, geen elektronische. Maar heel erg waterdicht klinkt dat niet, want ook met zegels valt te manipuleren. Al is het voordeel natuurlijk wel dat de controle met mensenogen te verrichten valt.

Rob de Wijk, het televisiehoofd van Clingendael, sprak onlangs een gezelschap ict-ers toe over de gevaren van cyberterrorisme. Dat is namelijk een hot topic. De westerse wereld is immers in hoge mate afhankelijk van computers, dus als je een knooppunt platlegt, kun je enorme schade aanrichten. De rechterhand van Osama bin Laden, Ayman Al-Zawahiri, heeft aanslagen op ict-knooppunten dan ook van harte aanbevolen.
Bovendien is het platleggen van ict-infrastructuur goedkoop en anoniem. Als je de twee grootste botnets ter wereld inhuurt (paar duizend dollar per dag), beschik je over genoeg ddos-vuurkracht om heel Zuid-Korea van het net te halen. Dat zei De Wijk er niet bij, dat werd mij door de nerds in de wandelgangen ingefluisterd. De Clingendael-alfa zou het ook anders verwoord hebben: genoeg gekaapte computer inhuren om zoveel verkeer te genereren dat de internet-pijplijnen naar Zuid-Korea verstopt raken.

Tegen de tijd dat u dit leest is de komkommertijd voorbij en bent u het vast vergeten, maar tijdens een van de hittegolven van afgelopen zomer stond er dus ineens een berichtje in de krant dat ABN-Amro bereid was te investeren in een kerncentrale in Nederland.
Nog een paar jaartjes wachten en dan kon er een leuk Fins modelletje aan de Eems of aan de Schelde staan. Petten blij, Greenpeace boos, enfin, de reacties kunt u zelf ook wel verzinnen, die hoef ik hier niet op te dissen. En de bank wist niet hoe snel ze het bericht moest ontkennen, want die kent haar consumerende pappenheimers. Einde komkommer.

Tot de meer stoutmoedige voortbrengselen van het menselijke vernuft behoort ongetwijfeld de Braziliaanse douchekop. Ik moet onmiddellijk toegeven niet zeker te weten of wij deze vondst daadwerkelijk aan een samba-ingenieur te danken hebben, maar de exemplaren die ik heb mogen meemaken en die een merk hadden, zeiden allemaal ‘made in Brasil’.
De Braziliaanse douchekop onderscheidt zich van de normale douchekop door zijn formaat van al gauw enkele vuisten groot, maar vooral doordat er twee draadjes uitkomen. Die draadjes leiden naar het peertje in het plafond of naar een andere bron van elektriciteit binnen dan wel buiten de badkamer. Als je mazzel hebt, zit er op de douchekop ook een functionerende aan/uitknop.

De huidige generatie studenten is veel leuker dan die van vijf jaar geleden, vertrouwde een bevriende hoogleraar me onlangs toe. Rond het jaar 2000 waren de informatici in spe die hij voorbij zag trekken, slechts in één ding geïnteresseerd: geld verdienen. Behoefte aan verdieping: nul. Hoe anders is dat nu. De twintigjaren van vandaag kijken met een open blik hun omgeving in, tonen belangstelling voor sociale en ethische kanten van hun vak. Daar valt voor een hoogleraar veel meer eer aan te behalen.
Zo heeft hij nu studenten die liever geen paper schreven om hun vak te halen, maar met een camera een bedrijf in willen trekken om daar aan werknemers hun mening over outsourcing te vragen. Anderen denken aan de ontwikkeling van een game. Dat is misschien een minder academische activiteit, maar daarom niet minder leerzaam. De studenten die met een camera op pad willen, kostten hem wel meer tijd dan degenen die braaf hun paper schrijven.

Dinges, de mijnbouwingenieur die de hoofdpersoon is van Fouad Laroui’s roman ‘Kijk uit voor parachutisten’, heeft weinig grip op zijn leven. Zijn carrière in de asfaltfabriek neemt een overwachte wending als hij toevallig in de smaak valt bij De Sigaar, die hem een groot kantoor en een groenogige secretaresse bezorgt. Voor mevrouw Sigaar wordt hij op geheime missie naar India gestuurd om tachtig rode en groene sari’s te kopen. Bij terugkomst blijkt De Sigaar een hartaanval gehad te hebben. Voortaan draagt Dinges verantwoordelijkheid voor het dossier Albanië. De fabriek verkoopt geen asfalt aan Albanië.