
Jaren geleden interviewde ik Johan Blaauwendraad, een gereformeerde hoogleraar civiele techniek, die op dat moment rector magnificus was van de TU Delft. Hij vertelde dat in zijn kringen techniek als een ‘veilige’ studiekeuze werd gezien, omdat studenten daarbij niet geconfronteerd werden met kwesties die hun geloof aan het wankelen konden brengen. Dit in tegenstelling tot studies als astronomie, biologie en theologie. Wie zich op de techniek concentreerde had geen last van ingewikkelde keuzes tussen goed en kwaad. Blaauwendraad was het daar volstrekt mee oneens. Techniek had juist wel een ethische dimensie.
Zo rond 21 mei, toen de Amerikaanse predikant Harold Camping het einde der tijden voorspelde, moest ik terugdenken aan dat idee van de ‘veilige studie’. Camping was opgegroeid in een christelijk gereformeerd gezin in Californië – ook daar heeft het calvinisme van Nederlandse snit wortel geschoten. Hij studeerde in 1942 af in de civiele techniek aan Berkeley, niet de minste universiteit. Kortom, ook een gereformeerde jongen die voor een veilige studie gekozen had.

De Rus Gisha Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.
Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.

Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.
Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.

Nederland kent een select gezelschap van wetenschapsjournalisten, die optreden als bemiddelaar tussen onderzoekers en het grote publiek. De meesten hebben een bèta-achtergrond en zijn dus tot op zekere hoogte in staat de merites van wetenschappelijke resultaten te beoordelen. Hoewel zij vaak genoeg fouten maken, kunnen lezers van kranten en tijdschriften er doorgaans op rekenen dat de grootste kolder hen niet bereikt.
Die kolder tiert welig op internet, waar iedere pseudo-wetenschap en samenzweringstheorie een eigen niche van geïnteresseerden bedient. Dit circuit is gescheiden van de populair-wetenschappelijke websites, maar op een aantal plekken ontmoeten beide elkaar. Een zo’n plek is NuJij.nl, een zustersite van de populaire nieuwssite Nu.nl. Op NuJij kan iedereen een link naar een bericht plaatsen dat hij interessant vindt. Anderen kunnen er vervolgens op stemmen en erover discussiëren.
NuJij heeft een categorie ‘wetenschap’. Daar tref je dus berichten aan waarvan internetters vinden dat ze over wetenschappelijk gaan. Dit levert een fascinerende mix op. Op een willekeurige dag in april bekeek ik eens wat het populairste wetenschapsnieuws van de afgelopen maand was.

Lang, heel lang geleden, om precies te zijn vlak na de grote plof die het heelal in gang zette, waren alle deeltjes zonder massa. Toen gebeurde er iets. Er manifesteerde zich een veld in de tot dan toe ondenkbare ruimte. De massaloze deeltjes, die met de lichtsnelheid rondschoten, werden gevangen in het veld. Ze verwierven massa en daarmee traagheid. In dat proces kwamen nieuwe deeltjes vrij. Wie het bestaan daarvan weet vast te stellen, kent de aard van de scheppende kracht die het heelal veranderde van een vormloze soep in iets met structuur – de natuurkundige equivalent van God.
Deze theorie is afkomstig van de Britse natuurkundige Peter Higgs, die hem bijna vijftig jaar geleden bedacht. Hij was niet de enige met een theorie. Anderen waren evengoed hard bezig het ontbrekende stukje te vinden van de puzzel die Newton en Einstein al voor een groot deel in elkaar gezet hadden. Maar het raamwerk van Higgs sloeg het meeste aan, dus draagt het deeltje tegenwoordig zijn naam: het Higgs-boson.

Plotseling was hij er, ‘De Ingenieur’, een naamloze man op het strand van Sirte. Het klonk als ‘De Pinguin’, ‘De Lange’ of een van die andere fijne bijnamen die geheimzinnige mannen hebben in avonturenverhalen. Dat De Ingenieur ook nog een Zweedse schone bij zich had, daar op het strand in Libië, maakte het filmbeeld voor mij compleet.
Toen de Nederlandse Lynx helikopter landde en de bemanning prompt gearresteerd werd, gedroeg De Ingenieur zich in mijn verbeelding zoals James Bond in zulke gevallen pleegt te doen. Hij vroeg permissie om een sigaret op te steken en volgde onverstoord de lachende mannen met de kalashnikovs, volstrekt zeker van zijn zaak dat hij hier wel weer uit zou komen.
Hetgeen geschiedde. Terwijl de Nederlandse regering met het zweet op het voorhoofd bezig was de helikopterbemanning aan de machthebbers in Sirte te ontfutselen, zaten De Ingenieur en de Zweedse lerares alweer in veiliger oorden. Later bleek dat De Ingenieur er helemaal niet om gevraagd had gered te worden en zelfs had tegengesparteld. Revolutie gaande? Internationale interventie op komst? Ach, ik sla me er wel doorheen, maak je om mij niet druk, ik ben tenslotte De Ingenieur.

Dik een jaar geleden was het alweer dat ir. Anton Grout van ingenieursbureau Drijver & Van der Graaf op ditzelfde bankje in het stadhuis van Duitendam zat, wachtend tot hij werd toegelaten tot het werkvertrek van wethouder Sentewaaier. Anton Grout zat er inmiddels een half uur. Er was ambtelijk vooroverleg gaande, zoals dat heette, en het was geen goed teken wanneer dat uitliep.
In de binnenzak van zijn colbertje brandde een krantenartikel: ‘Tunnel onder stadhuis gaat 100 miljoen meer kosten’. Er werd kort gemeld dat de grond onder het stadhuis slapper was dan gedacht. De maatregelen om verzakking te voorkomen zouden de kosten opdrijven. Daarna kwamen meerdere raadsleden aan het woord, die zeiden zich misleid te voelen door de wethouder. Een van hen constateerde dat het ingenieursbureau zijn zaakjes kennelijk niet op orde had.
De deur ging open. Een ambtenaar met wie Anton Grout het afgelopen jaar veelvuldig contact gehad had, keek hem aan. Diens gezicht stond zorgelijk. Binnen, aan de lange ovalen tafel, zaten twaalf mensen. De wethouder, precies in het midden van zijn entourage, noodde zijn gast tegenover hem plaats te nemen, zodat hij door twee flanken van ambtenaren werd ingesloten.

Al voor Einstein werd er druk gespeculeerd over de mogelijkheid van reizen door de tijd, maar nadien kreeg het zowaar een wetenschappelijk sausje. De relativiteitstheorie en de kwantummechanica houden die mogelijkheid namelijk open, hoewel volstrekt theoretisch. Of wordt tijdreizen toch meer dan een gedachtenspel in de studeerkamer?
Volgens Tom Weiler and Chui Man Ho van Vanderbilt University is er nu een apparaat dat de theorie zou kunnen testen, namelijk de Large Hadron Collider (LHC) in Genève. Het tweetal geeft toe dat het een vergezochte mogelijkheid is, maar ondenkbaar is het niet. Er zijn experimenten mogelijk met de LHC die hun theorie zouden kunnen testen. Dat kan overigens niet meteen. Eerst moeten andere experimenten met het apparaat tot resultaat leiden.
De LHC is gebouwd om op zoek te gaan naar het laatste elementaire deeltje dat nog nooit gemeten is, het zogeheten Higgs boson. Volgens sommige theorieën zou bij de creatie van het Higgs boson nog een deeltje verschijnen, het Higgs singlet. Dat singlet zou in een vijfde dimensie terug kunnen springen in de tijd. Vooralsnog is de gedachte even exotisch als de creatie van miniatuur zwarte gaten in de LHC, maar voor het uitproberen van intrigerende theorieën is dat apparaat nu eenmaal gebouwd.
Weiler en Ho blijven dus voorzichtig. Zelfs als het allemaal lukt zoals zij speculeren, gaat het om elementaire deeltjes die een fractie van een seconde teruggaan in de tijd. Als je het precies controleert, zou het misschien zelfs mogelijk zijn informatie in dat deeltje te stoppen en zo mee te sturen. De wildste dromen van de science fiction blijven buiten bereik. (sync) (gc)

Aan fraaie boeken over wetenschappelijke fraude is geen gebrek. Dergelijke boeken, zoals Plastic fantastic van Eugenie Samuel Reich over de ontmaskering van ‘nano-wonderkind’ Jan Hendrik Schön, zijn vooral een terugblik, vaak met een zeker effectbejag op het oog. Het is aan de lezer zelf om lessen voor de toekomst te trekken uit de historie.
Op het eerste gezicht geldt dat ook voor ‘On fact and fraud’ van David Goodstein, een boek dat een groot aantal cases langsloopt. Het grote verschil is echter dat Goodstein jarenlang verantwoordelijk was voor onderzoek naar mogelijke gevallen van wetenschappelijke fraude aan Caltech, een van ’s werelds vooraanstaande technische universiteiten. Hij vertelt voor een belangrijk deel uit eigen ervaring en wil niet alleen vertellen, maar ook onderwijzen: hoe detecteer je fraude en hoe pak je het zo fatsoenlijk mogelijk aan?

‘Het is zijn schuld’, zei werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes, de beschuldigende vinger in mijn richting wijzend. Ik kon niet goed verstaan wat hij verder zei, maar waarschijnlijk had zijn medewerker hem gevraagd waarom hij in ’s hemelsnaam zojuist toegegeven had dat hij wel bereid was genoegen te nemen met minder algemene lastenverlichting voor het bedrijfsleven, als het kabinet in ruil daarvoor meer geld uittrok voor innovatie. Dat was geen populaire boodschap voor zijn achterban, wist Wientjes, maar ja, ik had het hem nu eenmaal en public gevraagd en hij was er niet de man naar om te duiken als er een lastige vraag kwam. Als je van andere klare wijn verwacht, moet je ook zelf bereid zijn die te schenken.
Even daarvoor had Wientjes namelijk een oproep aan het kabinet gedaan om te durven kiezen. In tijden van bezuinigingen kunnen niet meer duizend bloemen bloeien, dus moest de regering kiezen voor een aantal kansrijke economische sectoren en daar vol op inzetten. Niet middels ouderwetse industriepolitiek (ook bedrijven zijn lastig vooruit te branden als ze eenmaal de subsidieruif geroken hebben) maar door te investeren in branchebrede innovatie.