
Het lijken mooie tijden voor technocraten momenteel. Waar het financiële stelsel kraakt, moeten zij de boel als oliemannetjes weer aan de gang helpen. Parlementen weten het niet meer en wenden zich tot kundige lieden, die normaalgesproken afstand bewaren tot de politieke smeer.
In het oude Rome deed men dat ook. Wanneer de situatie hopeloos leek, maakte de senaat de weg vrij voor een dictator, die tijdelijk een algehele volmacht kreeg om orde op zaken te stellen. Types als Lucius Quinctius Cincinnatus verjoegen dan de vijandige legers en keerden na gedane zaken terug naar hun boerderij. De senaat mocht dan weer op de winkel passen. De term ‘dictator’ is een beetje besmet geraakt sinds Julius Caesar zijn tijdelijke macht weigerde in te leveren, maar de gedachte is dezelfde gebleven: in opperste nood leg je je lot in handen van iemand die je vertrouwt om zijn competenties, en volg je ongezien zijn commando’s.
De technocraten die in Italië en Griekenland de euro moeten redden, zijn helemaal geen ingenieurs, maar bankiers, zij het van een ander type dat de crisis veroorzaakt heeft. Maar ‘bankier’ of ‘econoom’ klinkt niet vertrouwenwekkend genoeg om je portemonnee door te laten redden. ‘Technocraat’ heeft die lading kennelijk wel. Dat is curieus. Ik zie twee verklaringsgronden.

John Stewart is al meer dan dertig jaar actievoerder, met name tegen verkeersoverlast. Hij zag kans een extra landingsbaan voor Heathrow te blokkeren en werd in 2008 door de Independent on Sunday uitgeroepen tot de meest effectieve milieuactivist van het Verenigd Koninkrijk. Wanneer je aan zijn boek ‘Why noise matters’ begint, weet je dus dat zijn doel is een alarmbel te luiden, niet een evenwichtig betoog te houden.
Wat het boek niettemin waardevol maakt, is dat het een breed overzicht schetst over een veld dat nauwelijks als een eenheid gezien wordt. Bovendien maakt hij vanuit zijn oogpunt gehakt van twee ontwikkelingen die andere delen van de milieubeweging nou juist sterk propageren, namelijk zeetransport en windenergie.

De Rus Gisha Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.
Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.

Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.
Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.

Lang, heel lang geleden, om precies te zijn vlak na de grote plof die het heelal in gang zette, waren alle deeltjes zonder massa. Toen gebeurde er iets. Er manifesteerde zich een veld in de tot dan toe ondenkbare ruimte. De massaloze deeltjes, die met de lichtsnelheid rondschoten, werden gevangen in het veld. Ze verwierven massa en daarmee traagheid. In dat proces kwamen nieuwe deeltjes vrij. Wie het bestaan daarvan weet vast te stellen, kent de aard van de scheppende kracht die het heelal veranderde van een vormloze soep in iets met structuur – de natuurkundige equivalent van God.
Deze theorie is afkomstig van de Britse natuurkundige Peter Higgs, die hem bijna vijftig jaar geleden bedacht. Hij was niet de enige met een theorie. Anderen waren evengoed hard bezig het ontbrekende stukje te vinden van de puzzel die Newton en Einstein al voor een groot deel in elkaar gezet hadden. Maar het raamwerk van Higgs sloeg het meeste aan, dus draagt het deeltje tegenwoordig zijn naam: het Higgs-boson.

Aan fraaie boeken over wetenschappelijke fraude is geen gebrek. Dergelijke boeken, zoals Plastic fantastic van Eugenie Samuel Reich over de ontmaskering van ‘nano-wonderkind’ Jan Hendrik Schön, zijn vooral een terugblik, vaak met een zeker effectbejag op het oog. Het is aan de lezer zelf om lessen voor de toekomst te trekken uit de historie.
Op het eerste gezicht geldt dat ook voor ‘On fact and fraud’ van David Goodstein, een boek dat een groot aantal cases langsloopt. Het grote verschil is echter dat Goodstein jarenlang verantwoordelijk was voor onderzoek naar mogelijke gevallen van wetenschappelijke fraude aan Caltech, een van ’s werelds vooraanstaande technische universiteiten. Hij vertelt voor een belangrijk deel uit eigen ervaring en wil niet alleen vertellen, maar ook onderwijzen: hoe detecteer je fraude en hoe pak je het zo fatsoenlijk mogelijk aan?

In de zesde eeuw voor Christus leefden vier wijsgeren die elk op hun eigen manier harmonie predikten tussen mens, maatschappij en universum: Buddha, Confucius, Lao-Tse en Pythagoras. Die laatste is vooral bekend vanwege zijn stelling, maar wie was hij eigenlijk en welke invloed heeft hij (gehad)? Op die vragen probeert ‘Pythagoras’ van wetenschapsjournaliste Kitty Ferguson antwoord te geven. Ze voegt zich daarmee in een traditie van 25 eeuwen, want de man was al bij leven een legende.
Vast staat dat Pythagoras in de eerste plaats een religieus en politiek leider was. Zijn leer draaide, net als bij Buddha, om reïncarnatie, maar was zo geheim dat hij en zijn volgelingen haar mee het graf in namen. Politiek is alleen zeker dat hij zoveel vijanden maakte dat hij de stad Croton in Italië, waar hij zijn school gesticht had, moest ontvluchten om het vege lijf te redden. In Croton deed hij zijn beroemde ontdekking dat er een direct verband bestaat tussen de lengte van de snaren van een lier en de toonhoogte die ze produceren.

Het klimaat is een niet goed begrepen systeem met talloze parameters. Wiskundigen weten het dan al wel: het kan net zo goed extreem stabiel zijn als bij een kleine fluctuatie ineens ontzettend uit de hand lopen. Misschien leidt de CO2-uitstoot vanwege fossiele brandstoffen tot een broeikaseffect, misschien ook niet. Sterker nog, misschien is die uitstoot wel noodzakelijk om de komst van een nieuwe ijstijd uit te stellen.
Bij gebrek aan mathematische zekerheid moeten we het doen met de consensus van wetenschappers die er verstand van hebben. Die consensus is dat de aarde opwarmt door menselijk toedoen. Of wacht, consensus? Een kleine groep tegendraadse wetenschappers verzet zich tegen die conclusie en tamboereert luidruchtig op fouten in de IPCC-rapporten die de tendens van het internationale onderzoek samenvatten.

De uitgever heeft het natuurlijk goed begrepen: het aantrekkelijke aan ‘Why we hate the oil companies’ is de naam van de auteur, John Hofmeister, voormalig topman van de Amerikaanse tak van Shell. En om meteen maar een mogelijk misverstand te ontzenuwen: Hofmeister heeft geen hekel aan zijn oude baas. Hij begrijpt waarom mensen een hekel hebben aan oliemaatschappijen, maar betoogt dat een eenzijdig boze focus op niet altijd even handig opererende bedrijven de aandacht afleidt van het werkelijke probleem. Hoe gaan we als maatschappij de energievoorziening voor de toekomst zekerstellen?

Het begon allemaal met Winston Churchill, die in 1919 de Britse minister van koloniën was. Hij stelde aan zijn Nederlandse en Franse collega’s voor een rubberkartel te vormen, om productie en prijzen te reguleren. Hun koloniën waren goed voor het leeuwendeel van de wereldwijde rubberplantages. De Amerikanen waren furieus, met name de automobielfabrikanten onder hen, en nog meer in het bijzonder de grootste automobielfabrikant en rijkste man ter wereld, Henry Ford.
Ford legde contact met Brazilië en regelde een stuk land in de Amazone van zo’n 10.000 vierkante kilometer, ongeveer een kwart van Nederland. Daar zou hij een rubberplantage beginnen. En niet zomaar een plantage, maar een modelplantage. Ford had immers naam gemaakt met ordentelijke massaproductie. Zijn rubberplantage zou een fabriek worden, efficiënt en tegelijk humaan. Hij beloofde de Braziliaanse consul dat zijn rubbertappers wel tien keer zoveel zouden verdienen als nu en dat hij even goed voor ze zou zorgen als voor zijn Amerikaanse arbeiders.