
GroenLinks haalde 7,3 procent van de stemmen in Rotterdam, goed voor drie zetels. Dat is bijna zoveel als in 1998, toen 7,7 procent goed was voor vier zetels. Wie even naar de historie kijkt, ziet dat de partij ongeveer op de maximale lijn zit die ze sinds de jaren zeventig kent:
De potentie van GroenLinks en haar voorgangers varieert van twee tot vier zetels. Als je er dik drie haalt, heb je het behoorlijk goed gedaan. In de tabel valt overigens ook goed de versnippering van de Rotterdamse politiek waar te nemen, maar dat is een ander verhaal.

De kiezer heeft gesproken. Beide sociaal-democratische partijen, Leefbaar Rotterdam en PvdA, zijn gelijk geëindigd. Samen hebben ze met 28 zetels een dikke meerderheid. Beleidsmatig liggen ze bovendien zo dicht bij elkaar dat coalitievorming een eitje zou moeten zijn.
Ware het niet dat er een onwaarschijnlijke hoeveelheid onderlinge kinnesinne is. Bij TV Rijnmond zaten gisteren twee coolheads uit beide kampen naast elkaar, Wim van Sluis en Metin Çelik, die betoogden dat ze altijd al voor onderlinge samenwerking gepleit hadden. De informateurs zitten klaar, dacht ik. Toch vrees ik dat wat het beste zou zijn voor de stad niet gaat gebeuren.
Dus zal de aandacht zich richten op de snippers in de marge: VVD en D66 met 4, CDA en GroenLinks met 3, SP met 2 en CU met 1 zetel. Voor een beetje stabiele meerderheid zijn vier van de kleintjes nodig. Die zullen allemaal aandacht en een wethouder willen hebben. Het zal mij benieuwen.

Nog even en de stembussen in Overschie gaan open. Tijd voor een positieve vibe. Check deze peiling onder jongeren door Your World. GroenLinks wordt met vijf zetels de derde partij van Rotterdam, na PvdA (14) en D66 (7). Alleen nog even het juiste hokje rood maken.

Afgelopen weekend heb ik in het Oude Westen duizend foldertjes huis aan huis in brievenbussen gestopt. Daarbij heb ik keurig de nee/nee-brievenbussen overgeslagen. Ik heb daar ook niet aangebeld, want in de tijd die je dan kwijt bent, kun je ongeveer vijftig folders bezorgen.
Er is er echter wel eens eentje tussendoor geglipt, gewoon omdat ik even afgeleid was en op de automatische piloot langs de deuren ging. Daarin ben ik niet de enige, want GroenLinks schijnt een serieel dader te zijn op dit vlak, net als andere linkse partijen. Ik vermoed dat dit komt omdat linkse partijen veel vrijwilligers hebben die langs de deuren gaan.
Hoe dan ook, Femke tweet “elke GL’er die een folder in een nee/nee-brievenbus stopt is ‘een beetje dom’ (zacht gezegd)”. Dat vind ik nou ook weer een beetje overdreven (zacht gezegd). Hetgeen mij er niet van weerhoudt om nu op de fiets te stappen om haar te gaan toejuichen in Your Space.

Het EMV-protocol, dat moet zorgen voor authenticatie met pin voor creditcards met chip, deugt niet. Dat beweren onderzoekers uit Cambridge in een eerder deze maand geopenbaard paper voor een IEEE-conferentie. Er zijn wereldwijd 730 miljoen van deze kaarten in omloop.

In zijn Monty Python tijd knutselde Terry Gilliam met schaar en lijm bizarre filmpjes in elkaar. In het tijdperk van computer graphics kan dat allemaal veel gelikter – en die mogelijkheid grijpt hij met beide handen aan in The imaginarium of doctor Parnassus.
Het verhaal over een reizend gezelschap waarvan de leider het eeuwige leven heeft gekregen van de duivel in ruil voor zijn dochter, stelt allemaal niet zoveel voor. De film blijft bij door de scènes achter de wonderspiegel, waar iedereen in zijn eigen wildste fantasie terecht komt. Het is de wereld van Gilliams bizarre verbeeldingskracht.
In de scène met de meeste Monty Python trekken is de hoofdrol weggelegd voor vier Russische maffiosi, die door een heuvellandschap drentelen dat rechtstreeks uit de jaren zestig lijkt te komen. Een groot hoofd met Britse politiehelm boort zich een weg omhoog door de woestijn, de tong rolt uit en er komt een peloton agenten uit dat een dansje doet. De maffiosi vluchten onder de rokken van een enorme baboesjka die met een vileine grinnik ontploft. Enzovoort. Heerlijk vermaak.

Met ‘De onzichtbare jongen’ las ik voor het eerst in tijden weer eens een roman van Bernlef. Het gaat over de vriendschap aan het eind van de jaren veertig tussen twee schooljongens, Wouter van Bakel en Max Veldman. Max is de ‘odd one out’ van de twee, met zijn fotografische geheugen en obsessie met windsnelheden.
Het boek is met name geslaagd als sfeertekening van Amsterdam vlak na de oorlog, een periode die literair in het niemandsland ligt tussen de oorlog zelf en de jaren vijftig. Het tweede deel van het boek, waarin Wouter en Max elkaar onder bijzondere omstandigheden jaren later weer treffen, is minder geslaagd. Het slot is zelfs larmoyant te noemen.
Maar wat me vooral teleurstelde waren de stilistische slordigheden. Bernlef heeft naam gemaakt met karig gebeiteld proza in ‘Sneeuw’ en ‘Onder ijsbergen’, maar hier babbelt hij er lustig op los, in zinnen met teveel stoplappen en gemeenplaatsen. Een voorbeeld:
“En toen kwam het moment waarop ik voor het eerst onder de elf seconden liep. Dat gebeurde op een septemberdag in Amersfoort.” Daar had moeten staan: “Op een septemberdag in Amersfoort liep ik voor het eerst onder de elf seconden.” De strakke Bernlef van dertig jaar geleden had dat nooit laten gebeuren.

Onder GroenLinks en D66 stijgen de lokale lasten het meest, kopte de Volkskrant vanochtend. Het onderzoekje zal ongetwijfeld kloppen. Maar een nuance haalde het internet niet, maar wel de binnenkant van de papieren krant.
GroenLinks eindigt zo hoog vanwege riool- en reinigingsheffingen. Milieubelastingen dus. Bij de ozb eindigt GroenLinks naast de VVD onderin. Bovendien kijkt dit soort onderzoeken niet naar lasten die anders indirect bij de burger neergelegd worden, in de vorm van bijvoorbeeld een hogere prijs voor het bibliotheek-abonnement of een afgeknepen bijzondere bijstand. Kortom, niets om je voor te schamen, eerder om trots op te zijn.

Voor de verandering publiceer ik eens een bijdrage van iemand anders, namelijk van Nourdin el Ouali, de nummer twee op de kandidatenlijst van GroenLinks in Rotterdam. Nourdin is schoolloopbaanbegeleider op drie middelbare scholen in Rotterdam.
Jij moet je aanpassen!
De goede allochtoon is de geassimileerde allochtoon. Iemand die zijn cultuur, zijn taal en religie heeft afgeworpen of hiertoe bereid is. Dit is wat een aantal politieke partijen bepleiten. Als je in deze tijden aangeeft dat je voor een multiculturele samenleving bent, dan is de kans groot dat je hierop wordt aangevallen. Het is alsof je vloekt in de kerk. Natuurlijk is het van belang om de taal te spreken en op de hoogte te zijn van het reilen en zeilen in het nieuwe vaderland.
Maar ik heb nooit iemand ontmoet die het tegendeel beweert. Geen enkel persoon emigreert, om welke reden dan ook, naar een land en heeft als principe “wat er ook gebeurt ik weiger de taal te leren”. Sommige politici doen dit wel zo overkomen. En als het gaat om Nederlandse staatsburgers met diverse achtergronden, die hier vaak geboren en getogen zijn, dan mag men wat mij betreft het woord integratie niet eens in de mond nemen. Deze groep mensen spreekt de taal, doet mee aan het maatschappelijke leven, de meesten studeren, werken en zijn op diverse niveaus in onze samenleving actief.
In het eerste ontwerp van Watt zat een fraaie groene wand over de hele gevel aan de kant van het Wijkpark Oude Westen. Door geldgebrek wordt het nu waarschijnlijk een kleinere, soberder variant. Als het überhaupt al lukt.
Dus ja, dan lees ik wel met enige jaloezie het bericht dat het Rotterdam Climate Initiative de portemonnee trekt voor een joekel van een groene wand aan de parkeergarage Westblaak, als zal de Deense eigenaar ook een duit in zakje doen. Meer pilots volgen, staat er in het persbericht. Ik steek nog maar eens nadrukkelijk mijn vinger op.