
Een boek van Richard Powers is altijd pittig leeswerk, vanwege de vele informatie die hij in zijn romans propt. Dat geldt in optima forma voor The gold bug variations, waarin twee gemankeerde liefdesgeschiedenissen door elkaar heen lopen.
De ene lijn gaat over de briljante wetenschapper Stuart Ressler, een pionier op het gebied van dna in de jaren vijftig, die verliefd wordt op een collega. De tweede lijn speelt dertig jaar later, als Ressler een suf baantje als systeembeheerder heeft. Zijn assistent en diens geliefde proberen erachter te komen waarom hij indertijd de wetenschap verlaten heeft. Helaas komt geen van de karakters werkelijk tot leven in het meer dan 600 pagina’s dikke boek.
Dat komt omdat Powers eigenlijk iets heel anders wil vertellen, namelijk hoe ongelooflijk complex en daarom mooi dna wel niet in elkaar zit, en hoe dat zich verhoudt tot de menselijke voortplanting, diens gevoel voor kunst en nog een heleboel andere dingen. Allemaal heel knap in elkaar gezet en bij vlagen echt heel mooi verwoord, maar ook nogal stroef.
Ik blijf Powers bewonderen, maar in dit vroege werk ontbreekt nog de vonk die een roman echt briljant maakt, zoals The time of our singing.

Ruim tien jaar geleden, toen ik nog niet zo lang in de stad woonde, werd Machteld Cairo voorzitter van GroenLinks Rotterdam. De sfeer van de ledenvergaderingen werd op slag totaal anders. Chaotischer, maar ook gezelliger en overvloedig voorzien van door Machteld gebakken koekjes.
Machteld was niet zo lang voorzitter, maar maakte gewoon door zichzelf te zijn een einde aan de wat krampachtige sfeer van de alv’s. Anderen na haar konden daarop bouwen aan een afdeling die zowel levendig als effectief was. Machteld zelf concentreerde zich op de politiek in de deelgemeente noord, waar ze als een koningin over moederde. Tien jaar was ze raadslid, waarvan ongeveer de helft fractievoorzitter.
Haar ziekte hield ze stil, zodat haar overlijden vorige week voor velen als een schok kwam. Vandaag kan iedereen afscheid van haar nemen. Morgen is de begrafenis.

Afgelopen vrijdag zag ik Source Code, een science fiction film met Jake Gylenhaal in de hoofdrol als marinier die de laatste herinnering van een terreurslachtoffer geïmplanteerd krijgt om die te kunnen doorzoeken op aanwijzingen naar de dader. Een aardige vondst voor een film, die matig wordt uitgewerkt en vooral dankzij de hoofdrolspeler overeind blijft.
Die dag had ik het nieuws niet echt gevolgd. Dus pas zaterdagochtend drong tot mij door dat het terreurscenario uit de film – een kleinere aanslag als voorwaarschuwing voor een grote, door een eenling met een verwrongen geest die de mensheid door destructie vooruit denkt te kunnen helpen – zich ondertussen in Noorwegen in het echt afgespeeld had.
Je kunt niet zeggen dat de werkelijkheid de science fiction heeft ingehaald, maar de film kreeg er voor mij achteraf wel een andere lading van.

Jaren geleden interviewde ik Johan Blaauwendraad, een gereformeerde hoogleraar civiele techniek, die op dat moment rector magnificus was van de TU Delft. Hij vertelde dat in zijn kringen techniek als een ‘veilige’ studiekeuze werd gezien, omdat studenten daarbij niet geconfronteerd werden met kwesties die hun geloof aan het wankelen konden brengen. Dit in tegenstelling tot studies als astronomie, biologie en theologie. Wie zich op de techniek concentreerde had geen last van ingewikkelde keuzes tussen goed en kwaad. Blaauwendraad was het daar volstrekt mee oneens. Techniek had juist wel een ethische dimensie.
Zo rond 21 mei, toen de Amerikaanse predikant Harold Camping het einde der tijden voorspelde, moest ik terugdenken aan dat idee van de ‘veilige studie’. Camping was opgegroeid in een christelijk gereformeerd gezin in Californië – ook daar heeft het calvinisme van Nederlandse snit wortel geschoten. Hij studeerde in 1942 af in de civiele techniek aan Berkeley, niet de minste universiteit. Kortom, ook een gereformeerde jongen die voor een veilige studie gekozen had.

De Rus Gisha Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.
Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.

Hier gaat om gevochten worden: een scheurkalender op groot formaat met elke dag een ander werk van een Rotterdamse kunstenaar. De grote Rotterdamse kunstkalender verschijnt in het najaar en is bedoeld voor 2012, dus je krijgt 366 kunstwerken om in te lijsten.
Maar dan moet-ie er wel eerst komen. Daar gaan we nu eens niet met subsidie voor zorgen, maar met crowd funding. Pluk je dag, heet het. Iedereen krijgt de gelegenheid voor 250 euro een dag te sponsoren. Je (bedrijfs)naam verschijnt dan op het kalendervel van die dag en wordt door duizenden gezien.
Kortom, ga snel naar de site van de kunstkalender en reserveer je verjaardag of andere gedenkwaardige datum, voordat iemand anders ermee aan de haal gaat!

Gisteren schreef ik over de tegenstelling tussen het projectsubsidiestelsel en cultureel ondernemerschap: het maken van winst wordt afgestraft. Vandaag: hoe je als overheid cultureel ondernemerschap, ook op kleine schaal, wél kunt stimuleren.
Eigenlijk zouden de subsidies natuurlijk helemaal afgeschaft moeten worden. Wat niet failliet mag (met name cultureel erfgoed) is geen bedrijf en hoort op de gemeentelijke begroting. Wat wel failliet mag is een onderneming en wordt niet gesubsidieerd. In plaats daarvan gaat de gemeente een inkooprelatie aan met culturele organisaties. De overheid bepaalt wat ze wil hebben en betaalt daar die organisaties voor. Het culturele subsidiestelsel vertoont teveel overeenkomsten met de aloude industriepolitiek.
Maar goed, vooralsnog is dat een brug te ver. Gelukkig is binnen het subsidiestelsel ook al het nodige mogelijk. Ten eerste zouden instellingen ook uit projectsubsidies vermogen moeten kunnen opbouwen. Dat is binnen de regels mogelijk. Wanneer je namelijk een aantal keer voor een vergelijkbaar project subsidie hebt gekregen, is die per definitie structureel. Instellingen weten dat niet, maar het is wel zo. Zeker wanneer Rotterdam verwacht dat voorheen structureel gesubsidieerde instellingen op projectbasis verder gaan, kan ze ondernemerschap en continuïteit van organisaties stimuleren door flexibeler om te gaan met vermogensvorming uit projectsubsidies. Weerstandsvermogen is immers een voorwaarde om het risico aan te kunnen gaan dat bij ondernemerschap hoort.
Een tweede manier voor Rotterdam om cultureel ondernemerschap te stimuleren is het verschuiven van subsidies naar garanties. Terecht wordt geconstateerd dat organisaties meer publieksinkomsten kunnen verwerven. Het probleem daarbij is dat de kosten gemaakt moeten worden, terwijl de onzekerheid over inkomsten toeneemt. Dat zorgt voor koudwatervrees. De gemeente zou inspanningen op dit vlak kunnen belonen door niet de activiteit te subsidiëren, maar een garantie achter de publieksomzet te leggen.
Kortom, er valt niet alleen bij de instellingen, maar ook bij de gemeente nog wel wat inzicht te winnen op cultureel ondernemerschap.

Gisteren besprak de raadscommissie de startnotitie van het college voor de cultuurplanperiode 2013-2016. De schaduw van veertig miljoen aan bezuinigingen hangt daar uiteraard zwaar boven. Het college volgt een logische lijn: instellingen moeten meer ondernemerschap tonen, efficiënter met hun vastgoed omgaan, meer samenwerken in de back-office. Kortom, allemaal dingen waarvan ik zeg: dikke duim omhoog.
Er zit echter ook een voorstel in waar ook de commissie gelukkig vraagtekens bij zette, namelijk bovenop de bezuiniging nog een extra verschuiving van vierjarige subsidies naar projectsubsidies. Het idee is dat er dan een grotere pot is waar buiten de boot vallende instellingen uit kunnen vissen. Sympathiek bedacht, maar het slaat de plank behoorlijk mis.
Los van de administratieve druk die dat bij dienst en instellingen gaat opleveren, staat dit voorstel namelijk op gespannen voet met het gevraagde ondernemerschap. Dat heeft te maken met de aard van projectsubsidies. Simpel gezegd: als je op een project verlies draait, moet je het zelf oplossen, maar als je winst maakt, moet je die inleveren. Sterker nog, als je winst maakt moet je uitkijken dat gemeente en fondsen er geen verlies van maken.
Dat werkt zo. Stel je maakt op een festival 2000 euro winst. Je maakt een keurige afrekening. Dan zegt de gemeente: u heeft 2000 euro winst gemaakt, dat houden wij in op de subsidie, want die is niet bedoeld om winst van te maken. Het SNS Reaalfonds reageert net zo. Dan moet je van je 2000 euro winst dus 4000 euro inleveren. In de praktijk maken instellingen het geld daarom schoon op, al dan niet met boehoudkundige trucs.
Het gevolg is dat ze het jaar erop niet een potje hebben dat ze kunnen gebruiken om meer risico te nemen, bijvoorbeeld een extra act op het festival boeken zonder zekerheid dat de horeca-inkomsten meestijgen. Omdat dit verschijnsel bekend is, mogen structureel gesubsidieerde instellingen wel geld oppotten. Die kunnen dan ook meer ondernemerschap tonen, want ze hebben kapitaal om de risico’s af te dekken. Extra verschuiving van gelden naar projectsubsidies zet dus een rem op het ondernemerschap, omdat verlies afgestraft wordt, maar winst niet beloond.
Gelukkig valt daar wat aan te doen. Maar dat komt morgen wel.

Laten we eerlijk zijn: Hyves heeft zich ontwikkeld tot een hangout voor kinderen en tieners. Op mijn blogs daar krijg ik nauwelijks reacties meer en ook het vriendenbestand is statisch. Daarom heb ik besloten te gaan snoeien in ‘vrienden’ met wie ik ook via LinkedIn of Facebook gelinkt ben. Dus wees gerust: het is niet dat ik jullie niet meer aardig vind. Ik wil het gewoon wat overzichtelijker houden.

Het Engelse platteland tijdens de oorlog. Een man wordt vermoord en een praatgrage papegaai ontstolen aan een Duitse oorlogswees. Dat is een klusje voor de gepensioneerde inspecteur, die zich liefst met zijn bijen zou bezighouden.
The Final Solution van Michael Chabon, over wie ik eerder schreef (1, 2) is een novelle die is opgezet als een detective in de traditie van Sherlock Holmes. Chabon is een uitstekende verteller en een betere stilist dan Conan Doyle, maar aan diens vernuft kan hij niet tippen. Erg ingenieus steekt het plot niet in elkaar.
Toch boeit het tot het eind, niet zozeer omdat je wilt weten wie het gedaan heeft, maar vanwege het eigenlijke raadsel: wat zijn die cijferreeksen die de papegaai voortdurend zingt? Een leuk boekje om tussendoor te lezen.