
Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.
Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.

Nederland kent een select gezelschap van wetenschapsjournalisten, die optreden als bemiddelaar tussen onderzoekers en het grote publiek. De meesten hebben een bèta-achtergrond en zijn dus tot op zekere hoogte in staat de merites van wetenschappelijke resultaten te beoordelen. Hoewel zij vaak genoeg fouten maken, kunnen lezers van kranten en tijdschriften er doorgaans op rekenen dat de grootste kolder hen niet bereikt.
Die kolder tiert welig op internet, waar iedere pseudo-wetenschap en samenzweringstheorie een eigen niche van geïnteresseerden bedient. Dit circuit is gescheiden van de populair-wetenschappelijke websites, maar op een aantal plekken ontmoeten beide elkaar. Een zo’n plek is NuJij.nl, een zustersite van de populaire nieuwssite Nu.nl. Op NuJij kan iedereen een link naar een bericht plaatsen dat hij interessant vindt. Anderen kunnen er vervolgens op stemmen en erover discussiëren.
NuJij heeft een categorie ‘wetenschap’. Daar tref je dus berichten aan waarvan internetters vinden dat ze over wetenschappelijk gaan. Dit levert een fascinerende mix op. Op een willekeurige dag in april bekeek ik eens wat het populairste wetenschapsnieuws van de afgelopen maand was.

Wie het boek nauwgezet volgt, zit met de verfilming van Kazuo Ishiguro’s roman Never let me go bijna vanzelf goed. Het verhaal over koststchoolkinderen die een toekomst als ‘zorger’ en ‘donor’ tegemoet gaan, is namelijk ijzersterk en verontrustend.
De film is helaas niet zo sterk als het boek. Dat komt doordat teveel nadruk komt te liggen op de driehoeksrelatie tussen de hoofdpersonen Ruth, Kathy en Tommy, maar vooral door de bombastische muziek, die overal een larmoyante saus overheen giet. Een kalere aanpak, waarbij de emoties niet in het gezicht van de kijker gedrukt worden, zou beter bij het verhaal hebben aangesloten.
Dat neemt niet weg dat de film een aantal indrukwekkende scènes kent, met name telkens wanneer weer een illusie onderuit gehaald wordt, die de kinderen hun hele leven gekoesterd hebben. Op die momenten valt het persoonlijke drama en ethische ongemak samen.

Het was een zonnige dag in Londen, perfect om met een boekje in een park te gaan zitten. Maar ik had niks bij me, dus ik liep de dichtstbijzijnde Waterstone’s binnen, op zoek naar een dunne novelle. Ik begon bij de A en kwam bij C een vaag bekende naam tegen, Raymond Carver.
Carver is de veel geprezen auteur van een klein oeuvre aan korte verhalen, wist ik. Ik koos ‘What we talk about when we talk about love’, en toog naar het park. Carvers verhalen bleken elk nog geen tien pagina’s lang te zijn, maar dat zou je niet zeggen. Hij verstaat de kunst om binnen een pagina een levend personage te schetsen. Die personages zijn ‘gewone mensen’, in alledaagse situaties. Alledaagse pijnlijke situaties. Er wordt gerookt, er wordt gedronken, er wordt ruzie gemaakt.
Meestal hebben korte verhalen iets onbevredigends, maar Carver bezit (behalve in het allerkortste verhaal uit de bundel, over een man en een vrouw die om een baby vechten) de gave om in acht pagina’s een afgerond geheel te presenteren. De bundel liet zich heerlijk lezen onder de Londense zon. Toen hij uit was ging ik weer naar de boekhandel om de andere bundels te kopen.

Oke, deze verraste mij dus volledig: de PvdA Rotterdam zegt het vertrouwen op in haar eigen wethouder Dominic Schrijer. Dominic werd al zo lang gedoogd in het college dat ik erop vertrouwde dat hij de eindstreep zou halen.
Niet dus. Hij struikelt over uitspraken in de krant dat hij niet zoveel op sociale zaken wil bezuinigen als zijn collega’s willen. Da’s niet verantwoord naar de allerzwaksten in de samenleving, zegt Schrijer. Daar kan hij best gelijk in hebben, maar het is erg oncollegiaal dat in de krant te zetten nog voordat je het in het college hebt besproken. Het vertrek van Schrijer is vooral om die reden onvermijdelijk.
De linkse oppositie ruikt uiteraard bloed (GroenLinks, SP). Want daar wipt de PvdA ogenschijnlijk haar eigen wethouder, omdat die er een te sociaal beleid op na wil houden. Hoe ga je daar een draai aan geven als je Richard Moti heet en fractievoorzitter van de PvdA bent? Nou, zo:
“De economische crisis heeft diepe sporen achtergelaten in Rotterdam. Het is onder deze omstandigheden dat ook de begroting van de gemeente Rotterdam onder druk staat. Juist nu ziet de PvdA het als haar primaire verantwoordelijkheid om aan het roer te staan bij het maken van deze keuzes. Een verantwoordelijkheid die voortvloeit uit het ruime mandaat dat de kiezer in 2010 aan de PvdA in Rotterdam gegeven heeft. Nu hiervoor weglopen zal de meest kwetsbare groepen in de samenleving het hardst raken.”
Het kan aan mij liggen, maar dit lijkt toch echt te impliceren dat de bezuinigingen op sociaal beleid nodig zijn voor de kwetsbaarsten in de samenleving. “Dames en heren kwetsbaren, door Dominic te wippen hebben wij u voor een ramp behoed.” Woordkunst van de bovenste plank, waarvoor hulde.

De Ab Harrewijn Prijs 2011 is gewonnen door Ine Spuls van de Villa (St. Eigen Bedreivigheid) in Doetinchem. De Villa gebruikt geen zorgconcept, maar een werkfilosofie voor de opvang van dak- en thuislozen. De uitreiking vond plaats op 13 mei in De Boskant te Den Haag.

Nog een science fiction novelle van dik een eeuw geleden: The Scarlet Plague van Jack London. Geen utopia, maar een apocalyptisch verhaal: in 2013 slaat de scharlaken dood toe, een uiterst besmettelijke en dodelijke ziekte, die in mum van tijd bijna de hele mensheid wegvaagt.
Het verhaal gaat over de laatste overlevende, die aan zijn kleinkinderen vertelt hoe de pest zich razendsnel kon verspreiden in een dichtbevolkte wereld. De beschrijving van de maatschappelijke desintegratie door een epidemie doet wel wat denken aan Saramago’s Stad der blinden, al weet Saramago de beklemming veel levendiger op te roepen.
Londons novelle is, net als die van Forster, vooral interessant om het idee. De dichtbevolkte wereld is er en de angst voor een vernietigende epidemie is ook reëel.

Utopische science fiction valt doorgaans uiteen in twee categorieën. Ofwel de techniek ondersteunt de mensheid, ofwel ze neemt haar over. In het laatste geval is de hoofdpersoon dan vaak iemand die strijd tegen de ontmenselijking door de techniek (denk aan Brave New World).
Zo’n personage is ook Kuro uit The Machine Stops, van E.M. Forster, een schrijver die vooral bekend is van zijn romans A room with a view en A passage to India. De hoofdpersoon van dit science fiction verhaal uit 1909 is echter Kuro’s moeder Vashti, die een religieus vertrouwen in de machine heeft.
Bijzonder aan het verhaal is vooral dat het niet tot een confrontatie komt. De machine houdt er gewoon vanzelf mee op, oud en versleten. Het afhankelijke deel van de mensheid sterft, een paar uitgestoten enkelingen overleven.
Het verhaal is nogal afstandelijk geschreven, identificatie met de hoofdpersonen zit er niet in. Het gaat vooral om het originele idee, dat een dikke eeuw na dato blijft intrigeren.

Geen cent mag er meer naar Griekenland, zei PVV-leider Geert Wilders dit weekend tegen Elsevier. Tegelijkertijd liep hij te hoop dat Nederland niet was uitgenodigd bij het ‘geheime’ overleg over de Griekse schuldenlast dat de grote landen dit weekend belegd hadden. Niet willen meedoen en boos worden als je vervolgens niet wordt uitgenodigd – het is, laten we zeggen, een nogal dubbele boodschap.
Nederland staat voor vijf miljard euro op de rol voor de eerste Griekse lening van 110 miljard uit het noodfonds. Daarmee wordt in feite een afwaardering van vijftig procent gedekt op de negen miljard euro die de Nederlandse banken bij Griekenland hebben uitstaan. Ter vergelijking: Duitse banken hebben 43 miljard uitstaan bij de Grieken en de Duitse regering stopte 22 miljard in het noodfonds. Landen dekken via het noodfonds dus vooral hun eigen banken af.
Nog even los van de vraag of minister De Jager geen leukere dingen wist te doen dit weekend dan crisisberaad, getuigt klagen dat je niet bent uitgenodigd (ook door VVD, CDA en PvdA) van een tikje hypocrisie. Nederland heeft hard tegengesparteld en draagt niet buitenproportioneel bij aan het noodfonds. Wanneer je als klein land niet boven jezelf uitstijgt, moet je niet verbaasd zijn dat je als klein land behandeld wordt. (gc)

Lang, heel lang geleden, om precies te zijn vlak na de grote plof die het heelal in gang zette, waren alle deeltjes zonder massa. Toen gebeurde er iets. Er manifesteerde zich een veld in de tot dan toe ondenkbare ruimte. De massaloze deeltjes, die met de lichtsnelheid rondschoten, werden gevangen in het veld. Ze verwierven massa en daarmee traagheid. In dat proces kwamen nieuwe deeltjes vrij. Wie het bestaan daarvan weet vast te stellen, kent de aard van de scheppende kracht die het heelal veranderde van een vormloze soep in iets met structuur – de natuurkundige equivalent van God.
Deze theorie is afkomstig van de Britse natuurkundige Peter Higgs, die hem bijna vijftig jaar geleden bedacht. Hij was niet de enige met een theorie. Anderen waren evengoed hard bezig het ontbrekende stukje te vinden van de puzzel die Newton en Einstein al voor een groot deel in elkaar gezet hadden. Maar het raamwerk van Higgs sloeg het meeste aan, dus draagt het deeltje tegenwoordig zijn naam: het Higgs-boson.