
Een yup rijdt met zijn auto van het talud en komt terecht in een niemandsland tussen een aantal snelwegen. Hij denkt: ik klim naar boven en zoek een lift. Dat blijkt zo makkelijk nog niet. Het verkeer zoeft langs, niemand wil hem zien staan.
Zo eenvoudig is het gegeven van J.G. Ballards Concrete Island, een variant op het Robin Crusoe verhaal, geplaatst in de asfaltjungle. Er komen bijna-reddingen aan te pas, zoektochten naar eten en wilden die het betonnen eiland ook blijken te wonen. Maar bovenal gaat het verhaal over een man die langzaam begint te beseffen dat hij ook kan leven zonder de verworvenheden van het moderne leven.
Concrete Island is geschreven in Ballards eigen, afstandelijke stijl. Korte, beschrijvende zinnen. Geen beschouwende uitweidingen. Toch zit Ballard dicht op de huid van zijn hoofdpersoon. Psychologisch rammelt de roman, maar Concrete Island moet je dan ook vooral lezen als een parabel.

Nog nooit kostte goud zoveel: 1900 dollar per ounce. De 2000 is binnen bereik. Beleggers vluchten in het edele metaal uit angst voor dalende aandelenkoersen. Het is een irrationele vlucht. Wie nu op verdere stijging van de goudprijs speculeert en op het goede moment weer verkoopt, kan daar geld mee verdienen, maar uiteindelijk is goud een bubbel die alleen maar kan knappen.
De prijs van goud is nu bijna vertienvoudigd ten opzichte van tien jaar geleden. Dat komt in eerste instantie door een toenemende vraag, veroorzaakt door inkopen van centrale banken en consumenten in India en China, die meer geld hebben voor juwelen. Die groeiende vraag kun je stabiel noemen. Een prijs die extreem opgedreven wordt door dalende aandelenkoersen, is speculatief. Immers, zodra de economie aantrekt, worden aandelen weer aantrekkelijker en volgt een correctie op de goudprijs.

De hoofdpersoon van Haruki Murakami’s Dance Dance Dance, krijgt van de mysterieuze Schaapman het advies om vooral te blijven dansen. Hij moet het leven over zich heen laten komen en de mogelijkheden grijpen die zich voordoen.
Het heeft er alle schijn van dat Murakami zelf ook door de Schaapman bezocht is, maar dan met het advies vooral te blijven babbelen. De roman is een aangename reeks van ontmoetingen, met een vlotte hotelreceptioniste, een helderziende puber, een melancholische b-acteur, een over het paard getilde schrijver genaamd Makimura, een wereldvreemde fotografe, een eenarmige dichter, twee politie-agenten en zo nog wat kleurrijke karakters.
De diepere laag die ik in Murakami’s Kafka on the shore zo indrukwekkend vond, komt hier niet goed uit de verf. Dance Dance Dance leest als een trein, maar heeft verder niet veel om het lijf.

Een dikke maand was journaliste Lise Witteman bezig met het uitdiepen van een echtscheidingsvete tussen de partner van Mariko Peters en diens ex, waarbij ze en passant ook nog stuitte op een nogal marginale onzuiverheid in een subsidieprocedure. Anderhalve dag voor het blad naar de drukker zou gaan besloot Witteman ook nog even GroenLinks om commentaar te vragen.
Iedereen die wat van journalistieke planning weet, ziet onmiddellijk de luizenstreek die hier geleverd wordt. Anderhalve dag voor een weekblad naar de drukker gaat, is de eindredactie goeddeels voltooid en liggen teksten plus foto’s bij de vormgeving. Als onderwerp van een kritisch artikel kun je dan nog een paar regels krijgen om te ontkennen, maar het leeuwendeel van het verhaal staat vast. De boodschap wordt niet meer veranderd. Ook al heb je bergen feitenmateriaal om jouw versie te staven, daar is geen ruimte meer voor.
Kortom, HP was van plan om een vernietigend verhaal over Mariko te publiceren en wilde niet het risico lopen dat Mariko nog met materiaal zou komen dat een maand research onderuit schoffelde. Dus werd tot het allerlaatste moment gewacht met een plichtmatig wederhoortje. Voor deze manier van werken bestaat in de journalistiek een term: je moet een goed verhaal niet doodchecken.
Logisch dat Witteman een boze GroenLinks woordvoerder aan de lijn kreeg. Ze had zelfs de eer een boze Jolande Sap zelf aan de lijn te krijgen. En die zou haar geïntimideerd hebben. Aggut. Sap ontkent nu druk uitgeoefend te hebben, maar ik mag toch hopen dat ze wel degelijk het volledige register heeft opengetrokken tegen Witteman om de belangen van GroenLinks te verdedigen.
Journalisten zijn een politieke machtsfactor. Dat weten ze en daar maken ze gebruik van. Journalisten dealen met politici en andersom. Wederzijds druk uitoefenen om een primeur te scoren of je eigen boodschap zo gunstig mogelijk in de krant te krijgen, hoort bij het spel. Kortom, Lise Witteman, if you can’t stand the heat, stay away from the fire. (gc)

De kamer komt vandaag van reces terug om te debatteren over de Griekse noodsteun. Dat levert extra druk op de Nederlandse begroting, dus zal er extra hard bezuinigd moeten worden. Die druk is handig voor ministers die impopulaire maatregelen willen doordrukken, zoals de ontmanteling van het ov in de Randstad.
De ministers moeten wel opschieten, want tegen het eind van het jaar zou wel eens duidelijk kunnen worden dat er geen economische noodzaak is voor draconische bezuinigingen. De Nederlandse economie draait namelijk als een tierelier en het begrotingstekort smelt als sneeuw voor de zon. Kijkt u even mee naar de hoofdlijnen van de begroting voor 2011. In de eerste tabel staan de belangrijkste macro-economische aannames. Leg die voorspellingen naast de jongste cijfers van het cpb.
Er zijn eigenlijk alleen maar meevallers. Economische groei 2 procent in plaats van 1,5. Lange rente op staatsschuld een kwart procent lager, omdat Nederlandse staatsobligaties gewilder zijn door de crisis elders in Europa. Oliekoers meer dan vijftig procent hoger en dollarkoers fors lager, met een knoepert van een meevaller in de aardgasbaten als gevolg. Werkloosheid komt uit op 4 procent in plaats van 5,5, wat leidt tot een meevaller bij de sociale dienst (minder uitkeringen) en de belastingdienst (meer inkomsten). Inflatie is hoger, maar blijft binnen de perken – dat is goed voor de groei zonder dat consumenten gaan morren.
Dit alles leidt ertoe dat halverwege het jaar de doelstelling van een daling van het EMU-tekort naar 4 procent van het bbp al bijna gehaald is. Als dit zo doorgaat, zit Nederland tegen het eind van het jaar in de buurt van de 3 procent, het heilige getal dat ooit in Europees verband is afgesproken.
Dat is goed nieuws, natuurlijk, maar het kabinet zit daar momenteel niet op te wachten. Er zijn immers forse bezuinigingen aangekondigd, en als je over de meevallers struikelt, wordt het moeilijker die door het parlement te loodsen. Immers, wanneer de economische noodzaak wegvalt, moeten ministers inhoudelijke argumenten voor hun ombuigingen aandragen, en dat is altijd een stuk lastiger in een Tweede Kamer die zoveel mogelijk kiezers te vriend wil houden. (gc) (sg)

Een boek van Richard Powers is altijd pittig leeswerk, vanwege de vele informatie die hij in zijn romans propt. Dat geldt in optima forma voor The gold bug variations, waarin twee gemankeerde liefdesgeschiedenissen door elkaar heen lopen.
De ene lijn gaat over de briljante wetenschapper Stuart Ressler, een pionier op het gebied van dna in de jaren vijftig, die verliefd wordt op een collega. De tweede lijn speelt dertig jaar later, als Ressler een suf baantje als systeembeheerder heeft. Zijn assistent en diens geliefde proberen erachter te komen waarom hij indertijd de wetenschap verlaten heeft. Helaas komt geen van de karakters werkelijk tot leven in het meer dan 600 pagina’s dikke boek.
Dat komt omdat Powers eigenlijk iets heel anders wil vertellen, namelijk hoe ongelooflijk complex en daarom mooi dna wel niet in elkaar zit, en hoe dat zich verhoudt tot de menselijke voortplanting, diens gevoel voor kunst en nog een heleboel andere dingen. Allemaal heel knap in elkaar gezet en bij vlagen echt heel mooi verwoord, maar ook nogal stroef.
Ik blijf Powers bewonderen, maar in dit vroege werk ontbreekt nog de vonk die een roman echt briljant maakt, zoals The time of our singing.

Ruim tien jaar geleden, toen ik nog niet zo lang in de stad woonde, werd Machteld Cairo voorzitter van GroenLinks Rotterdam. De sfeer van de ledenvergaderingen werd op slag totaal anders. Chaotischer, maar ook gezelliger en overvloedig voorzien van door Machteld gebakken koekjes.
Machteld was niet zo lang voorzitter, maar maakte gewoon door zichzelf te zijn een einde aan de wat krampachtige sfeer van de alv’s. Anderen na haar konden daarop bouwen aan een afdeling die zowel levendig als effectief was. Machteld zelf concentreerde zich op de politiek in de deelgemeente noord, waar ze als een koningin over moederde. Tien jaar was ze raadslid, waarvan ongeveer de helft fractievoorzitter.
Haar ziekte hield ze stil, zodat haar overlijden vorige week voor velen als een schok kwam. Vandaag kan iedereen afscheid van haar nemen. Morgen is de begrafenis.

Afgelopen vrijdag zag ik Source Code, een science fiction film met Jake Gylenhaal in de hoofdrol als marinier die de laatste herinnering van een terreurslachtoffer geïmplanteerd krijgt om die te kunnen doorzoeken op aanwijzingen naar de dader. Een aardige vondst voor een film, die matig wordt uitgewerkt en vooral dankzij de hoofdrolspeler overeind blijft.
Die dag had ik het nieuws niet echt gevolgd. Dus pas zaterdagochtend drong tot mij door dat het terreurscenario uit de film – een kleinere aanslag als voorwaarschuwing voor een grote, door een eenling met een verwrongen geest die de mensheid door destructie vooruit denkt te kunnen helpen – zich ondertussen in Noorwegen in het echt afgespeeld had.
Je kunt niet zeggen dat de werkelijkheid de science fiction heeft ingehaald, maar de film kreeg er voor mij achteraf wel een andere lading van.

Jaren geleden interviewde ik Johan Blaauwendraad, een gereformeerde hoogleraar civiele techniek, die op dat moment rector magnificus was van de TU Delft. Hij vertelde dat in zijn kringen techniek als een ‘veilige’ studiekeuze werd gezien, omdat studenten daarbij niet geconfronteerd werden met kwesties die hun geloof aan het wankelen konden brengen. Dit in tegenstelling tot studies als astronomie, biologie en theologie. Wie zich op de techniek concentreerde had geen last van ingewikkelde keuzes tussen goed en kwaad. Blaauwendraad was het daar volstrekt mee oneens. Techniek had juist wel een ethische dimensie.
Zo rond 21 mei, toen de Amerikaanse predikant Harold Camping het einde der tijden voorspelde, moest ik terugdenken aan dat idee van de ‘veilige studie’. Camping was opgegroeid in een christelijk gereformeerd gezin in Californië – ook daar heeft het calvinisme van Nederlandse snit wortel geschoten. Hij studeerde in 1942 af in de civiele techniek aan Berkeley, niet de minste universiteit. Kortom, ook een gereformeerde jongen die voor een veilige studie gekozen had.

De Rus Gisha Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.
Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.