U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

De omloopsnelheid van lokale politici is inmiddels zo groot dat eigenlijk niemand meer weet hoe je coalitieonderhandelingen voert. Dus wordt het uitbesteed. Rotterdam heeft een drieptrapsraket nodig: verkenners, informateurs, formateurs. Een dikke maand na de verkiezingen is men net in de tweede fase beland. Dit gaat nog wel even duren.

Tweederde van het Rotterdamse plucheplakkartel moest deze keer het veld ruimen. Opgeruimd staat netjes, zegt de boze burger dan. Deskundigen menen dat dit de kwaliteit van het bestuur niet ten goede komt, maar eigenlijk brengt dit de politiek dichter bij de burger. Niets is immers beter voor het vertrouwen tussen raadslid en burger dan een volksvertenwoordiger die zegt: ik snap ook niet was ze daar allemaal uitspoken op het stadhuis. (sg)

Net als in de jongste roman van Ester Gerritsen wordt er in De heilige Rita van Tommy Wieringa stevig geloofd, op katholieke wijze. Dit keer niet in een klooster maar op het Twentse platteland, tegen de Duitse grens aan. Hoofdpersoon is Paul Krüzen, een eenling die nooit verder gekomen is dan de boerderij van zijn ouders, waar hij nog altijd voor zijn oude vader zorgt. Hij drijft er een handeltje in militaire memorabilia.

Pauls moeder is er ooit vandoor gegaan met een Russische piloot die – en dit mogen we toch echt een Wieringaiaanse wending noemen – tijdens de Koude Oorlog onder de radar van het IJzeren Gordijn door vloog en in het maisveld achter de boerderij crashte. De Rus werd ondervraagd door de autoriteiten, die verder niet wisten wat ze met hem moesten, zodat ze hem maar op de boerderij terug bezorgden. Hij bleek uiteindelijk een interessantere man dan de introverte boer.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de flashbacks van de Rus de sterkste passages vormen in De heilige Rita. Het treurige gehannes met de dorpsgenoten, het bordeel net over de grens, het dorpje dat door immigranten overeind wordt gehouden tot ook die vertrekken, de leegte van het landschap, het is allemaal prachtig beschreven, maar het ontbeert de vonk van inventiviteit. Nog steeds een sterk boek, maar niet Wieringa’s beste, zoals de recensent van het AD suggereerde.

Nooit heb ik de aanvechting gevoeld om onder verzonnen naam mensen op internet te gaan afzeiken, nepnieuws te verspreiden of anderszins te trollen. Maar toen ik afgelopen weekend in de krant las dat een zanger genaamd Dotan 140 accounts had om zichzelf te laten bewieroken dacht ik: ja, dat wil ik ook wel. Ook ik verlang naar lieve trollen die feelgood verhaaltjes over mij de wereld in sturen.

Alleen zie ik er een beetje tegenop om die 140 accounts allemaal zelf te beheren. Ik denk dat Dotan ook mensen heeft die dat voor hem doen. Dus ben ik op zoek naar vrijwilligers die bereid zijn deze microcolumns constructief op te hemelen. Het dient, net als in het geval van Dotans liedjes, een goed doel. De sfeer op internet gaat er immers enorm op vooruit als mensen vaker ‘halleluja’ en minder ‘fuck you’ roepen. (sg)

In Amsterdam bestaat een groep illegalen die zich “wij zijn hier” noemt. Ze zijn in het nieuws omdat ze woningen gekraakt hebben. Mensen zijn daar boos over. Boeroepers van Pegida hebben zich voorgenomen de groep te gaan vertellen dat ze hier niet welkom zijn. Dat lijkt me een overbodige actie. De illegalen weten al lang dat ze hier niet welkom zijn. Hun punt is dat ze nietttemin hier zijn.

Toch kijk ik uit naar een confrontatie tussen beide groepen, gewoon omdat ik van absurdistisch theater houd. Wij zijn hier. Jullie moeten hier niet zijn. Toch zijn we hier. Ga weg dan. Willen we niet. Wij willen het wel. Waarom? We willen dat jullie er niet zijn. Maar we zijn er toch. Urenlange patstelling gegarandeerd, mits iedereen zijn handjes thuishoudt. (sg)

Ter voorbereiding op de komst van Esther Gerritsen naar Worm Rotterdam op 24 april (koop kaartjes!) las ik haar nieuwste roman, De trooster. Wie de letterenscene een beetje volgt weet waar die over gaat, want zo’n beetje alle kranten hebben er aandacht aan besteed. Maar in het kort: Jacob, de concierge van een klooster, wint tegen zijn zin het vertrouwen van een gast, Henry Loman. Er ontwikkelt zich een vriendschap waarbij Jacob steeds meer het gevoel krijgt dat hij Henry moet redden.

De trooster leest bij vlagen als een inleiding in het katholicisme. Het lijkt een nieuw thema in Gerritsens werk, maar op de achtergrond heeft het geloof altijd een rol gespeeld. In een van haar eerste toneelstukken (dat ik ergens in 1999/2000 zag) speelde een bisschop een opvallende rol. Hij stond in de keuken. De toeschouwers kregen hem niet te zien, maar de bisschop drong zich wel op in de conversatie.

Uiteindelijk gaat het boek echter niet over geloof, maar over Jacob, die vrij gemakzuchtig in het leven staat en nu geconfronteerd wordt met een opdracht, die hij eerst van zich af probeert te schuiven maar waarmee hij zich uiteindelijk zo identificeert dat hij zijn eigen en andermans grenzen overschrijdt. Knap geschreven door Gerritsen, die de lezer schijnbaar moeiteloos door een plot leidt dat een even logisch als verrassend eind kent.

Vier jaar geleden heeft de fabrikant van Kolonisten van Catan, zonder daar toestemming voor te vragen van de vaderlandse alt-right, de naam van het bordspel veranderd in Catan, omdat het dan in alle talen hetzelfde heet. Dat valt de spelmakers te vergeven. Vier jaar geleden speelde gevoeligheden rond koloniën veel minder en de rechtse verontwaardiging kwam ook pas in retrospectief binnenzijlen.

Ik vind het een veelbelovende ontwikkeling: je hoeft als hedendaags Gutmensch niet eens meer op Gloria Wekker te wachten om misstanden te achterhalen. Je kunt gewoon op Twitter Wierd Winter of hoe ze allemaal mogen heten volgen, en dan krijg je kwesties op een presenteerblaadje aangeleverd. Alt-right is inmiddels zo geïndoctrineerd door links dat ze onze gedachten beter kennen dan wijzelf. (sg)

Het moet afgelopen zijn met de corruptie op Sint Maarten, sprak de staatssecretaris stoer, terwijl hij een half jaar na dato aankondigde dat Nederland gaat bijdragen aan de herbouw van het door orkaan Irma getroffen eiland. Integriteit voorop! En daarom sturen we een wegens onduidelijk gedoe met geld in opspraak geraakte politicus om te kijken of onze centen netjes besteed worden.

Bedenk, voordat u direct in Homerisch gelach uitbarst, dat onze regering in dit soort zaken niet over één nacht ijs gaat. Ze zouden natuurlijk ook een stijle Grunninger kunnen sturen die van elke bestede cent een bonnetje wil zien, maar dat gaat niet werken. Als de corruptie op Sint Maarten tot Limburgse proporties wordt teruggebracht is dat ook al mooi. (sg)

Zes verhalen telt de bundel Fortune smiles van de Amerikaanse schrijver Adam Johnson, die er in 2015 de National Book Award mee won (nadat hij eerder al een Pulitzer Prize binnensleepte voor zijn roman The Orphan Master’s Son). Zes totaal verschillende verhalen zijn het, maar ze hebben gemeen dat hun hoofdpersonen curieuze outsiders zijn.

Neem het titelverhaal, waarin twee Noord-Koreaanse deserteurs centraal staan. Ze proberen in te burgeren in Seoul, maar een van de twee heeft heimwee en komt erachter dat terugkeren moeilijker is dan vluchten. In het noorden moesten ze voortdurend op eieren lopen om niet in ongenade te vallen, maar ze stelden tenminsten wel wat voor. In Seoul zijn ze niemand. In een vergelijkbare positie bevindt zich de voormalige Oost-Duitse gevangenisdirecteur, nog altijd trots op de orde die hij handhaafde, die met lede ogen toeziet hoe zijn instelling nu aan toeristen getoond wordt als een afschrikwekkend voorbeeld van de geschiedenis.

Zo is er ook een voormalige pedofiel die zich ineens het lot moet aantrekken van twee jonge buurmeisjes en een nerd die een perfecte computersimulatie van Kurt Cobain maakt om zijn zieke vrouw te plezieren. Allemaal karakters van wie je niet meteen weet wat je van hen verwachten mag. Adam Johnson is een groot verteller die in staat is je in andermans gedachtenwereld te brengen om hun drijfveren te leren kennen, ook als die nogal dubieus zijn.

Sadegh Hedayat, van wie ik eerder de verhalenbundel Three drops of Blood las, was geen lachebekje. Zijn bekendste werk, De blinde uil, waarvan onlangs een nieuwe uitgave verscheen, is daarop geen uitzondering. De Iraanse schrijver (1903-1951) beschrijft de duistere, hallucinante gedachten van een man op weg naar de dood.

Van een plot kun je moeilijk spreken. Hij verlangt naar een vrouw die hij gekend heeft (of misschien alleen maar gezien). Zijn oom bezoekt hem. Als hij reikt naar een oude fles wijn om zijn gast in te schenken ziet hij boven de kast een raam dat daar niet was. Door het raam ziet hij de vrouw. Als hij zijn aandacht weer naar zijn gast verlegt, is die verdwenen. Het raam blijkt ook onvindbaar. Geen van de gebeurtenissen in De blinde uil hoeft werkelijk plaats te vinden. Het gaat om de naargeestige, wanhopige sfeer die Hedayat wil oproepen.

Dat lukt goed. De blinde uil is stilistisch en narratief sterk. Je moet wel houden van dit soort zwarte romantiek. Anders gaat overdosis aan Weltschmerz je waarschijnlijk tegenstaan.

Nederland gaat een virtuele muur bouwen aan de grens met België en Duitsland. Vluchtelingen die over de muur klimmen worden subiet terug gestuurd naar waar ze vandaan kwamen. België duwt ze terug naar Frankrijk, Duitsland naar Oostenrijk, net zo lang tot ze terug zijn in Griekenland, waar ze het verder maar uitzoeken. Of we kijken ome Erdogan nog een keer lief aan met een kruiwagen vol euro’s voor onze genoegzame buikjes. Die man heeft tenslotte ook kosten aan Syrië.

U voelt allicht aan uw water dat er enige onbenoemde haalbaarheidsaspecten zitten aan dit ambitieuze idee van de Nederlandse regering. Dat gebeurt wel vaker als een land een plan bedenkt waarbij het zijn problemen kosteloos afwentelt op een ander land. We bouwen een muur en iemand anders gaat ervoor betalen. Het klinkt reuze aantrekkelijk, maar als je de factuur stuurt blijkt het toch altijd net wat gecompliceerder uit te vallen. (sg)



×