Broeders in de techniek

000a15

Allebei een hele fles wodka op, grijnsden de bardames van het hotel in Vladivostok, wijzend op het stel aan de andere kant van de bar. Pas getrouwd, uit Moskou, legden de dames nader uit. Zelf hadden ze ook niet de hele avond droog gestaan, merkte ik. Ze schoven een schaaltje met stukjes peer en chocola naar me toe. Kennelijk moest je dat eten bij sterke drank. Naast mij zat de juffrouw van de karaoke, die mij verzekerd had dat ze karaoke deed en niets anders. Het was een uur of drie ‘s nachts, schatte ik in, we waren de enige overgeblevenen. Ik had aan de treinreis een langzame jetlag overgehouden en was dus klaarwakker.

De man van het stel stond van zijn kruk op en liep op de juffrouw van de karaoke af. De muziek moest weer aan, want hij wilde dansen. Toen zag hij mij en begroette me hartelijk. Ik legde uit dat ik hem niet verstond, omdat ik uit Holland kwam. Zijn gezicht werd er nog vrolijker van.

‘Ah, Holland!’, zei hij. ‘Melkmachines!’ Hij maakte een melkgebaar met beide handen en voegde eraan toe: ‘Ik ben ingenieur. Ik ontwerp melkmachines.’ Opnieuw het melkgebaar. ‘Ik ben in Holland geweest, bij een fabriek van melkmachines.’

‘Ik ben ook ingenieur’, zei ik. ‘Informatica, computers.’

Dat kwam me op een heel verhaal te staan, waar ik niks van begreep behalve dat wij broeders in de techniek waren. Inmiddels was zijn vrouw erbij komen te staan. Ze was jonger dan hij, ergens halverwege de twintig, schatte ik. Ook zij vond het fantastisch dat ik ingenieur was.

De muziek ging aan. ‘Jij moet ook dansen’, zei hij, terwijl hij mij zijn vrouw in de armen drukte. Ze keek me bemoedigend aan. Ze stond nog behoorlijk vast op haar benen voor iemand die een hele fles wodka op had. Misschien telden de dames van de bar de glaasjes die ze zelf leeggedronken hadden mee.

Ik vroeg me af wat mijn nieuw verworven vriend allemaal nog meer gezegd had over de internationale broederschap van ingenieurs. Dat die bestond, dat wist ik wel. Overal waar je kwam voelde je onmiddellijk een band als iemand ook in de techniek zat. Een paar dagen geleden nog in Irkutstk, toen ik een kamer moest delen met een dikke Mongool, die werkte bij elektriciteitscentrale nummer vier van Ulan Bator. We hadden meteen een band, want we waren ingenieurs.
Maar wat betekende dat nou in de praktijk? Dat je sprak in een code die niemand anders kende? Dat je in verkiezingstijd op elkaar stemde, omdat je graag naar oplossingen en dwarsverbanden zocht? Dat je je echtgenotes bij elkaar in bewaring gaf om je handen vrij te hebben voor de karaokejuffrouw?

Na een paar minuten waren we uitgedanst. Mijn vrienden uit Moskou waren toch wel wat vermoeider dan ze dachten. Zij wilde naar bed, maar hij wilde nog wat praten met zijn broeder in de techniek, die hem niet begreep. Dat kon hem niet zoveel schelen. Hij vertelde uitgebreid over de finesses van het melkmachinevak, want hij wist dat mij dat zou interesseren.

Dat moest het zijn, dacht ik. Als je in den vreemde een Nederlander tegenkwam, schiep dat ook een band, maar vaak ging die niet veel verder dan de taal. Wat je uitwisselde was oppervlakkige informatie. Met een ingenieur was het anders. De connectie vormde zich op een dieper niveau, dat van de fascinaties die je deelde. Een normale dronkelap die onverstaanbaar tegen je aan kakelt, is irritant, maar als het een ingenieur is, dan word je vanzelf milder.

Op aandringen van zijn vrouw moest mijn vriend uiteindelijk toch afscheid nemen. De juffrouw van de karaoke was al weg. Alleen de dames van de bar waren nog druk bezig. Ze moesten voorbereidingen treffen voor het ontbijt.

Het afscheid viel zwaar. ‘Broeders in de techniek’, verkondigde mijn vriend, terwijl hij mij omhelsde.

‘Broeders in de techniek’, bevestigde ik. ‘Voor altijd.’

Eerder verschenen in De Ingenieur nr 2, 2003