U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Naar Tomohon (3): Quetta

In 2004 trok ik vier maanden uit om over land te reizen van mijn huidige woonplaats Rotterdam naar Tomohon, het dorp in Indonesië waar ik opgroeide. Alles bij elkaar schat ik het op zo’n 25.000 kilometer, afgelegd met de trein en bussen van alle formaten, per taxi, jeep, op boten en veerpontjes, en natuurlijk te voet. De thuisblijvers stuurde ik af en toe een nieuwsbrief.

Welkom in Pakistan. Quetta is voor Kandahar wat Peshawar is voor Kabul: de toegangspoort vanuit Pakistan naar Afghanistan. Hiervandaan kwam de logistieke support voor de taliban toen ze aan hun verovering van Afghanistan begonnen. Het straatbeeld is chaotisch en vuil. Er loopt van alles rond, van modieuze Pakistani met rood geverfde baarden tot Pashtuns en Baluchi’s. Niet ver buiten de stand heeft de UNHCR een groot vluchtelingenkamp, zag ik op de weg hierheen.

Die weg leidde vanaf de aangename oasestad Yazd in Iran door 2000 kilometer woestijn, die ik in etappes heb afgelegd. Een van die etappes bracht me in Bam, dat er een half jaar na de verwoestende aardbeving nog altijd troosteloos bij ligt. Bewoners leven in tenten en containers, maar ik heb de indruk dat heel veel mensen vertrokken zijn. Ik krijg niet de indruk dat er al heel veel opgebouwd wordt, behalve wat simpele noodwoningen.

Bam, een half jaar na de aardbeving

De laatste 700 kilometer vanaf de Pakistaanse grens heb ik gisteren in een ruk gedaan. Veel keus had ik niet, want zoveel is er onderweg niet. Soms een paar winkeltjes voor voorbijkomende truckers, af en toe een drommedaris of het skelet daarvan, dan weer een paar haveloze tentjes met een versleten Afghaanse vlag erbij, soms een controlepost. In een geval vroeg ik me af of die iets met de Pakistaanse overheid van doen had. Dat gold ook voor de pick-up met een mitrailleur erop die ons op een gegeven moment tegemoet kwam. Het leek op particulier initiatief.

De ramen van het minibusje moesten al die tijd gesloten blijven, want anders werd het ook aan de binnenkant gezandstraald. De wind joeg zoveel stof en wind de lucht in, dat de zon een vage lichtbol werd.

Niemand heeft het erover, maar Quetta is uiteraard ook een belangrijk knooppunt voor de internationale drugshandel. En omdat er onderweg wel eens wat van de snoepkar valt, kun je hier lokaal de brokken hash bij ieder straatstalletje zien liggen. Iran heeft een serieus drugsprobleem, hoewel het aantal verslaafden dat je op straat ziet, meevalt. Mijn zegsman Mohammed (vijftien jaar, inwoner van Yazd): “Toen de sjah er nog was, maakten ze je dood als je een kilo had, maar nu mag je zoveel hebben als je wilt, zolang je maar betaalt.”

Straatbeeld Quetta

De taxichauffeur die mij van Zahedan naar de grens bracht, gebruikte iets dat leek op boerenkool maar dat niet was. Hij rolde er een bolletje van, verpakte het in een stukje tissue en stopte het in zijn mond. Daarna vond hij het heel normaal om 170 km/u te rijden en zonder te stoppen politieposten te passeren. Diezelfde dag schijnt bij Zahedan een groot verkeersongeluk te hebben plaatsgevonden met 200 doden.

Het is mij inmiddels verschillende keren overkomen dat een alqaida-achtig type met onverzorgde baard en door zon, wind en zand gelooide huid als aan de grond genageld blijft staan zodra hij me ziet en me met grote ogen aanstaart. Tot nu toe heeft een vriendelijk ‘salaam aleikum’ steeds geholpen om deze situatie op te lossen.

Lees verder


×