Technologie prikkelt de fantasie

000c03
Striptekenaars zijn gedwongen er een sterke verbeelding op na te houden: hun medium dwingt hen immers tot visualiseren. Sinds Donald Duck en Kuifje is technologie als onderwerp verder gegroeid dan het techno-optimisme dat strips van de jaren vijftig en zestig kenmerkte. De kern is echter gebleven: vrijwel nergens uit de creativiteit zich zo uitbundig als in technologische fantasieën.

Toen elektrotechnisch ingenieur Yoko Tsuno in 1968 voor het eerst gestalte kreeg onder de pen van Roger Leloup, was ze in meerdere opzichten een unicum. Ten eerste was ze een vrouwelijke stripheld in een tijdperk waarin strips een vrijwel exclusief mannenuniversum vormden. Katrien Duck hield zich bij het traditionele rolpatroon, de paar vrouwen in Kuifje waren zonder uitzondering dommige wezens en de smurfen leefden zelfs in een totaal vrouwloze wereld (de smurfin deed later haar intrede). Verder had Yoko een kleurtje. Dat was ook op zijn zachtst gezegd bijzonder, aangezien zelfs de eenden van stripland tot het blanke bevolkingsdeel behoorden. Alleen Sjimmie (van Sjors) had ook een kleurtje, maar die was dan weer geen elektrotechnisch ingenieur.

Radiotelescoop volgens Leloup

Dat technologie in Leloups strips een belangrijke rol zouden spelen, lag voor de hand. Jarenlang had hij de techniek van Kuifje voor zijn rekening genomen. Zo was hij verantwoordelijk voor alle voertuigen in de hertekende versie van ‘De zwarte rotsen’. Hoogtepunt is ongetwijfeld zijn ontwerp voor de Carreidas 160, het vliegtuig dat een voorname rol speelt in Kuifjes ‘Vlucht 714’. Wie die albums goed bestudeert, ziet dat Leloups penvoering net iets fijner is dan die van de andere assistenten en van Kuifjes geestelijk vader Hergé zelf.

In zijn eigen serie kan Leloup zich helemaal uitleven. De figuren zijn aanvankelijk getekend in de Robbedoes-stijl, dat wil zeggen met te grote hoofden en dunne ledematen. Ze evolueren in de loop der jaren wel, maar het blijven vlakke poppetjes. De show wordt doorgaans gestolen door grote platen van technische installaties, al dan niet aan Leloups brein ontsproten. Yoko Tsuno is namelijk een science fiction serie, waarin een belangrijke rol is weggelegd voor buitenaardse vluchtelingen die diep onder de aardkorst een technisch superieure beschaving hebben opgebouwd.

Hoewel Leloup in de buitenaardse episodes zijn fantasie het meest de vrije loop kan laten, is hij op zijn sterkst wanneer hij een science fiction element in de wereld van vandaag probeert in te brengen. Een van de mooiste staaltjes verbeeldingskracht is ‘Seinen voor de eeuwigheid’, waarin de immense radiotelescoop van Hallebeek een noodsignaal opvangt van een vliegtuig dat in 1933 in een uithoek van Afghanistan verdwenen is. Leloups verklaring: het vliegtuig vloog tijdens een onweersstorm boven de krater van een sterk ijzerhoudende satelliet. De bliksem ‘schreef’ het signaal in de bodem en leest die bij slecht weer opnieuw uit. Het verhaal is verder vooral een reden om veel zelf ontworpen vliegtuigen te tekenen en een vluchtsimulator die ook 25 jaar na publicatie nog state of the art zou zijn.

Bolbliksem

Hetzelfde procedé van jezelf goed inlezen en daarop verder fantaseren volgt Edgar Jacobs, een andere assistent van Hergé die voor zichzelf begon, in zijn stripserie Blake & Mortimer, die in 1946 begon en tegenwoordig door andere auteurs gemaakt wordt. De hoofdpersoon is Philip Mortimer, hoogleraar in een niet nader gespecificeerd vakgebied, dat per album verschilt. De ene keer is hij natuurkundige, de andere keer egyptoloog. Francis Blake is de Britse geheim agent die de prof regelmatig uit de penarie moet halen. Jacobs komt de eer toe als eerste striptekenaar een serieuze prof neer te zetten en tot hoofdpersoon van een strip te maken.

In ‘SOS meteoren’ grijpt Jacobs terug op het werk van de Franse natuurkundige Gaston Plante, die aan het eind van de negentiende eeuw onderzoek deed naar bolbliksems en geschakelde capaciteiten om grote hoeveelheden energie in op te slaan. In het verhaal is een Russische geleerde erin geslaagd Plantes proefopstellingen op te schalen tot ze twintig miljard joule kunnen bevatten. Die energie gebruikt hij voor de opwekking van magnetische velden om luchtstromen rond de noordpool te sturen en zo extreem weer in West Europa te veroorzaken. Jacobs trekt rustig twee pagina’s uit met alleen maar dialoog tussen twee geleerden om de ‘wetenschappelijke theorie’ uit te leggen.

Andere ‘exacte’ albums in de Blake & Mortimer reeks zijn ‘Het Voronov complot’, dat draait om de ruimterace van de jaren vijftig en ‘De drie formules van prof. Sato’, dat over cybernetica en androïdes gaat. Het laatste verhaal werd overigens na Jacobs’ dood voltooid door Bob de Moor, nog weer een andere assistent van Hergé. Blake & Mortimer geldt om de zorgvuldige verhaalopbouw als een klassieker onder stripkenners, al komt het vandaag de dag nogal oubollig en statisch over. Hergé bracht een hommage aan Jacobs door hem in de hertekende versie van ‘De sigaren van de farao’ als gemummificeerde geleerde af te beelden.

Professor Palmboom

De Nederlandse equivalent van Mortimer is Professor Palmboom, een creatie van Dick Briel. Ook hier als hoofdpersoon een hoogleraar met rap wisselende leerstoelen, zonder trekken van een karikatuur. Het meest technische van de verhalen is ‘De roestgranaat’, waarin alles draait om een magnetische, sterk corrosieve vloeistof. Futuristische stukjes technologie staan weliswaar steeds centraal in de Palmbooms avonturen, aan de ‘wetenschappelijke’ onderbouwing ervan besteedt Briel weinig aandacht.

Prototype

Het stijlmiddel van de ingenieur of professor als hoofdpersoon stelt een striptekenaar in staat conversaties over technologie te voeren om de geloofwaardigheid van zijn verhaal te versterken. Dat die ‘technologie’ doorgaans een fantasie is, is daarbij minder relevant; het gaat erom dat techniek een integraal onderdeel van de verhaallijn vormt. Dat is een scherp contrast met andere stripauteurs, die soms een prof uit de hoge hoed toveren om zonder verdere verklaring iets gedaan te krijgen. De geleerde is dan vooral een alibi om het niet verder over technologie te hoeven hebben. Het prototype is uiteraard professor Barabas uit Suske & Wiske. Als hij iets heeft uitgevonden, hoeft hij alleen maar uit te leggen wat het doet, niet hoe het werkt. De druïde Panoramix speelt in de Asterix-boeken een vergelijkbare rol.

Heel anders is de rol van de professoren Prlwytzkofski en Sickbock in de Bommel-verhalen van Marten Toonder, de aartsvader van de Nederlandse strip. Die vinden zo af en toe wel eens iets uit, maar hun aanwezigheid in de verhalen is vooral bedoeld om twee gezichten van de wetenschap te tonen. Prlwytzkofski staat voor de nieuwsgierigheid, het lichtjes wereldvreemde, maar altijd goed bedoelende. Sickbock is de eerzucht die makkelijk omslaat in kwaadaardigheid. De gemiddelde ingenieur zal zich echter vooral herkennen in Tom Poes, het nuchtere verstand.

Toonders geestverwant Fred Julsing maakte met ‘De wortels van War’ een kinderstrip met filosofische trekjes waarin een prachtige satire op de wetenschapswereld zit. Prlwytzkofski heet hier professor Ich. Na jaren werken in eenzaamheid gaat hij naar ‘de soos’ om de vondst te melden van een element met atoomnummer 292. De oude soos blijkt vervangen door een hypermodern gebouw, waar het stikt van de Sickbocks. Die zijn volstrekt niet geïnteresseerd in wat de wereldvreemde Ich te melden heeft, tot hij per ongeluk op televisie verschijnt. ‘De wortels van war’ gaat overigens, in al zijn speelsheid, geheel over het wezen van (wetenschappelijke) kennis. Julsing heeft daar, net als Toonder, een Zen-achtige kijk op.

Avontuur

Uiteraard heb je geen wetenschapper of ingenieur als hoofdpersoon nodig om technologie een fatsoenlijke plaats te geven. Dat betekent wel dat de techniek of voor zichzelf moet spreken of op een andere manier in het verhaal uitgelegd dient te worden. Het gros van de strips moet immers voor alle leeftijden toegankelijk zijn. Een meester in dit genre is Henk Kuijpers, die onder collega’s vooral bekend staat om de tot in de puntjes uitgedachte decors waarin hij zijn heldin Franka laat opereren. Kuijpers, wiens carrière in de jaren tachtig goed op gang kwam, behoort tot een jongere generatie tekenaars dan Leloup, Hergé, Jacobs en andere groten uit het vak. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat hij niet uitsluitend voor kinderen tekent.

In zijn verhalen, die zich meestal in de kunst- of modewereld afspelen, krijgt techniek alle ruimte. Veel auto’s en vliegtuigen, maar ook qua ict, architectuur en design maakt Kuijpers graag een hypermoderne indruk. Af en toe overdrijft hij een beetje, zoals in ‘Succes verzekerd’, waar een kunstenaar naam maakt met virtuele driedimensionale beeldhouwwerken die met een laser in de lucht geproject worden.

De clou van ‘De blauwe Venus’ is een kunstwerk dat eigenlijk een robot is. Na sluitingstijd haalt de robot een Matisse van de muur en schuift die in een verborgen schuilplaats in een ander kunstwerk. Aan kunstdetective Franka de taak het raadsel van de verdwijning op te lossen. Daarbij stuit ze ook nog op een miljonair met een bionische arm. Die bestaan nog niet in de perfectie waarin Kuipers ze voorstelt, maar in laboratoria wereldwijd wordt er wel hard aan gewerkt.

Franka en de Venusrobot

Veel tekenaars van avonturenstrips die zich in het heden afspelen, volgen Kuijpers’ aanpak: zo dicht mogelijk op de werkelijkheid blijven en af en toe een beetje op de ontwikkelingen vooruitlopen. Met name in Frankrijk is de productie van dit genre nog altijd hoog, hoewel niet altijd hetzelfde van de kwaliteit gezegd kan worden.

In Nederland is de avonturenstrip hard op z’n retour. Dat komt doordat de jongste generatie stripmakers steeds dichter tegen de literatuur aankruipt. Hun werk krijgt daardoor meer een psychologisch karakter en voor technologie, die immers buitenmenselijk is, bestaat nauwelijks een plaats meer. Dat is goed voor de status van de strip in het culturele landschap, maar je kunt je afvragen of het niet tegelijkertijd een slag is voor de verbeeldingskracht die altijd het sterke punt van strips geweest is.


Vervreemdende techniek

In de strips van de Tsjechisch-Bosnische filmer en striptekenaar Enki Bilal, die in Frankrijk werkt, is technologie geen onderwerp, maar ze is wel alomtegenwoordig. Bilal plaatst zijn strips ergens in de toekomst, in een vertechnologiseerde maar tegelijk vervallen samenleving, om de vervreemding van zijn personages sterker naar voren te laten komen. Hij is een exponent van de in Frankrijk halverwege de jaren zeventig begonnen stroming die strips ook als een medium voor volwassenen ziet.

Taxi boven New York

Zijn meest recente werk bestaat uit het tweeluik ‘De slaap van het monster’ en ’32 December’. Hoofdpersoon is Nike, een man met een fenomenaal geheugen, die in het jaar 2027 op zoek gaat naar de twee andere wezen met wie hij in de wieg lag, nadat hun ouders in Sarajevo’s sniper alley om het leven waren gekomen. Bilal zet een sombere wereld neer, in zijn unieke tekenstijl van krijt en gouache, met vliegende taxi’s, intelligente robots, gekloonde mensen en allerlei kille technische installaties die vooral tot doel hebben de wanhoop waaraan de personages ten prooi zijn, te accentueren. Voor een vrolijk beeld van de technologie moet je dus niet bij Bilal zijn, al schetste hij in zijn vroege album ‘De onbestaanbare stad’ nog wel een ideaal arbeidersparadijs. Bilas afrekening met de Joegoslavische burgeroorlog biedt een duister mensbeeld.

Dat geldt ook voor een deel van het werk van de Fransman Moebius (Jean Giraud, vooral bekend van de cowboystrip Blueberry). In de cyclus ‘De wereld van Edena’ voert hij een wereld op, ‘Het Nest’ genaamd, waarin gekloonde mensen als geslachtsloze mieren op elkaar leven. Een besmettelijke ziekte maakt dat ze gedwongen zijn te allen tijde een gezichtsmasker te dragen, waardoor alle persoonlijkheid hun wordt ontnomen.

In deze brave new world herontdekken twee mensen hun individualiteit en proberen die vervolgens te verdedigen. Moebius maakt daar vooral een strijd tegen het onderbewustzijn van, dat juist gehecht is aan de veiligheid die conformeren aan het collectief biedt. ‘De wereld van Edena’ begon ruim tien jaar geleden als een vrolijke reclamestrip voor Citroën, waardoor het visueel minder somber oogt dan het werk van Bilal.

Een derde stripserie die dit stramien volgt, is ‘Maankop de golventemmer’ van de Franse tekenaar François Boucq en de Chileense schrijver/filmer Alexandro Jodorowski, die ook voor Moebius scenario’s schreef. Hier is technologie een hulpmiddel in handen van een bende kardinalen en een dictator die verdacht veel weg heeft van Nicola Ceausescu. Deze verhalen hebben een sterker satirisch element in zich, maar zijn bovenal optimistischer van toon. Maankop, de hoofdpersoon die de hoop symboliseert, is onkwetsbaar voor alle hardware-aanvallen op zijn persoon. De individualiteit kan door de autoritaire technologie niet vernietigd worden.

In alle drie deze stripseries is technologie vooral een instrument van de ontmenselijking. Techniek is de grote egaliseerder. Dit beeld, dat in veel b-strips navolging heeft gekregen, zien ingenieurs niet graag, maar het bestaan ervan is re&eauml;el. Bilal, Moebius en Boucq/Jodorowski weten dat op hun eigen fantasievolle manier goed in beeld te brengen.


Supervliegtuigen alsnog de lucht in

Aan het begin van het luchtvaarttijdperk voorzagen de futurologen van die tijd supervliegtuigen die misschien niet helemaal het formaat van oceaanstomers à la Titanic zouden hebben, maar die toch grote hoeveelheden passagiers uiterstcomfortabel van A naar B zouden brengen. Met name in de jaren twintig verschenen allerlei fantastische ontwerpen op de tekentafel. Voor verschillende striptekenaars te mooi om te laten lopen, want zo kunnen ze fantasie koppelen aan gedegen documentatie.

Het album ‘F-52’ van Yves Chaland speelt zich geheel aan boord van zo’n supervliegtuig, dat in de fantasie van de auteur door atoomkracht wordt aangedreven. Chaland haalde het ontwerp uit het populair wetenschappelijke tijdschrift ‘Science et vie’, die in 1949 een speciale editie aan de toekomst van de luchtvaart wijdde. In het verhaal zelf speelt de technologie geen rol, maar Chaland heeft zich wel uitgesloofd om alle decors precies uit te zoeken, zodat je het album ook kunt zien als een virtuele rondleiding door een supervliegtuig. ‘F-52’ is door de vroegtijdige dood van de auteur overigens alleen in het frans verkrijgbaar.

Nog meer details zijn te vinden in ‘De vlucht van de Atlantis’, het elfde deel in de Franka-reeks van Henk Kuijpers. Hierin draait het om een vliegboot die in het geheim gebouwd wordt door de reder Magnus Ax, gemodelleerd naar Howard Hughes, de film- en luchtvaartpionier van de jaren dertig, wiens naam nog voortleeft in een hele reeks Californische bedrijven. Kuijpers staat bekend om zijn fanatieke aandacht voor details. Aandachtige lezers van de strip zien dan ook niet alleen schetsen van de Atlantis voorbijkomen, maar ook een weelde aan informatie over de vliegfantasieën van de jaren dertig. De lezer moet daarvoor overigens wel te rade bij de onlangs verschenen hertekende versie van het verhaal, niet bij de vrij slordige versie die Kuijpers tien jaar geleden voor Veronica Magazine maakte.


Uitvinders om te lachen

De geniaalste uitvinder onder de striphelden is zonder twijfel Guust Flater, de kantoorslaaf van het tijschrift Robbedoes. Wild om zich heen slaande robots, explosieve chemische substanties, elektronica die zoveel energie consumeert dat de hele stad in het duister komt te zitten, het zijn allemaal creaties van de goedbedoelende postsorteerder. Geestelijk vader André Franquin gebruikt techniek in zijn strip wanneer hem dat zo uitkomt, zonder veel diepgang. Een duisterder kijk op technologie biedt Franquin in sommige grappen in zijn album ‘Zwartkijken’, een collectie zwarte, morbide humor. Hier worden hijskranen monsters op poten die de arbeider in zijn nachtmerries bezoeken.

De Franse techniekfilosoof Bruno Latour wijdde nog eens een heel essay aan Guust. Dat leverde aardige observaties over ‘interactie’ en ‘actanten’, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het allemaal nogal vergezocht was. Waarschijnlijker is dat Franquin bewust noch onbewust iets over technologie heeft willen zeggen. Hij zag gewoon een goede grap en Guust voerde die dertig jaar lang op onnavolgbare wijze uit, tot Franquins dood in 1997.

Anders dan Guust Flater is Leonardo van het tekenaar/scenaristenduo Turk & De Groot een fulltime uitvinder. De strip, die al bijna dertig jaar loopt, speelt zich af in een pseudo-renaissancesetting en heeft als stramien dat Leonardo een geniale uitvinding doet, waarna zijn leerling de eer heeft om de vondst uit te proberen, wat doorgaans verschrikkelijk slecht afloopt. Net als bij Guust Flater staat de ‘techniek’ in dienst van de grap.

De interessantste strip in dit genre is echter Professor A.B.C. Breinbreier (genie) van Andries Brandt en Carry Brugman. De meeste grappen volgen net als die van Leonardo een stramien: leerling Grutjes doet een nuttige uitvinding en de over het paard getilde Breinbreier probeert het uit jaloezie beter te doen, waarna rampspoed volgt die vooral Grutjes treft.

Brandt en Brugman hebben duidelijk lol gehad in het verzinnen en uitwerken van Breinbreiers bizarre creaties, waaronder een kamervullende vliegenvanger en een automatische beeldhouwer. Ze trekken rustig een pagina uit om de desastreuze werking van de apparaten uit te leggen. De strip speelt in het grote uitvinderstijdperk rond 1900 en de tekenstijl sluit nauw aan bij de kopergravures die indertijd van technische installaties gemaakt werden. De verhalen dateren uit de jaren zeventig en zijn helaas alleen nog antiquarisch verkrijgbaar.


Superhelden volgen de wetenschap

Naast de bewoners van Duckstad wordt het Amerikaanse striplandschap vooral gedomineerd door superhelden die hun avonturen doorgaans beleven in smoezelige boekjes van krantenpapier. Superman, Batman, Spider-Man, de Hulk en alle anderen hebben voor hun bovennatuurlijke krachten allemaal de een of andere wetenschappelijke verklaring. Het interessante, zo analyseren Lois Gresh en Robert Weinberg in hun boek ‘The science of superheroes’, is dat de tekenaars hun flauwekulverklaringen ook achterwege zouden kunnen laten. Maar dat doen ze niet. Wat voor onzin ze ook opdissen, zowel zij als hun lezers willen graag dat er een wetenschappelijke basis bestaat.

Superman

Tegelijkertijd is het geen science fiction, want daarbij gaat het om min of meer gewone mensen in een onwerkelijke omgeving. Superhelden zijn juist het omgekeerde: abnormale mensen in een min of meer gewone omgeving. De uitzondering is Batman, wiens hulpmiddelen de bestaande techniek vaak net iets voor zijn, maar niet tot de onmogelijkheden behoren.

Gresh en Weinberg interviewden ook een aantal auteurs over de manier waarop zij met wetenschap en technologie omgaan. Dan blijkt bijvoorbeeld dat superheldenwetenschap wel degelijk de gewone wetenschap volgt. Nieuwe helden zullen hun krachten niet meer aan gammastralen ontlenen, zoals de Hulk in 1962, wel aan genetische manipulatie. Als een wetenschap weinig geheimen meer lijkt te kennen, is ze niet langer geschikt om een loopje mee te nemen.

Eerder verschenen in De Ingenieur nr22/23, 2004.