Bos is de klos, met Wijn gaat-ie fijn

292

Met poëtische inventiviteit stort het Haagse circus zich doorgaans op het fenomeen belofte. Toen Wouter Bos beloofde dat hij zeker niet zou toetreden tot een kabinet Balkenende IV, wist eigenlijk iedereen dat hij loog. Nu het partijbestuur hem ‘overgehaald’ heeft toch vice-premier te worden, is iedereen tevreden. Wouters medestanders omdat hij zijn rol met verve gespeeld heeft, zijn tegenstanders omdat ze hem weer eens lekker van draaikonterij kunnen beschuldigen. Beide groepen zouden zwaar teleurgesteld zijn geweest als Wouter fractievoorzitter was gebleven.

Joop Wijn loog ook, althans tegen de kiezer toen hij zei in de kamer te willen plaatsnemen. Tegen de partijtop schijnt hij standvastig te zijn geweest in zijn bewering dat niet te willen. Nu hij geen minister wordt, verlaat hij de politiek. Hij wilde het toneelstukje dat zijn baas voor hem bedacht had – fractievoorzitter – niet uitvoeren.

Intuïtief ben ik geneigd meer sympathie te hebben voor Bos dan voor Wijn. Bos’ leugen past namelijk in het normale politieke patroon, die van Wijn niet. Bos voerde braaf het toneelstukje op dat van hem verlangd werd, Wijn stelde zich op als een nukkige diva.