Confrontatie met een kopje thee

768
In de multiculturele samenleving lijkt een enorme kloof te gapen tussen enerzijds Nederlanders die zich in hun identiteit bedreigd voelen en anderzijds kosmopolitische Nederlanders en allochtonen. De ene groep wil confrontatie, zo wil het cliché, de andere thee drinken. De oplossing ligt als altijd in het midden, maar politici kunnen beter een ‘gecontroleerde confrontatie’ aangaan, dan al te opzichtig het compromis zoeken.

Op 9 februari 2006 ging Dona Daria open, een fusie van vijf allochtone vrouwenorganisaties en het vrouwenhuis Rotterdam. Er was een fraai pand ingericht, de hapjes waren klaar en in een bijzaaltje stond een groep nerveuze meisjes in klederdracht gereed voor een dansje. Toen was het woord aan de wethouder, Marianne van den Anker, van Leefbaar Rotterdam (LR). Iedereen hield zijn hart vast. Wat voor verschrikkelijke dingen zou ze gaan zeggen?

Van den Anker maakte van haar hart geen moordkuil. Ze was blij dat de zes groepen nu eindelijk bij elkaar zaten, want dat was toch veel beter dan allemaal in eigen culturele kring blijven hokken. En als de groepen niet hadden willen meewerken, had ze toch echt de subsidies ingetrokken. De stemming raakte wat bedrukt, harde woorden pasten niet op een feestje. Pas toen Van den Anker vertrokken was, werd het gezellig.

Twee jaar later is iedereen aan de nieuwe situatie gewend. Met haar harde ingreep heeft Van den Anker bevolkingsgroepen bij elkaar gebracht die voorheen nauwelijks contact met elkaar hadden. Diezelfde Van den Anker werd door premier Balkenende op de vingers getikt, toen ze een verband legde tussen de islam en onrecht jegens vrouwen.

Dat was bij gelegenheid van een van de ‘islamdebatten’, de confronterende dialogen die het college onder leiding van LR met de moslimgemeenschappen in de stad was aangegaan. Daarvoor had het ook niet geschroomd Tariq Ramadan uit te nodigen, een moderne moslimfilosoof wiens standpunten niet altijd van controverse ontbloot zijn. Als er maar onverbloemd gedebatteerd werd. Die debatten brachten ook de opkomst van een nieuwe generatie jonge moslims en moslima’s, die niet bang waren zich verbaal luid te weren. Achteraf constateerden velen dat de toon van de discussie op gezette tijden behoorlijk onaangenaam geweest was, maar dat het wel louterend gewerkt had.

Subsidieclubje

Met de opkomst van het Fortuynisme heeft een grote groep mensen die zich gemarginaliseerd voelt, voor het eerst een competente stem in de politiek gekregen. En ze zijn boos, vooral op de PvdA, de partij die hen naar hun gevoel in de steek liet, omdat haar elite een nieuwe groep minderbedeelden ontdekt had die emancipatie behoefde.

Op gemeentelijk niveau was de doorbraak in Rotterdam het zichtbaarst. Leefbaar Rotterdam zette een toon jegens allochtonen die confronterend was, maar zette evengoed de openlijke racist subiet uit haar fractie (Michiel Smit van het latere Nieuw Rechts). De retoriek oversteeg vaak het beleid. De moskeekoepel Spior, bijvoorbeeld, werd weliswaar voortdurend denigrerend als ‘subsidieclubje’ werd weggezet, maar die subsidie werd niet ingetrokken. De roep daarom kwam pas nadat het college feitelijk al gevallen was door het wegzenden van wethouder Marco Pastors, de voorman van Leefbaar Rotterdam, en Spior daar wat al te opzichtig mee vergenoegd was. Het chronisch linkse Amsterdam heeft nooit geld willen uittrekken voor een moskeeplatform om moslims eenduidig te kunnen benaderen.

Inmiddels zit er in Rotterdam een nieuw college, waarin de PvdA de boventoon voert. GroenLinks-wethouder Orhan Kaya heeft Tariq Ramadan als hoogleraar naar de Erasmus Universiteit gehaald, tot groot ongenoegen van LR. Wat een paar jaar geleden een nuttig instrument leek, is nu verdacht geworden. Dat kun je hypocriet noemen, maar er valt wel wat voor te zeggen. LR moet nu eenmaal alle mogelijkheden aangrijpen om haar achterban het gevoel te geven dat ze vertegenwoordigd wordt. Toen een PvdA-raadslid ondanks het idee opperde om op het Afrikaanderplein, in het hart van arbeiderswijk Feijenoord, een standbeeld neer te zetten voor de gastarbeider, pleitte LR in plaats daarvan voor een standbeeld voor de verdreven Nederlander.

In feite doet LR daarmee precies hetzelfde als de PvdA in de vorige periode: het reflexmatig en verontwaardigd opnemen voor de groep die zij wil emanciperen. De toon van het maatschappelijke debat (buiten de raadszaal) lijkt verzacht, omdat de achterban van LR niet over Spior-achtige middenveldstructuren beschikt of de steun van een intellectuele elite die de media kan mobiliseren. Maar dat maakt de onvrede er niet minder op.

Op landelijk niveau heeft het Fortuynisme, na het debacle met de inderhaast in elkaar geknutselde LPF, nog niet echt een stem gekregen. Rita Verdonk lijkt een goede kandidaat, al vallen vragen te stellen bij haar competentie, gezien haar falen bij het implementeren van een door een PvdA-er opgestelde vreemdelingenwet. Geert Wilders is wel competent, in de zin dat hij er namens zijn achterban goed in slaagt zijn punten op de politieke agenda te krijgen, maar is tegelijkertijd zo weinig pragmatisch dat zijn kansen daadwerkelijk iets gedaan te krijgen nihil zijn. Verdonk lijkt duidelijker te zien welke (internationale) rechtsregels de grenzen vormen van het denkbare.

Proefkamer

Aangezien Rotterdam de proefkamer is geweest van de confronterende aanpak van de multiculturele samenleving, is het goed om eens te kijken wat die benadering daar heeft opgeleverd. Dat beeld is zeker niet op alle fronten negatief. De belangrijkste constatering moet zijn dat het voor het daadwerkelijk gevoerde beleid niet bijster veel uitmaakt, mede door de aanwezigheid van CDA en VVD in beide coalities. Zij vormen een rem op al te wilde plannen.

Het belangrijkste resultaat lijkt te zijn dat een grote groep ontevreden autochtonen weer het gevoel heeft vertegenwoordigd te zijn. Zij hebben de retoriek van LR jegens de multiculturele samenleving niet als negatief ervaren, maar juist als een positieve boodschap over een samenhangende samenleving. Dat is een essentiële constatering: niet de noodzaak van samenleven zelf stond ter discussie, maar de manier waarop.

Voor de allochtonen was het uiteraard geen leuke tijd, maar ze hebben hem glansrijk doorstaan en zelfs nieuwe krachten opgedaan, met name doordat een nieuwe generatie de gelegenheid kreeg zich te manifesteren, op een manier die bovendien beter aansluit bij de manier van communiceren van de autochtone Rotterdamse wijkbewoners: recht voor z’n raap. Belangrijk daarbij was dat zij wisten niet alleen te staan. Er was een vocale oppositie in de gemeenteraad en de deelgemeenten waren bijna zonder uitzondering in linkse handen. Bij de volgende verkiezingen kon een omslag volgen (hetgeen ook gebeurde). Het is niet ondenkbaar dat juist de felle oppositie tegen LR haar islamdebatten tot een succes gemaakt hebben. Inmiddels is een omgekeerde situatie ontstaan, waarbij de druk weer even van de allochtonen af is, terwijl de LR-achterban reikhalzend uitkijkt naar de volgende verkiezingen, waarbij ze allicht weer het heft in handen krijgt.

Uiteraard is dit geen ideale situatie. Het ware beter als iedereen graag bij elkaar over de vloer kwam. Maar dat is niet zo. Een aanzienlijk deel van de allochtonen begeeft zich liefst in eigen kring, zich vooral om functionele redenen in de rest van de samenleving begevend. Een aanzienlijk deel van de autochtonen ziet haar traditionele leefwijze bedreigd, de wijk en haar school verkleuren, en constateert vanuit haar oogpunt terecht dat de samenhang vroeger beter was.

Haarfijn

De vraag is dan ook hoe om te gaan met verschillen van inzicht die voor tenminste een deel fundamenteel onverenigbaar zijn, tenzij je grootschalige mentaliteitsverandering als een optie ziet.

Rechts in de buurt van Geert Wilders zoekt het het liefst in het verwijderen van de nieuwe elementen uit de samenleving. Links heeft de neiging om het bestaan van een forse groep autochtonen met ressentimenten eerst te ontkennen en als dat niet meer kan te proberen haar te bestrijden. Vanuit de linkse benadering zouden ze dus eigenlijk niet moeten bestaan, mensen die de multiculturele samenleving niet zien zitten. Dat wordt door die mensen haarfijn aangevoeld en leidt tot vergelijkbare sentimenten van zich niet welkom voelen in Nederland.

De linkse noch de rechtse positie is realistisch. Beide groepen zullen blijven bestaan en vermoedelijk nog enige decennia cultureel onverenigbaar zijn. Beleid focust zich echter vrijwel exclusief op de allochtonen, zeker als links aan de macht is. Dat versterkt de boosheid van de autochtone groepen die zich, op wat voor manier ook, achtergesteld voelen. Integratiebeleid dat zich vooral op allochtonen richt, kan daardoor per definitie niet succesvol zijn, omdat een fiks deel van de ontvangende samenleving zich verzet.

Daar waar de maatschappelijke confrontatie bestaat, is het onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk dat die in de politiek gespiegeld is. Dat is precies wat zich in Rotterdam afspeelt. Het beleid komt weliswaar steeds ongeveer in het midden uit, maar de confronterende toon eromheen is een uitlaatklep. Het zou voor het beleid vermoedelijk niet zoveel uitmaken als de politieke partijen hun strijdbijl begroeven en gezamenlijk beleid gingen maken, maar dat zou ook de beruchte kloof tussen burger en politiek vergroten.

Waar verzoening op korte termijn geen optie is, is gecontroleerde confrontatie het beste alternatief. Het geeft beide groepen uitzicht op macht, in handen van politici die zich ondubbelzinnig aan hun zijde scharen. Dat vraagt van die politici niet zozeer dat ze zich inhouden, als wel dat ze regelmatig een kopje thee met elkaar drinken. Het zal niet altijd leuk zijn, maar het resultaat telt.

Eerder verschenen in de Linker Wang nr 1, 2008.
Ook verschenen op Allochtonenweblog en op Waterlog.