Een hardnekkig imago

992

‘The extraction industries, firms like Shell, got the message about political risk 30 years ago, but most of the Fortune 100 weren’t thinking this way until recently. Corporates in the tech area are among the worst, perhaps because their management is suffused with engineers.’

Ik knipperde even met mijn ogen, maar hij zei het echt, Ian Bremmer van consultancybedrijf Eurasia Group, in een speciaal katern van het tijdschrift The Economist over de risico’s van zakendoen in een gepolitiseerde omgeving. Dat knipperen kwam niet zozeer door het vooroordeel jegens ingenieurs uit de laatste zin – daar ben ik zo onderhand wel aan gewend – maar uit de tegenstelling die gemaakt wordt met de grondstoffenwinning.

In mijn beleving is mijnbouw, de industrie die het wel zou snappen, namelijk ook een vorm van technologie. De laatste keer dat ik ernaar keek bestond de raad van bestuur van Shell in meerderheid uit ingenieurs en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er in de rest van het bedrijf ook de nodige rondlopen. Als een overvloed aan ingenieurs in het management tot politieke ongevoeligheid leidt, hoe komt het dan dat Shell daar geen nadelen van ondervindt?

Toch maar eens kijken of ik me wat dieper in de belevingswereld van meneer Bremmer kan inleven, dacht ik. Het was absoluut een interessant artikel, over de invloed van politieke gevoeligheden op het reilen en zeilen van multinationale bedrijven. Je denkt dan onwillekeurig aan de problemen van Shell en BP met hun contracten in Rusland, of de talloze valkuilen van de Chinese markt. Maar ook het westen kan er wat, ondervond bijvoorbeeld het Indiase Mittal, toen het het Frans/Spaans/Luxemburgse staalbedrijf Arcelor wilde overnemen. Dubai Ports kreeg een veto toen het een paar Amerikaanse havenbedrijven wilde overnemen, domweg omdat het uit een Arabisch land kwam.

Eurasia Group is gespecialiseerd in het analyseren van de politieke risico’s van zakendoen in opkomende economieën. Olie en mijnbouw liggen overal extreem gevoelig, oordeelde Bremmer, dus wie zich daarin begeeft, moet rekening houden met interventies door al dan niet corrupte politici. Grijze gebieden zijn volgens Bremmer ‘technologie, commerciële luchtvaart, telecom, chemie en landbouw’.

Goed, met technologie wordt dus de informatietechnologie bedoeld. Dat wist ik natuurlijk wel, maar het maakt de opmerking niet minder merkwaardig. Zijn it-ingenieurs een ander soort ingenieurs dan mijnbouwers, laten we zeggen, ingenieurderige ingenieurs die als het ware de essentie van het ingenieurschap sterker met zich dragen? Of is een politiek gevoelige ingenieur iemand die zijn ingenieurschap ontstegen is, en de ongevoelige ingenieur daarom des te meer ingenieur?

Mijn neiging gaat uit naar het laatste. Een ingenieur is in de ogen van Bremmer per definitie minder ontvankelijk voor de subtiliteiten van politieke machinaties. Dus als hij zoekt naar een verklaring waarom it-bedrijven het relatief slecht doen, dan komt hij daarbij uit. Als leek zie ik echter een andere verklaring. Anders dan in de olie, luchtvaart of chemie is het centrale product van de it-industrie vaak intellectueel eigendom. Juist deze vorm van eigendom is in opkomende economieën vaak vogelvrij. De frustratie over geschonden rechten is in de it gewoon het grootst.

Gelukkig bood het artikel in The Economist op dit gebied lucht aan het eind van de tunnel. Naar mate lokale bedrijven minder pure productiefaciliteiten zijn en meer eigen producten ontwikkelen, krijgen ze meer tabak van kopiërende landgenoten. Dus beginnen ze te lobbyen voor wetgeving – en dat is doorgaans effectiever dan klagen door buitenlandse bedrijven, die toch als ‘fat cats’ gezien worden. In China is die beweging overduidelijk aan de gang. De it-industrie zal het politieke trucje ongetwijfeld snel leren.

Daarmee is de ingenieur natuurlijk niet verlost van zijn hardnekkige imago van sociale stuntel. Immers, als een managende ingenieur goed communiceert is hij een manager. Als een managende ingenieur slecht communiceert is hij een ingenieur.

Eerder verschenen in De Ingenieur nr 16, 2008.