Kangoeroeburgers zijn goed voor het milieu

1605
Hoogleraar Steven Levitt werd bekend met het boek ‘Freakonomics’, waarin hij onvermoede economische statistieken opdiepte. In ‘Superfreakonomics’ herhaalt hij dat kunstje. Het levert een leuke verzameling weetjes op, maar weinig diepe inzichten.

Aantonen dat er een verband is tussen gewelddadige televisieseries kijken en gewelddadig gedrag, is verrekte lastig. Tussen televisiekijken in het algemeen en crimineel gedrag bestaat echter een harde statistische correlatie. In de Verenigde Staten kregen niet alle steden tegelijkertijd televisie. De steden die het eerst tv kregen, hadden in 1970, toen iedereen het had, meer verhoogde misdaadcijfers.

Sterker nog, als je in al die steden kijkt naar kinderen die net voor of net na de introductie van het apparaat geboren zijn, dan valt op dat ieder jaar extra televisie voor het vijftiende levensjaar een vier procent hogere kans op arrestatie wegens diefstal oplevert en een twee procent hogere kans wegens een geweldsdelict. In totaal zorgde de introductie van televisie voor vijftig procent meer diefstallen en een kwart meer geldsmisdrijven.

Dat is een boude bewering – en daar houdt Steven Levitt, hoogleraar economie aan de University of Chicago, van. Zijn eerste boek, ‘Freakonomics’, dat hij schreef samen met journalist Stephen Dubner, werd vermaard om het verband dat het legde tussen de legalisatie van abortus en de afname van misdaad. Daar lag wetenschappelijk onderzoek aan ten grondslag – waar inmiddels de nodige vraagtekens bij gezet zijn – maar de simpele versie sloeg in als een bom. Abortus is nu eenmaal een gevoelig onderwerp in de VS.

In ‘Superfreakonomics’ pikt het duo vier jaar na de eerste exercitie de draad op. Voor het geval de lezer zou gaan denken dat het mijden van televisie een goede zaak is, halen ze een voorbeeld uit India van stal, waar kabeltelevisie ook met horten en stoten over het land uitgerold werd. In het kielzog van de televisie ging het beter met de vrouwenrechten. In plaatsen waar televisie kwam, ging het aantal schoolgaande meisjes omhoog (op het percentage jongens had het geen invloed) en de gemiddelde gezinsgrootte nam af. Dat laatste heeft ook invloed op de waardering voor meisjes binnen het gezin.

Het leeuwendeel van het boek gaat over sociaal-economische onderwerpen. Straatprostituees met een pooier verdienen beduidend meer in minder tijd dan hun collega’s zonder, ook na aftrek van commissie. Uit analyse van de financiële handel en wandel van zelfmoordterroristen blijkt dat ze nooit een levensverzekering afsluiten – dat is niet zo gek, maar omdat de opsporing veel gebruik maakt van dit soort statistieken kan een terrorist zichzelf beter schuilhouden door juist wel zo’n verzekering af te sluiten. De toevoeging van fluoride aan het drinkwater scheelt de VS jaarlijks tien miljard dollar aan tandartskosten.

En zo gaat het door. Zwangere moslimvrouwen die ondanks de vrijstelling die de profeet hun heeft gegeven, toch meedoen aan de ramadan, lopen twintig procent meer kans op een kind met zicht-, hoor- en leerproblemen. Met name vasten tijdens de eerste weken van de zwangerschap kan ernstige gevolgen hebben voor het kind. Als ergens op de wereld de dokters in staking gaan, leidt dat tot een significante afname van het aantal sterfgevallen. De verklaring voor dit laatste is niet helemaal helder, maar het lijkt erop dat mensen met niet-ernstige aandoeningen extra risico’s lopen als ze onder behandeling komen, terwijl mensen met ernstige ziekten sowieso sterven, behandeling of niet.

Het laatste van de vijf hoofdstukken gaat over milieuzaken, met opnieuw een optocht van feitjes, zoals: vee voor menselijke consumptie is wereldwijd verantwoordelijk voor vijftig procent meer broeikasgassen dan de hele transportsector bij elkaar. Het zou enorm schelen wanneer de kangoeroe de koe zou verdringen als populairste vlees. Kangoeroescheten bevatten namelijk geen methaan, een veel erger broeikasgas dan kooldioxide. Er wordt gewerkt aan een variant op de kangoeroedarmbacterie die ook in de koe overleeft.

Het mag duidelijk zijn dat de door Levitt en Dubner aangedragen wetenschap vooral geselecteerd is op curiositeit, niet op relevantie. ‘Superfreakonomics’ is uiteindelijk niet meer dan een verzameling losjes aan elkaar geprate columns met opmerkelijke statistische weetjes. Leuk om te lezen en handig om een paar van paraat te hebben op feestjes.

Steven Levitt en Stephen Dubner, ‘Superfreakonomics’. Allen Lane, 2009.