Paterson is een hele lieve film

Er is een genre films dat alleen maar lief te noemen is. Denk Nebraska, denk The straight story, denk de Paul Auster films Smoke en Blue in the Face. Films waarin aardige mensen door het leven sukkelen, een droom achterna jagen zonder dat die werkelijk in zicht komt. Films waarin doorgaans helemaal niks gebeurt, maar zich aan het eind toch een minuscule climax voordoet. Paterson is zo’n film.

Paterson is buschauffeur. ‘s Avonds en in de lunchpauze schrijft hij niet zo heel sterke gedichten in de stijl van William Carlos Williams. Hij houdt heel veel van zijn vriendin Laura, en zij van hem. Laura hoopt rijk te worden met cupcakes die prachtig ogen, maar niet erg eetbaar zijn. Ze hebben een chagrijnige buldog genaamd Marvin. Als hij Marvin ‘s avond uitlaat, neemt Paterson een biertje in de plaatselijke bar, waar het stikt van de aardige mensen die niet altijd even handig zijn in de omgang. Af en toe is er in de bar sprake van enige consternatie.

Dat is het wel zo’n beetje. De film volgt Paterson gedurende zeven min of meer identieke dagen. Niet afgeleid door een plot krijg je als kijker van regisseur Jim Jarmusch (die nog een rol speelde in Blue in the Face) alle tijd om de details in je op te nemen. Op de eerste dag, bijvoorbeeld, vertelt Laura dat ze gedroomd heeft over een tweeling die ze zullen krijgen. De daaropvolgende dagen komt Paterson telkens tweelingen tegen. Opwindend is het allemaal niet. Maar je gaat wel met een fijne glimlach naar huis.