Max Frisch: Homo faber

Homo faber van Max Frisch geldt als een van de hoogtepunten van de naoorlogse Duitstalige literatuur. Dat komt door de rijkheid aan thema’s die Frisch aansnijdt: kunst en technologie, weemoed naar de jonge jaren, ratio versus emotie, Griekse mythologie, toeval en lot. Over dat laatste struikelde ik. Het was allemaal wel heel geforceerd.

Walter Faber is een wijfelmoedige ingenieur van vijftig jaar, die als een soort James Bond grote aantrekkingskracht uitoefent op 25 jaar jongere vrouwen. Hij overleeft in Mexico een vliegtuigongeval met een man die de broer blijkt te zijn van een studievriend. Ze gaan samen naar Guatemala, waar de studievriend zelfmoord blijkt te hebben gepleegd. Later op een schip naar Europa ontmoet Faber een jonge vrouw die de dochter blijkt te zijn van wie hij niet wist of hij die had. Al die tijd verlangt hij wanhopig terug naar zijn jeugdliefde Hanna, terwijl hij kennelijk nooit eerder de behoefte heeft gevoeld haar op te sporen.

Enfin, er trekt een spoor van psychologische ongerijmdheden en toevalligheden door deze roman. Betekenisvolle passages en nodeloos (seksistisch) gebabbel wisselen elkaar moeiteloos af. Wat voor Max Frisch pleit is dat hij me niettemin 200 pagina’s lang geboeid heeft. Het las lekker weg, terwijl Duits niet mijn beste taal is. De vertelvaardigheid van Frisch heeft de tand des tijds doorstaan, maar voor het verhaal geldt dat, vrees ik, niet.