Vier keer Moldaviet: Neruda, Hostovský, Šindelka, Kriseová

Er zouden meer series moeten zijn als de Perlouses en Moldaviet van uitgeverij Voetnoot, mooie reeksen korte verhalen en novellen die een staalkaart bieden van een literaire cultuur, in genoemde gevallen de Franse en Tsjechische. Omdat ik een poosje in Praag gewoond heb, volg ik met name de Moldaviet met grote belangstelling, al liet ik de jongste vier delen veel te lang in de kast staan voor ik ze las.

Praagse kleine luyden is een novelle van Jan Neruda uit 1877, over een rechtenstudent die naar een rustige buurt denkt te verhuizen, zodat hij zich op een belangrijk examen kan voorbereiden. Al snel blijkt het grote huis waar hij een kamer huurt een web van kluchtige intriges te zijn waar hij onvermijdelijk in verstrikt raakt (en ook een beetje omdat hij niet zo heel veel zin heeft in zijn examens). De thematiek is enigszins gedateerd, maar de vertelwijze van Neruda is in de vertaling van Kees Mercks opmerkelijk eigentijds.

De Missie van Egon Hostovský speelt zich af in de eerste dagen van de Tweede Wereldoorlog. Spion Jan krijgt opdracht de belangrijke Albert uit Parijs te smokkelen, met als randvoorwaarde dat diens vrouw Marie en dochter Lize beslist niet achtern mogen blijven. Het gaat voorspoedig, totdat duidelijk wordt dat Albert weliswaar niet van plan is Marie in de steek te laten, maar dat het omgekeerde niet geldt. Het jammere aan dit verhaal is dat Hostovský in de loop van zijn vertellings steeds meer begint te jakkeren. Ik zeg het niet vaak, maar dit verhaal had wel een novelle mogen zijn.

Controversieel

In Blijf bij ons schetst Marek Šindelka de teloorgang van de relatie tussen een televisiepresentator en zijn vriendin tijdens een uitje naar het buitenhuis van een vriend. Geschreven op de vlotte, cynische toon die je van een 27-jarige auteur kunt verwachten. Šindelka is getalenteerd, maar meer dan dat toont dit verhaal niet aan.

Eda Kriseová legde de laatste hand aan De Naam op de dag dat in Praag de fluwelen revolutie uitbrak, die een eind zou maken aan haar publicatieverbod van twintig jaar. De hoofdpersoon van De Naam heeft ook een publicatieverbod. Zijn boek over de slag bij Hradec Králové is niet controversieel, dus op zich zou het kunnen verschijnen. Daarom vraagt hij zijn buurvrouw, een studiegenote die zich in 1968 op de vlakte heeft gehouden, of zij het onder haar naam wil publiceren. Mensen zullen wel begrijpen dat zo’n onbeduidende vrouw niet dit boek geschreven kan hebben, zodat hij later alsnog de credits kan opeisen.

Het loopt anders. Mensen geloven het wel, en de buurvrouw blijkt helemaal niet onbeduidend. Langzaam dringt tot de historicus door dat hij zijn boek werkelijk kwijt is, zodat hij een steeds diepere haat jegens de vrouw ontwikkelt, waarmee hij echter vooral zichzelf heeft. Van het viertal boekjes is deze novelle verreweg de beste. Een relevant thema, twee interessante personages, en een ingenieus maar geloofwaardig plot.