Kees Versluis: Altijd zondag

De afrekening met de beklemmende gereformeerde jeugd is een erkend, maar ook sleets subgenre in de Nederlandse literatuur. Ik begon daarom enigszins sceptisch aan de roman Altijd zondag van mijn goede vriend Kees Versluis. Al snel bleek echter dat de flaptekst van de uitgeverij de lading volstrekt niet dekte. Het is een tragikomisch verhaal over een gezin dat niet zozeer strikt gelovig is, als wel volstrekt disfunctioneel.

Moeder is een borderliner die haar bed niet uitkomt, totdat ze houvast vindt bij de Gereformeerde Bond (die zich overigens aan de milde kant van het orthodox-christelijke spectrum bevindt), aanvankelijk tot vreugde van de rest van het gezin. Naar mate ze haar overtuigingen begint op te dringen valt het gezin echter uit elkaar. Vader trekt zich terug in zijn werk. De twee lamlendige pubers Bram (de ik-verteller) en Daan proberen zichzelf zoveel mogelijk aan alles te onttrekken, zowel de geloofsijver van hun moeder als de pogingen van hun vader om hen liefde voor het zeilen bij te brengen.

Geloofsgenoten

Terwijl de moeder continu het conflict met de vader aangaat over diens te vrijblijvende geloof, klooien Bram en Daan maar wat aan. Moeder probeert weliswaar hun een beklemmende gereformeerde jeugd op te dringen, maar slaagt daar zeer beperkt in. Verplicht twee keer per zondag naar de kerk lukt tot op zekere hoogte, maar ze hoeven niet naar een streng gereformeerde school. Dus ja, het gaat veel over het geloof, maar evengoed over de mislukte emigratie naar een land met een lagere belastingdruk, het houden van kippen, de Russen, biologisch voedsel en andere zaken die de kleine burgerij in de jaren tachtig bezig hielden.

Vanaf ongeveer de helft krijgen de twee broers een eigen karakter. Bram gaat de confrontatie aan met zijn moeder, Daan denkt (net als zijn vader) dat je het daarmee alleen maar erger maakt en trekt liever zijn eigen plan. Als lezer voel je ook mee met de eenzame moeder, die geen aansluiting vindt bij geloofsgenoten en ook haar gezin voelt wegglippen, hoe hard ze naar eigen inzicht ook probeert iedereen op het rechte pad te houden, tot ze aan het eind helemaal ontspoort.

Versluis heeft de roman geschreven in 67 korte hoofdstukken, die zijn journalistieke achtergrond verraden: het zijn allemaal passages met één onderwerp, een kop en een staart. Er wordt veel geobserveerd en weinig geoordeeld. Bij vlagen is het verhaal hilarisch, maar de tragiek werpt altijd een schaduw. Vier machteloze mensen die tot elkaar veroordeeld zijn, maar er niet in slagen samen te leven. Dat had beter in de flaptekst kunnen staan.