
Omdat ik zelf van de Eppo-generatie ben, ken ik de voorganger van dat striptijdschrift, Pep, alleen uit de verhalen. Pep heette de bakermat van de Nederlandse stripcultuur te zijn, waar grootheden als Dick Matena, Martin Lodewijk, Lo Hartog van Banda en Peter de Smet konden experimenteren. Tot die tijd waren er alleen de Toonder Studio’s, die tekenaars in een stramien stopten met beperkte ruimte voor eigen inbreng.
Nu kende ik de belangrijkste strips uit Pep wel, omdat die later door Oberon in albumvorm zijn uitgegeven, maar pas door het geschiedschrijving van Ger Apeldoorn, De jaren Pep, kreeg ik meer gevoel bij het blad. Apeldoorn heeft puik werk afgeleverd, maar de bottom line is toch: Pep was helemaal niet zo revolutionair. De ruimte ontstond omdat de formule van het blad zwabberde.














