Persoonlijke portfolio

Bam bam, my baby shot me down

‘Welcom to Bam’ stond er nog altijd op een vrolijk bord bij het binnenrijden van de stad, een mooi plaatje erbij van de beroemde citadel. Die citadel, opgetrokken uit bakstenen bijeengehouden door stro en modder, was nu weg, net als de rest van de stad, sinds de aardbeving van een half jaar geleden, die aan 20.000 mensen het leven kostte.

Niemand vertelt je ooit hoe een stad er een half jaar na een aardbeving eruit ziet, als het werk van de medici en doodgravers gedaan is, en de ingenieurs aan de beurt zijn. Ik wist dus niet wat me te wachten stond toen ik me door een oude bus liet afzetten op de rotonde aan de rand van de stad – het busstation bestond niet meer.

Lees verder Bam bam, my baby shot me down

Het einde van de shalvar

000a21

Volgestouwd met dorpelingen reed het minibusje over een redelijk rechte weg door bergachtig gebied in Oost-Turkije, op het dak drie fonkelnieuwe ijskasten, nog in het krimpfolie van de fabriek, en een apathische geit. Binnen klonk snerpende Koerdische muziek. De chauffeur hield zijn linkerhand – die met de sigaret – aan het stuur, terwijl hij met de rechterhand zat te sms’en. ‘God is groot’ stond in sierlijke plastic letters op de voorruit, dus de kans dat er iets mis zou gaan was minimaal, maar de enige niet-dorpeling in het busje vroeg zich toch af of de bescherming van boven zich ook tot hem uitstrekte.

Ik vond een vreemde combinatie: een geit op het dak van een busje waarin iedereen druk met zijn mobieltje bezig was. Ergens had ik altijd vermoed dat de introductie van mobiele telefonie voorafgegaan moest zijn door een verbod op het vastbinden van geiten aan imperials. Hier dacht men kennelijk dat die twee dingen helemaal niets met elkaar te maken hadden. Rare boel.

Lees verder Het einde van de shalvar

Pesos voor de tandradbaan

000a19

Amechtig piepte Ascensor Artilleria zich een eind omhoog. Ik stak mijn hoofd door het raampje naar buiten en merkte het vuil tussen de zwarte olie van de tandradbaan op. De kabel die de kabine omhoog trok, zag er oud uit, net als de rest van het systeem. De vernis op het hout was dof uitgeslagen en het nepleer van de zittinkjes oogde plakkerig. Het was heet.

Met een schok kwamen we tot stilstand. Iemand deed het deurtje open. Via een dranghekje, waaraan je nog kon zien dat het ooit van chique glimmend koper geweest was, liep ik naar buiten. Naast het machinegebouw had ik een prachtig uitzicht over de haven en de stad. Er hing een wolk van zomerstof over de stad, maar met het blote oog zag ik nog zeker tien andere tandradbanen lopen. Ze zagen er niet allemaal zo romantisch uit. Eentje leek te zijn opgetrokken uit golfplaten, rood uitgeslagen van de roest.

Lees verder Pesos voor de tandradbaan

In de etalage

000a17

Nadat iedereen uitgestapt was, liep ik helemaal naar voren en veroverde zo de voorste plek in de Yurikamome, de onbemande monorail over de baai van Tokyo. Het werd een mooie reis naar het licht. Het oude haventerrein Odaiba was tegenwoordig een consumentenparadijs, met enorme warenhuizen, vermaakscomplexen en wat dies meer zij. In de avonduren, zoals nu, werd de horizon gedomineerd door de gekleurde lichten van het grote reuzenrad bij Palette Town, een van de gigantische architectonische hoogstandjes aan de baai. Ik had al veel moderne steden gezien, New York, Londen, Berlijn met zijn nieuwe Potzdamer Platz, maar dit sloeg in schaal werkelijk alles. Kortom, het was allemaal behoorlijk indrukwekkend.

Lees verder In de etalage

Broeders in de techniek

000a15

Allebei een hele fles wodka op, grijnsden de bardames van het hotel in Vladivostok, wijzend op het stel aan de andere kant van de bar. Pas getrouwd, uit Moskou, legden de dames nader uit. Zelf hadden ze ook niet de hele avond droog gestaan, merkte ik. Ze schoven een schaaltje met stukjes peer en chocola naar me toe. Kennelijk moest je dat eten bij sterke drank. Naast mij zat de juffrouw van de karaoke, die mij verzekerd had dat ze karaoke deed en niets anders. Het was een uur of drie ‘s nachts, schatte ik in, we waren de enige overgeblevenen. Ik had aan de treinreis een langzame jetlag overgehouden en was dus klaarwakker.

Lees verder Broeders in de techniek

Het lot van de fietsenmaker

000a13

Voor de tweede keer binnen een uur kwam er vervaarlijk gesis en gerommel onder de Landrover vandaan. Lekke band. We hadden de bewoonde wereld een halve dag geleden achter ons gelaten. Er was geen weg, alleen sporen van eerdere jeeps tussen de stenen en het zand. Redding was, met andere woorden, bepaald niet nabij. Allemaal uitstappen, gebaarde Fidel, de chauffeur.

Een uurtje geleden had hij in krap twintig minuten de auto opgekrikt, de reserveband van het dak gehaald, de banden gewisseld en de oude band terug op het dak gelegd. En dat allemaal bij temperaturen rond het vriespunt en een snijdende, kurkdroge wind. We stonden hier met z’n allen in een levensgrote vriesdroger. Voordat ik met de anderen als een groepje pinguïns ging samenscholen, vroeg ik Fidel wat er nu ging gebeuren. We hadden immers geen reserveband meer.

‘Vamos a pacharlo’, zei Fidel opgewekt.

Lees verder Het lot van de fietsenmaker

Op weg naar Coroico

Niet ver buiten La Paz ligt op 4600 meter hoogte een bergpas. Hiervandaan leidt een weg naar het Amazonebassin. De weg heeft een gemiddeld dalingspercentage van zes procent. Na een kilometer of twintig is het gedaan met de twee brede banen asfalt. In plaats daarvan slingert een smalle weg van stof en stenen zich langs een loodrechte bergwand. Als je hier over de rand gaat, beland je honderden meters dieper in het gebladerte en vinden ze je nooit meer terug.

Ik zat op een fiets en ging met een noodgang naar beneden, naar het plaatsje Coroico. Daar, zo was ons beloofd, zou het tropisch warm zijn, terwijl er op de pas nog sneeuw lag. Mijn handen, voortdurend aan de remmen, deden pijn van de klappen die ze moesten opvangen. Zitten was onmogelijk, ik moest de hele tijd staan op de pedalen, mijn dijen om het zadel klemmend. Een zonnebril hield het stof uit mijn ogen. Regelmatig kwamen er vrachtwagens naar boven. Dan was het snel een veilig heenkomen zoeken op een breed plekje.

Lees verder Op weg naar Coroico

Bericht uit Kadidiri

De Togians zijn een kleine eilandengroep in de golf van Tomini. Het is een uur of vijf varen vanuit Ampana, op het Indonesische eiland Sulawesi. Ampana ligt op zeven uur hobbelen van Poso, dat beschikt over een vliegveld en een ziekenhuis. Ik zit op Kadidiri, dat op zijn beurt een uur per prauw verwijderd is van Wakai, het hoofddorp op de Togians. Kadidiri bestaat uit weinig meer dan een klomp gestolde lava, een hagelwit strandje van enkele tientallen meters lang, een heleboel palmen en wat hutjes. Leven kost hier een tientje per dag, inclusief logies en alle maaltijden. Je moet natuurlijk niet ziek worden.

Lees verder Bericht uit Kadidiri