Reisaantekeningen

Winkelparadijs Andorra

Of ik mijn rugzak wilde uitpakken. Nee, niet een klein beetje, helemaal. De Franse douanebeambte deed het even voor, binnen de kortste keren lag mijn vuile was op de stoep van de grenspost. Laat niemand denken dat de grens tussen Andorra en Frankrijk geen serieuze zaak is. Tientallen flessen belastingvrije Pernod worden er dagelijks in beslag genomen, en zeker zoveel sigaretten, schat ik in.

In de zomer is Andorra ook een prima uitvalsbasis voor bergwandelingen. Lekker iedere avond terug naar je driesterrenhotel voor veertig euro per nacht. En, mocht je daar behoefte aan hebben, ongestraft meer Pernod kopen dan de Franse douane betamelijk acht.

1232

Na een tocht van bijna twaalf uur uit Porto Torres, Sardinië, kristalliseerde Barcelona gisteren aan het begin van de avond langzaam uit het tegenlicht. Eerst twee hoge torens, daarna een skyline met nog meer wolkenkrabbers en een kabelbaan en, als je goed keek, de ranke staken van La Sagrada Familia.

Toen begon het schip te wijken, naar het zuiden, het gruizige industriële havengebied, dat voor de stad verborgen gehouden wordt doordat Montjuic ertussen ligt. Ik voelde me bekocht. Op mijn ticket stond toch duidelijk dat ik naar Barcelona gebracht zou worden, niet naar de plaatselijke Botlek. We voeren de petroleum- en containerhaven binnen.

Daar gebeurde iets wonderlijks. We voeren door, terug naar de stad, binnendoor langs Montjuic, tot we alsnog aan de rand van de binnenstad belandden en ik vanaf het achterplecht Las Ramblas bijna zien kon. Niet zo mooi als een rechtstreekse intocht, maar nog altijd stukken beter dan Athene, waar de scheepganger in een troosteloze haven wordt losgelaten en dan nog een half uur bezig is om zich naar de stad te worstelen. Dan kun je net zo goed niet met de boot gaan.

1231

Het museo archeologico van Cagliari heeft het nodige aan potten en pannen uit de steen- en bronstijd. Sardinië was indertijd in de verre omtrek bekend als obsidiaan, vulkanisch glas dat lucratieve handel betekende (en dat beschermd met tientallen forten die ervoor zorgden dat Phoeniciërs en Grieken niet verder kwamen dan hun handelsvestigingen aan de kust). Er zijn ook talloze stenen en bronzen beeldjes.

Een daarvan trok mijn aandacht. Het leek wel een madonna met kind, al was het jongetje een jaar of zeven. Het kind keek verwachtingsvol omhoog naar zijn moeder, in wier gezicht een lichte wanhoop te lezen viel. Ruw uit brons gekneed, 3500 jaar oud. Fascinerend. Ik zocht naar uitleg. ‘Beeldje’, stond erbij in het Italiaans.

1230

Drie uur met de bus uit Palermo naar het zuiden en je bent terug in Griekenland. Een verkruimeld wit amfitheater, rechtstreeks uit de rotsen gehakt, kijkt uit over zee. Een Apollotempel levert strijd tegen de tijd. De tempel van Athene staat nog fier overeind, als integraal onderdeel van de kathedraal. De kerk hier claimt met trots de tweede ter wereld te zijn, na die van Antiochië.

Syracuse was een belangrijke stad in de oudheid, een zelfstandige staat die de pech had precies halverwege Rome en Carthago te liggen. Een intellectueel bolwerk ook, de thuisbasis van Pythagoras, om maar iemand te noemen. Ruïnes is alles wat er rest, behalve dus die Athenetempel, die net als de tempel van Zeus in de grote moskee van Damascus indruk blijft maken door haar standvastigheid: weinigen zien haar nog, maar ze is er wel. Een kerk van 2500 jaar oud, je wordt er toch even stil van als je binnenstapt.

(Iets vergelijkbaars eclectisch is zichtbaar in de Palatijnse kapel van het koninklijke paleis van Palermo, waar Moorse, Byzantijnse en nog weer latere mozaïekmakers een gezamenlijk stempel op gedrukt hebben, totaal verschillende stijlen die elkaar op de een of andere manier toch vinden.)

Voor het overige is Syracuse toch weer Italiaans, met okeren in plaats van witte steegjes, met daarlangs een erewacht van gietijzeren balkons, waaraan men niet, zoals in Napels, zijn was te drogen hangt, met een gelateria op bijna iedere hoek en met pizza altijd binnen handbereik.

Vesuvius in de smog

Twee veerboten verder – en korte stukjes met trein en bus – ben ik van Rhodos via Athene, Patra en Bari in Napels beland, bekend van pizza en wasgoed aan de balkons in de binnenstad. Chaos en schoonheid gaan hier hand in hand. Zelden een stad gezien die zo erg onder de graffiti zit en zijn waterfront zo weet te verpesten. Daar staat dan weer een archeologisch museum met topstukken uit Pompeï en Herculaneum tegenover. Napels, met al zijn verloederde monumenten, is een underachiever op toeristisch gebied. Ik ben dan ook niet van plan hier mijn eindtijd af te wachten. De volgende boot, naar Palermo, wacht.

1227

De gedachte was om na de ferry van Odessa naar Istanbul een boot naar Bodrum te nemen, maar die werd dit voorjaar helaas uit de vaart genomen, waarmee de laatste mogelijkheid verviel om uit Istanbul over het water de Aegeïsche Zee te bereiken. Dus werd het een bus naar Bodrum, dat ooit als Halicarnassus bekend stond om een van de zeven wereldwonderen, namelijk de graftombe van koning Mausolus.

Bodrum en Rhodos, waar je dan weer wel per schip kunt komen, zijn magneten van het massatoerisme. Dat betekent hordes in korte broek en bikini op straat, restaurants en souvenirwinkels tot je erbij neervalt en koortsachtig werkende autochtonen, die maar drie maanden in het jaar hebben om het geld binnen te roeien en ook merken dat de spoeling dit jaar dunner is. Gelukkig is de oude stad van Rhodos een Unesco-monument, zodat ondanks alles de charme hardnekkig in de straten blijft hangen.

Een wandelingetje langs het strand leert je wat de minimale afstand tussen twee strandstoelen is die mensen nog als comfortabel ervaren: twee armlengtes. Mensen gaan op zo’n stoel liggen en blijven daar dan de hele dag, net zo lang tot de slagschaduw van hun hotel als een zonnewijzer de tijd aangeeft om te gaan douchen en het nationale restaurant op te zoeken – die waar ze de moeite hebben genomen om het menu in jouw taal te vertalen en er een paar woordjes van te spreken, jouw vlag aan de gevel te hangen en aan de muur een stelletje klompen, een gehoornde helm of noem maar op. Het blijft een fascinerend gezicht waar ik graag een poosje naar mag kijken.

1224

Vanmiddag stond bij de McDonald’s in het hartje van Chisinau een kerel met een grote indianentooi op zijn hoofd fanatiek de panfluit te bespelen. Hij en zijn maat hadden nogal wat publiek, dat ervoor gekozen had de zondagmiddag op en neer Stefan cel Mare te flaneren, de boulevard waaraan alles in de stad gebeurt, van ijsjes eten tot het land regeren.

De stad is rustig. Politie is alleen bij de ambassades aanwezig. De regeringsgebouwen zijn met gloednieuwe, glimmende hekwerken afgezet. Niets wijst erop dat in dit land momenteel de duimschroeven aangedraaid worden om ervoor te zorgen dat de communisten de verkiezingen aan het eind van deze maand winnen. Die zijn nodig omdat de verkiezingen van april tot een patstelling leidden.

Lees meer Op straat in Chisinau

1223

In een grijs verleden is Iasi ooit nog eens een paar jaar de hoofdstad van Roemenië geweest. Nog vlak voor de oorlog kon het bogen op vijf universiteiten, bijna honderd kerken en nog meer synagogen. Die laatste zijn er niet meer, net als veel andere fraaie gebouwen uit de hoogtijdagen. In plaats daarvan is Iasi stedebouwkundig dichtgesmeerd met betonbouw die na enkele decennia al staat te verkruimelen.

Lelijk, veel anders kun je van de huidige stad niet zeggen. Lelijk, maar wel levendig. Talloos zijn de parkjes, pleinen en terrassen, zeker op zomerse dagen. Mijn eerste reflex, ‘snel weer weg hier’, heb ik onderdrukt om rustig op een bankje in het Copou park een boek te lezen, af en toe naar de spechten en boomkruipers te kijken en dan nog een slok ijskoud bronwater met veel magnesium te nemen.