Reisaantekeningen

De art nouveau van Oradea

Oradea, net over de Hongaarse grens in Transsylvanië, staat niet hoog op de toeristenbestemmingen van Roemenië en daarmee ook niet hoog op de restauratielijst. En dat is jammer, want er staat in het stadje een enorme hoeveelheid unieke art nouveau architectuur te verpieteren.

Het begin van herstel is er. Hotel Vulturul Negru en enkele andere grote monumenten zien er fris gepleisterd uit. Maar het blijft pijnlijk om aan een pand met verkruimelende mozaïeken een bordje te zien hangen: ‘Dit is het meest bijzondere art nouveau pand van Oradea’.

Londen, borough of Haringey

Ja, Londen is duur, maar je kunt de kosten behoorlijk drukken door de rand ervan als uitvalsbasis te kiezen. Rond metrostation Turnpike Lane, bijvoorbeeld, ligt een buurt waar de multiculturele middenklasse woont. Hotel voor vijftig pond per nacht inclusief ontbijt, keuze uit Turkse, Maleise, Indiase, Libanese en nog meer keukens voor de helft van West End. Afzakkertje in de Plovdiv Bar of The Queen’s Head. Kortom: een ontdekking.

Over de grens

De grens bij Tay Trang was sinds een paar maanden open, had ik op internet gelezen, dus ik hield een motorfiets aan en liet me er door de rijstvelden heen brengen. Bij de grenspost hield het asfalt op. Een paar lanterfanterende kinderen staarden me verbaasd na, terwijl ik het kantoortje binnenliep, waar twee beambten voorovergebogen over hun bureau lagen te dutten. Ook op hun gezichten ongelovige blikken, toen ik verzocht mijn paspoort te stempelen. Exit Vietnam.

Laos begon als een pad van modder en steenslag. Na een paar kilometer door de motregen kwam ik bij een hypermoderne grenspost: enorm gebouw, barakken eromheen, spiegelgladde parkeerplaats voor zeker honderd auto’s en vrachtwagens. Het was volstrekt verlaten. Op de bovenverdieping vond ik een slapende ambtenaar, die zich snel aankleedde om mijn paspoort te stempelen. Welkom in Laos, zei hij erbij, en wees naar de hoek van het parkeerterrein waar een pad van modder en steenslag verder omlaag leidde. Ooit zou dit de belangrijkste weg tussen de hoofdsteden Ha Noi en Vieng Chian worden, maar nu lag deze vooruitgeschoven post van de moderne tijd er misplaatst bij temidden van het groen.

Lees verder Over de grens

Nieuw seizoen, nieuwe skin

926

Met frisse moed ga ik vandaag weer aan de slag, na de jaarlijkse zomerstop. Voor de gelegenheid heb ik de site een nieuw likje verf gegeven, met een beeld van de baai van Ha Long in Vietnam. De fotosectie geeft meer plaatjes van Ha Long, een van de visuele hoogtepunten van de afgelopen twee maanden.

Vastgelopen in de modder in Laos

Het avontuurlijke hoogtepunt was de pas geopende en ongedocumenteerde noordelijke grensovergang tussen Vietnam en Laos. Ik besloot het erop te wagen en vond aan de overkant een boerendorpje zonder enige faciliteiten of engelssprekenden, maar wel met heel veel modder.

Een geïmproviseerde tocht van een volle dag bracht me weer in de volgens reisgidsen bewoonde wereld, langs dorpjes zonder elektriciteit (maar met mobiel bereik), riviertjes zonder bruggen en vooral heel veel modder. Op de foto rechts staat mijn ‘bus’, die moet wachten tot de tegenligger uitgegraven is. Het volledige verhaal heb ik op Lonely Planet gezet.

De onzichtbaarheid van de dictatuur

913

Je – ik althans wel – bent altijd geneigd te denken dat leven in een erge dictatuur de samenleving een totaal ander aangezicht geeft. Dat klopt uiteraard niet, bleek weer eens toen ik gisteren de grens met Birma overging. Vietnam en Laos zijn ook dictaturen, natuurlijk, en noch Thailand noch Cambodja is echt democratisch, maar toch had ik het idee dat ik in Birma iets volstrekt anders zou aantreffen.

Nee, dus. Ik deed mijn best een scherp contrast te zien, maar het lukte niet goed. Ja, de douaniers hadden een handeltje opgezet door mensen die niet in dollars maar in Thaise baht wilden betalen voor hun grensdocument, vijftig procent meer te rekenen. Daar was ik moeiteloos omheen gezeild. In de bazaar waren meer nepgoederen verkrijgbaar dan aan de Thaise kant.

Daarom besloot ik buiten de gebaande toeristische paden te treden en lukraak een eind te gaan lopen, de zijstraatjes van het stadje Tachilek in, en verder het platteland op. Het viel me op dat ik alleen maar monniken van onder de vijftien jaar zag – of nee, daar toch een paar ouderen. Het openbaar vervoer reed, mensen zaten bij standjes wat te eten of plantten jonge rijst – niets was zichtbaar anders onder de dictatuur.

Dit is het gewenste gezicht van het land. Al het andere blijft zorgvuldig verborgen. Daarvoor moet je het nieuws lezen. Terwijl ik wat rondbanjerde sprak een VN-afgezant met monniken. Maar of dat meer opleverde dan mijn nieuwsgierige blikken is niet duidelijk.

Hoe het balletje rolt

910

Terwijl de regen in verschillende gradaties van gestaag neerdaalt tussen het internetcafé en het gesloten postkantoor, kijk ik nog eens goed naar het bordje: Entreprise des Postes Lao, province de Louangnamtha. Zoals ik al zei, de francophonie is hier in de buurt nog redelijk op orde. Alle overheidsbedrijven – en dat zijn er in dit land nogal wat – gebruiken Frans als ze zichzelf in latijns schrift op de gevel presenteren.

Toch gaat het Franse erfgoed het hier niet redden. Geen enkel restaurant heeft een menu in het français. Projecten van de Europese Unie zijn hier voorzien van een engelstalig naambordje. Alleen de baguette houdt moedig stand.

Gisteren liep ik tijdens de schemering een van de achterafstraatjes van Luang Nam Tha (engelse transliteratie…) in, waar locals zich na een dag hard werken ontspanden, begeleid door een koor van krekels en kikkers. Kinderen speelden op straat, volwassenen stonden zich in hun ondergoed te wassen in de voortuin, een paar tieners hadden de ghettoblaster luid aanstaan met slappe Laotiaanse gangsterrap.

En toen zag ik een paar jongeren pétanque spelen, niet zomaar op een veldje, maar in een overduidelijk speciaal voor dat doel aangelegde gravelbak. Ze waren behoorlijk fanatiek. Er is nog hoop voor La Patrie.

Roep ‘oorlog’ en win de verkiezingen

909

De verkiezingen in Cambodja, waar ik het campagnestaartje van meemaakte, zijn zoals verwacht gewonnen door de communisten van zittend premier Hun Sen. Zij haalden volgens de voorlopige uitslag 91 zetels, tegen 26 voor de liberale SRP. De nieuwe Mensenrechtenpartij, de eerste Cambodjaanse partij met leden die hun eigen leiding mogen kiezen, haalde drie zetels en is daarmee de op twee na grootste. Vier partijen hebben protest aangetekend tegen de uitslag, al staat vast dat de communisten werkelijk populair zijn.

Opmerkelijk is de manier waarop Hun Sen zijn partij een boost wist te geven, namelijk door een bijna-oorlog met Thailand. Het ging om de Preah Vihear tempel. Die ligt in een door de VN aan Cambodja toegewezen gebied, dat door Thailand geclaimd wordt. Beide landen waren het er echter over eens dat de tempel Werelderfgoed dient te worden. Dat kwam vlak voor de Cambodjaanse verkiezingen rond – een fijne reden voor een nationalistisch feestje.

In de aanloop daarnaartoe organiseerden Thaise oppositiepartijen demonstraties aan de grens bij Preah Vihear, omdat de regering de Thaise belangen zou verkwanselen door instemming met de werelderfgoed-aanvraag. Cambodja reageerde door de grens dicht te gooien. Thailand stuurde troepen, naar eigen zeggen om de demonstraties in de hand te houden. Cambodja stuurde troepen om de Thaise invasie te stoppen. De zaak liep zo hoog op dat de ASEAN-conferentie van juli nauwelijks aan Myanmar toekwam.

Inmiddels lijkt de zaak gesust. Hun Sen heeft de nationale zaak tegen de grote buur kunnen gebruiken om de verkiezingen te manipuleren. De Thaise regering heeft laten zien dat ze niet uit doetjes bestaat. En de democratie in Zuid-Oost Azië is weer eens de klos geweest.

Mottebaai? Kowotta? Powka?

908

Toen ik de vorige keer vanuit China Laos binnenkwam en in Luang Nam Tha belandde, werd ik overvallen door een weldadige rust. Deze keer geldt dat, komend uit Vietnam, in nog sterkere mate. Waar de Chinezen je grotendeels negeren, belegeren de even massaal aanwezige Vietnamezen je met vragen of je bijvoorbeeld in bent voor een ritje op hun motorbike, een flesje cold water of een postcard.

Zoniet in Laos. Toen ik enigszins hulpeloos door het minuscule dorpje vlak over de grens liep, kostte het moeite om iemand op de gedachte te brengen dat hij me voor geld op zijn motor zouden kunnen transporteren. Ik moest nadrukkelijk vragen om water en kaarten waren niet verkrijgbaar. Uiteindelijk belandde ik stuiterend over een modderpad veertig kilometer verderop in een dorpje met een guesthouse waar ze eigenlijk niet wisten wat ze met een westerse toerist aanmoesten.

Inmiddels een dag verder heb ik Luang Nam Tha bereikt, een van de grootste ecotoeristische trekpleisters van Laos. Maar ook hier maakt niemand zich druk. Als je een flesje water wilt, dan moet je het zeggen en dan sloffen zij wel naar de ijskast om het voor je te halen – zonder je vervolgens te tillen. Zomaar ongestoord over straat kunnen lopen, het is een verademing.

En toch. In die vier jaar is Luang Nam Tha enorm gegroeid. Houten huizen hebben plaatsgemaakt voor beton, er zijn straten aangelegd, rijstvelden verdwenen. Ook zie ik geen oude, in traditionele kledij gestoken vrouwtjes uit omliggende dorpen meer. Zij leurden indertijd wel. Met armbanden, kettinkjes, zelfgeborduurde tasjes en, op fluisterende toon, opium.

Tempel van de Literatuur

906

Als would-be literator ging mijn hart natuurlijk sneller kloppen bij het opmerken van de Tempel van de Literatuur op de kaart van Hanoi. Ik bedoel, een heuse tempel voor de letteren, compleet met vaten om wierookstokjes te branden, dat is nog eens de cultuur serieus nemen.

De tempel dateert uit 1070 en is gewijd aan Confucius, opsteller van de vroege canon van de Chinese literatuur. Sinds 1076 werden hier ook ambtenaren opgeleid. Poëzie was indertijd een belangrijk onderdeel van het curriculum. Als je geen fatsoenlijk gedicht kon schrijven, had de keizer niets aan je. Tegenwoordig bestaan er juist veel klachten over de taalvaardigheid van ambtenaren. Dat oude curriculum was zo slecht nog niet – al is een poëtische beleidsnota uiteraard ook niet per se toegankelijk.

De keizers van Hué

904

Anders dan Hoi An is Hué niet gespaard gebleven voor de bommen. En dat is jammer, want dit was de hoofdstad van de keizers van de Nguyen dynastie, die Vietnam tot 1945 regeerden, al dan niet onder Franse supervisie. De ooitmalige verboden stad is door zijn omvang nog wel indrukwekkend, maar die paar gereconstrueerde gebouwen geven slechts een beperkte indruk van de verdwenen grootsheid.

Gelukkig bleven de keizers niet hun hele leven binnen. Hun laatste jaren sleten ze in speciaal voor hen aangelegde parken buiten de stad, met hun vrouwen, eunuchen en concubines (dat kon in de honderden lopen). Tussen de paviljoens, geurige naaldbomen en vijvers overzagen ze de bouw van hun tombe. Na hun dood namen ze intrek in hun laatste huis, terwijl de entourage rouwde en een gezelschap rond de nieuwe keizer haar positie in de stad innam.

Die uitgebreide mausolea zijn gespaard gebleven, bizarre ommuurde sprookjeswerelden waarin keizers leefden die het al lang niet meer voor het zeggen hadden in hun land. Bao Dai, de laatste keizer, werd in 1945 hard uit alle sprookjes gewekt. Hij werd door de noordelijke communisten gedwongen tot aftreden en in 1955 nog een keer door de zuidelijke dictatuur. Vanuit zijn ballingsoord Parijs bleek hij tijdens de Vietnamoorlog zowaar bij zowel noorderlingen als zuiderlingen over het nodige gezag te beschikken. Hij stierf in 1997 en heeft een simpel graf in Parijs.