Interviews

Een extra nooddeur is goed voor de brandveiligheid, maar verhoogt de kans op inbraak. Het is een eenvoudig voorbeeld, maar het geeft goed aan dat het indammen van risico’s gepaard gaat met ongemakkelijke afwegingen. En als een deur al lastig is, hoe weeg je dan de risico’s in een chemische installatie of een kerncentrale? Daar komen informatici om de hoek kijken, zegt dr. Mariëlle Stoelinga, hoogleraar Kwantitatieve risicoanalyse in softwaresystemen aan de Radboud Universiteit.

Het is niet moeilijk om grote rampen aan te wijzen die zijn terug te voeren op kleine technische misrekeningen. De explosie van de space shuttle Challenger, bijvoorbeeld, die was terug te voeren op een rubber ring met beperktere temperatuurtoleranties dan gedacht. Of de programmeerfout die er in augustus 2013 toe leidde dat een elektriciteitscentrale in Ohio zichzelf uitschakelde, waarna een hele reeks van systeemgevolgen binnen enkele uren de sluiting van 256 centrales tot gevolg had. Tientallen miljoenen mensen en bedrijven in de Verenigde Staten en Canada kwamen zonder stroom te zitten.

Maar het voorkomen van rampen is niet de enige reden om aan risicoanalyse vooraf te doen. Het gaat net zo goed om een efficiënt beheer van technologie, bijvoorbeeld door preventief onderhoud of door systemen beter te ontwerpen. Die Amerikaanse stroomstoring zou nooit zo wijdverspreid zijn geraakt als het systeem expliciet ontwerpen was om het uitvallen van één centrale te doorstaan. Nu rolde één kleine misser als een sneeuwbal door het netwerk.

Lees meer Mariëlle Stoelinga: Veiligheid zit soms de veiligheid dwars

Het is nog grotendeels een raadsel waarom vogels zoveel soepeler en efficiënter vliegen dan de luchtwaardige constructies die ingenieurs bedenken. David Lentink werkt vanuit zijn eigen lab bij Stanford aan een dieper begrip. Dat moet tot betere ontwerpen leiden. ‘Maar we zullen niet snel een Boeing 777 met flappende vleugels zien.’

Pas sinds een jaar of twintig weten we hoe een vlieg erin slaagt in de lucht te blijven. Volgens de geldende modellen, zoals die voor vliegtuigen gebruikt worden, is het insect namelijk vijftig procent te zwaar om van de grond te komen. En dan lukt het de vlieg ook nog eens om uit stand op te stijgen en bizarre manoeuvres uit te halen.

Ander voorbeeld. De rosse grutto, een weidevogel met een gewicht van een halve kilo, vliegt in een week non-stop ruim 10.000 kilometer over de Stille Oceaan van zijn broedgebied in Alaska naar zijn overwinterplaats in Nieuw-Zeeland. Een drone met een vergelijkbaar gewicht is na een half uurtje wel leeg (en het moet niet teveel waaien).

Er valt, kortom, voor de luchtvaart nog heel veel te leren van dieren, denkt David Lentink, alumnus van de TU Delft en Wageningen RU, en tegenwoordig werkzaam aan Stanford University, waar hij een naar hem vernoemd lab bestiert.

Lees meer David Lentink: &?8216;Luchtvaart kan veel leren van vogels&?8217;

Steven Chu is na een periode als Amerikaans energieminister terug als wetenschapper op het subatomaire niveau. Hij houdt zich bezig met optische microscopen die de concurrentie met elektronenmicroscopen aankunnen. Een groot deel van zijn tijd steekt hij echter nog altijd in het uitdragen van de noodzaak om duurzame bronnen van energie te ontwikkelen en CO2 uit de atmosfeer te halen.

Twee keer per jaar is Nobelprijswinnaar Steven Chu in Nederland. Hij is lid van de science council van Shell, niet zozeer om zijn werk aan het koelen van atomen met lasers als wel om zijn progressieven standpunten op het gebied van duurzame energie, die hij uitdroeg als directeur van het vermaarde Lawrence Berkeley National Laboratory en als energieminister onder Barack Obama.

‘De science council adviseert Shell over de richting van het onderzoek’, vertelt Chu op een zonnige middag in Delft, waar hij voor een dag is neergestreken als gast van het Process Technology Institute. ‘Shell onderzoekt nieuwe wegen naar bronnen van duurzame energie. Ze hebben het ooit geprobeerd met zonne-energie. Dat is niet goed afgelopen, maar ze houden wel vast aan een duurzame koers. Natuurlijk is veel van het onderzoek op de korte termijn gericht op olie en gas. Dat is niet wat mij motiveert. Mij krijgen ze voor de visie op de lange termijn.’

Lees meer Steven Chu: ik ben techno-optimist geworden

Met ‘De grens van de mens’ schreef de Twentse hoogleraar filosofie Peter-Paul Verbeek een toegankelijk boek over de wisselwerking tussen ethiek en technologie. Tegelijkertijd is het een kritiek op beide werelden. Ingenieurs denken onvoldoende na over de consequenties van hun werk, terwijl veel ethici niet verder komen dan bezwaren mopperen. Techniekfilosofie zou de brug moeten slaan – vandaar een boek voor het grote publiek.

Het is een warme dag, dus prof.dr. Peter-Paul Verbeek loopt in een fleurig overhemd door het doolhof van het Cubicus gebouw op de UT-campus. In voorkomende gevallen trekt hij daar een min of meer passend colbertje bij aan – het uniform van een generatie die zich aantoonbaar niet wil laten leiden door oude conventies. Een visitatiecommissie die enige tijd geleden de door hem geleide opleiding kwam beoordelen, bevestigde dat beeld. Ze oordeelde dat er weliswaar niets mis was, maar constateerde ook dat de Twentse benadering van de filosofie zich, tegen de traditie in, wel heel erg liet leiden door de praktijk in plaats van de theoretische beschouwing. De opleiding droeg als het ware onvoldoende stropdas.

Verbeek, begeesterd: ‘Maar dat is toch juist het prachtige van de techniekfilosofie! Filosofen hebben de neiging om eerst een abstracte theorie op te stellen en die dan toe te passen op de werkelijkheid. In het geval van technologie dringt de werkelijkheid zich op aan de filosofie. Technologie stuurt het debat. Wij passen vaak geen bestaande filosofie toe op techniek, maar ontwikkelen nieuwe kaders omdat de oude kaders niet altijd voldoen voor nieuwe technologieën. Techniekfilosofie is per definitie pionierswerk, omdat je steeds voor nieuwe uitdagingen gesteld wordt.’

Lees meer Peter-Paul Verbeek: Ethiek moet naast de techniek lopen

De pensioengerechtigde leeftijd heeft hij inmiddels lange overschreden, maar Noor van Andel is still going strong. De superefficiënte draadwarmtewisselaar die hij bedacht, wordt inmiddels toegepast en hij zet zich in voor het concept van de zonneterp, een buurtschap dat de eigen nutsvoorzieningen helemaal zelf kan verzorgen. Het grootste struikelblok is niet de technologie, maar de regelgeving, die niet is opgewassen tegen radicale vernieuwing.

Granny’s Corner, een nep-traditioneel ingericht café in de plint van het ministerie van VROM. Noor van Andel schuift aan, in zijn hand de laatste editie van Nature, die hem als treinlectuur dient. Zojuist heeft hij de minister (‘die ken ik nog uit een commissie van Senter Novem waar we samen in gezeten hebben’) gesproken over zijn jongste geesteskind, de zonneterp. Dat pilsje heeft hij wel verdiend. Hij steekt van wal, op een manier die een grote routine verraadt.

Lees meer &?8220;Regelgeving werkt innovatie tegen&?8221;

Don Eigler is de man die met atomen schuift. In 1990 was hij degene die bedacht dat je met een Scanning Tunneling Microscope (STM) niet alleen atomen in beeld kunt brengen, maar ze ook kunt manipuleren. Toen hij met enkele tientallen Xenon-atomen het woord IBM schreef, ging dat plaatje de hele wereld over. Ook mensen die verder niets met de technologie hadden, waren gefascineerd: een mens kon individuele atomen op hun plek zetten.

Delft, een mottige donderdagmiddag in januari 2002. Don Eigler geeft een lezing. Zwarte bandplooibroek en overhemd met pen in het borstzakje, stropdas, snor, licht grijzend haar in een staartje bijeengehouden. Hij koppelt zijn laptop aan de beamer. Het bureaublad van zijn Windows is niet saai grijs of getooid met het logo van zijn werkgever IBM, maar toont zijn honden Argon en Neon, opvolgers van Xenon, die een poos geleden het tijdige voor het eeuwige verwisselde. De honden zetten een trend: dit gaat over meer dan alleen koele technologie.

Lees meer Het favoriete atoom van Don Eigler