U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Blogs in de categorie Technologie

In 2007 verkocht AkzoNobel zijn medische poot Organon in Oss voor elf miljard euro aan het Amerikaanse Schering Ploug, dat later opging in MSD. Drie jaar later al was sprake van ontslag van alle 2.200 werknemers, waarvan de helft in de R&D werkzaam was. Het ging eerst niet door, later grotendeels alsnog. Wat vandaag rest aan R&D in Oss is Pivot Park, een ‘biotoop’ voor startups in de geneesmiddelen waar MSD nog een klein aandeel in heeft. De productiefaciliteiten van Organon zijn inmiddels doorverkocht aan het Zuid-Afrikaanse Aspen Pharma en zijn toeleverancier voor anderen geworden, zonder grote noodzaak zelf te innoveren.

Kortom, toen Akzo een vijandig bod kreeg van zijn branchegenoot PPG, doemde het spookbeeld onmiddellijk op: patenten inleveren bij het nieuwe moederbedrijf, eigen R&D afbouwen en productie ten dienste stellen van anderen. Geen appetijtelijke toekomst voor een trots bedrijf, dat de boot in niet mis te verstane woorden afhield.

Ook minister Henk Kamp van Economische Zaken betoonde zich geen voorstander: ‘Gelet op de wijze waarop PPG de overname wil financieren en gezien de overlap in activiteiten is te verwachten dat het streven naar kostenreductie zal leiden tot het ter discussie komen van het hoofdkantoor in Amsterdam, de onderzoekscentra in Deventer en Sassenheim en de staffuncties in Arnhem.’

Lees meerAkzoNobel als nationaal belang

De stelling

Ancilla van de Leest, lijsttrekker van de Piratenpartij gaf een interview aan Vrij Nederland (betaald). Een van thema’s daarin is dat grote bedrijven en overheden samen de privacy van burgers ondermijnen. Enkele citaten:

Edward Snowden heeft aangetoond hoe groot de macht is van bedrijven als Microsoft, Yahoo, Amazon en Facebook en hoe diep ze doordringen in het persoonlijke leven. De overheid geeft zulke multinationals alle ruimte, in plaats van de burger tegen hun invloed te beschermen.

De verwevenheid van de overheid met grote bedrijven als Facebook is het militair-industrieel complex in een nieuwe vorm.

Het probleem is dat het onderscheid tussen die bedrijven en de overheid steeds vloeibaarder wordt. Als de overheid rustig Facebook z’n gang laat gaan, als hogescholen en universiteiten via Googledocs documenten beschikbaar stellen, als de politie de burgers oproept om meldingen te doen via Whatsapp, een dochterbedrijf van Facebook, als de politie zelfs mobiele telefoons met Google Android krijgt, dan wéét je dat de overheid het prima vindt als onze informatie naar die bedrijven gaat. Terwijl de overheid onze burgerrechten hoort te verdedigen.

Maar zijn internetbedrijven en overheden werkelijk twee handen op één buik, zoals Van de Leest suggereert?

Lees meerInternetbedrijven zijn niet vergelijkbaar met het militair-industriële complex

Een complottheorie kun je met een paar biertjes op eruit flappen, maar je kunt er ook werk van maken, zoals Coen Vermeeren in 9/11 is gewoon een complot. Verplichte lectuur voor iedereen die wil weten hoe je zo’n redenering fatsoenlijk opzet.

Bouwers van complottheorieën hebben een grote voorsprong op hun (wetenschappelijke) concurrenten. Waar die laatsten geacht worden een sluitende redenering op basis van feiten op te zetten, hoeven de eersten slechts een los eindje te vinden om te beweren dat de complete conclusie niet deugt. Zelf hoeven ze niet zoveel te doen, want ja, daar hebben ze de middelen niet toe en bovendien zijn ze slachtoffer van machtige samenzweerders.

Het valt dus te prijzen dat Coen Vermeeren, directeur van het Delftse Studium Generale, niet over één nacht ijs gaat bij het ontvouwen van zijn samenzweringstheorie dat 9/11 niet door Al Qaeda gepleegd werd maar door (of in elk geval met medewerking van) elementen in de Amerikaanse overheid. In meer dan 300 pagina’s gaat hij systematisch alle rapporten en onderzoeken af om ze verdacht te maken.

Lees meerCoen Vermeerens superieure 9/11 complottheorie

Steven Chu is na een periode als Amerikaans energieminister terug als wetenschapper op het subatomaire niveau. Hij houdt zich bezig met optische microscopen die de concurrentie met elektronenmicroscopen aankunnen. Een groot deel van zijn tijd steekt hij echter nog altijd in het uitdragen van de noodzaak om duurzame bronnen van energie te ontwikkelen en CO2 uit de atmosfeer te halen.

Twee keer per jaar is Nobelprijswinnaar Steven Chu in Nederland. Hij is lid van de science council van Shell, niet zozeer om zijn werk aan het koelen van atomen met lasers als wel om zijn progressieven standpunten op het gebied van duurzame energie, die hij uitdroeg als directeur van het vermaarde Lawrence Berkeley National Laboratory en als energieminister onder Barack Obama.

‘De science council adviseert Shell over de richting van het onderzoek’, vertelt Chu op een zonnige middag in Delft, waar hij voor een dag is neergestreken als gast van het Process Technology Institute. ‘Shell onderzoekt nieuwe wegen naar bronnen van duurzame energie. Ze hebben het ooit geprobeerd met zonne-energie. Dat is niet goed afgelopen, maar ze houden wel vast aan een duurzame koers. Natuurlijk is veel van het onderzoek op de korte termijn gericht op olie en gas. Dat is niet wat mij motiveert. Mij krijgen ze voor de visie op de lange termijn.’

Lees meerSteven Chu: ik ben techno-optimist geworden

Meer mensen op de wereld hebben een mobieltje dan toegang tot drinkwater, laat staan tot een toilet. In die zin kun je de digitale revolutie dus zeker een succes noemen. Er zijn ook legio voorbeelden te geven van mensen die zich dankzij internet aan de armoede hebben kunnen ontworstelen, bijvoorbeeld omdat ze op afstand de prijzen van gewassen kunnen bijhouden en op grond daarvan betere beslissingen nemen wat te verbouwen of wanneer te oogsten.

Maar, zo vroeg de Wereldbank zich af, als je er van een afstandje naar kijkt, los van de individuele successen, zijn samenlevingen als geheel er wat mee opgeschoten? En dan blijkt er nogal wat af te dingen op het succes, stelt een lijvig rapport, Digital Dividends, dat onlangs verscheen.

Lees meerInternet vergroot de ongelijkheid

Autobanden zijn complexe constructies, waarbij materiaalkeuze van grote invloed is op de veiligheid, zuinigheid en geluidsproductie van de wagen. Het Tire Road Consortium, waarin de UT samenwerkt met partners in de auto-industrie, onderzoekt de wisselwerking tussen band en wegdek. Er is nog een grote potentie voor verbetering.

Autobanden bestaan uit rubber, dat flexibiliteit geeft, en een vulmiddel voor de stevigheid. Van oudsher wordt als vulmiddel roet gebruikt – vandaar de zwarte kleur. Tegenwoordig is silica (heel fijn glaspoeder) in zwang, omdat dit de rolweerstand van de band aanzienlijk verlaagt, waardoor aanzienlijk minder brandstof nodig is tijdens het rijden. Tegelijkertijd wordt de band er niet harder door, zodat de remweg gelijk blijft, of zelfs wat verkort wordt. De precieze samenstelling van rubber en vulmiddel, en de onderlinge verhoudingen, zijn cruciaal voor de prestaties van de band.

‘Als je rijdt, en het rubber vervormt teveel, bijvoorbeeld omdat het op nanoschaal niet goed hecht aan het vulmiddel, dan faalt de band op allerlei fronten’, legt dr. Wilma Dierkes uit. Zij is, na een carrière in de rubberindustrie, verbonden aan de onderzoeksgroep Elastomer Technology & Engineering van de UT. ‘Dat gaat ten koste van de brandstofzuinigheid, de veiligheid en de slijtagebestendigheid.’

De onderzoeksgroep bestudeert verschillende manieren om de prestaties van banden te verbeteren. Een van de onderzoekslijnen is de verbetering van de ‘coupling agents’, die de verbinding tussen rubber en silica verzorgen. Dit gebeurt met silanen, organische moleculen waarin silicium- in plaats van koolstofatomen de centrale rol vervullen. De vraag is welke silanen in welke verhoudingen het beste coupling agent opleveren, en hoe je de interactie met de vulstof het best tot stand brengt.

Gegeven bepaalde materiaaleigenschappen laat zich niet een op een voorspellen wat de eigenschappen zijn van de band die ervan gemaakt wordt (althans de toplaag, ‘het loopvlak’ dat in contact komt met het wegdek). Dit meer inzichtelijk maken is het onderwerp van een project dat de UT uitvoert in samenwerking met bandenfabrikant Apollo Vredestein, die ook in Enschede gevestigd is, en het Deventerse rubbertestbedrijf ERT, dat geleid wordt door een voormalig promovendus.

In een ander project is de partner VMI, een bedrijf dat vanuit Epe de wereld bedient met productiemachines voor rubberbanden. Het doel is hier betrouwbare meetapparatuur te ontwikkelen om de grip op een droge wegdek te bestuderen zonder dat er daadwerkelijk banden van gemaakt hoeven te worden en kilometers gemaakt (zie ook hieronder ‘Trillen op het wegdek’).

Vrachtwagens

Een hoofdstuk apart vormen vrachtwagenbanden, die nog altijd met name van natuurrubber gemaakt worden, omdat dit verreweg de sterkste rubber is, die bovendien bij intensief gebruik minder warm wordt. De warmte maakt de band zachter, waardoor hij sneller slijt en de rolweerstand toeneemt. Natuurrubber bindt echter slecht met silica, zodat de voordelen daarvan niet goed te benutten zijn. Dat komt weer doordat natuurrubber eiwitten bevat, die zich makkelijker aan de vulstof silica hechten dan de polymeren.

‘Onderzoek op dit vlak voeren we uit samen met de Prince of Songkla University in Thailand, dat de grootste producent van natuurrubber is’, aldus Dierkes. ‘De financiering komt van Apollo Vredestein en de Natuurrubberstichting, die Nederland nog kent uit de tijd dat het zelf vanwege zijn koloniën een van de grootste producenten was.’

De internationale component in het onderzoek is groot – er zijn wereldwijd praktisch geen academische groepen met vergelijkbare expertise en faciliteiten. Naast het Indiase Apollo, dat in 2009 Vredestein overnam en het onderzoek aan banden voor personenauto’s in Nederland concentreerde, werken ook bandenproducenten uit onder andere Japan (Yokohama) en Italië (Pirelli) met de Universiteit Twente samen.

De wereldwijde inspanningen op bandenonderzoek zijn groot. Dat is niet verwonderlijk, want betere materialen of ontwerpen kunnen zomaar een paar procent aan brandstofkosten schelen. Op de schaal van het autoverkeer gaat het dan al snel om miljardenbesparingen en veel minder uitstoot van CO2.

Recycling

Aan het eind van hun levensduur behoren banden tot een hardnekkig soort afval, die moeilijk te verwerken valt. Versnipperen en verwerken tot tegels voor kinderspeelplaatsen en dergelijke is een mogelijkheid, maar een erg hoogwaardige oplossing is dat niet. Bovendien is die markt niet erg groot.

Een grotere markt zou het bijmengen in asfalt kunnen zijn, om het wegdek geluidsarmer te maken. In experimenten daarmee wordt nu gebruik gemaakt van nieuw rubber, omdat hergebruikt rubber niet geschikt lijkt. Die mogelijkheid lijkt er in principe wel te zijn, blijkt uit een project dat momenteel in de beginfase zit. Ook dit is echter niet een heel hoogwaardige toepassing van gebruikt rubber.

Het alternatief is het rubber te devulcaniseren, ofwel het verbreken van de zwavelbruggen die het vloeibare rubber zijn vaste vorm geven, om het opnieuw te kunnen vormen. De Universiteit Twente pionierde tien jaar geleden met dit inmiddels commercieel toegepaste proces voor overtollig rubber van dakbedekkingen.

De synthetische rubbersoorten van autobanden zijn echter veel moeilijker te devulcaniseren. Met name het beheersen van de procescondities is lastig. En als het echt niet kan is flash liquefaction, een proces dat ooit bedacht is om houtafval om te zetten in vloeibare brandstof, mogelijk toepasbaar te maken voor rubber. Het doel is om de vulstoffen, silica en roet, terug te winnen. De resulterende olie is alleen bruikbaar als brandstof, maar dat is altijd beter dan storten.

In een hoek van het rubberlaboratorium staat een machine om de slijtage van rubber mee te meten, een met schuurpapier bedekte rol die langs een rubbermonster geschraapt kan worden. Het is de beste manier die op dit moment beschikbaar is om slijtage te meten zonder daadwerkelijk te gaan rijden over verschillende soorten wegdek. Daar is ongetwijfeld ruimte voor verbetering erkent Dierkes. Maar ook nu al zijn er meer dan genoeg vragen om de rubberonderzoekers van de straat te houden.


Trillen op het wegdek

Daar waar de band het wegdek raakt, ontstaat een veelheid aan trillingen. Allerlei factoren spelen daarbij een rol: de omwentelingssnelheid van het wiel, de elasticiteit van het wegdek, het profiel van de band, het weer (windsnelheid, regen, temperatuur), noem maar op. Die trillingen zitten tussen de 1000 en 2000 Hertz, precies het gebied waar het menselijke gehoor het gevoeligst is.

Net als bij de rubbersamenstelling geldt dat het samenspel der factoren zo complex is dat het moeilijk is van tevoren te voorspellen wat het geluidseffect van een band zal zijn. Toch is daar grote behoefte aan, want als je bijvoorbeeld tien potentiële profielen hebt en tien asfaltsoorten, is het houden van praktijkproeven extreem kostbaar.

Een van de projecten binnen het Tire Road Consortium betreft dan ook het maken van een computermodel om de geluidsproductie van banden te voorspellen. Uitgangspunt is een driedimensionaal model van de band, afhankelijk van de materiaaleigenschappen. Om het niet meteen te ingewikkeld te maken, rolt die band virtueel over een gestandaardiseerd oppervlak – en dan nog zijn de trillingen zo complex dat ze niet goed zijn door te rekenen. Het model maakt gebruik van gemiddelden over een langere tijd. De berekeningen worden vergeleken met de resultaten van praktijktests. Het blijkt goed te werken.

En is geluid nog maar één minder goed begrepen aspect van de interactie tussen band en wegdek. Zeker zo belangrijk is de grip van de band. Bij regen en ijzel wordt die minder, dat is wel bekend. Maar hoe precies? Waar voor het meten van geluid een microfoon volstaat, is voor grip niet eens duidelijk hoe je die exact zou kunnen meten. Om dat te ondervangen is een meetwagen ontwikkeld die continu de ruwheid en temperatuur van een asfaltlaag kan meten, tijdens proeven met verschillende banden.

Langzamerhand ontstaat zo een completer beeld van wat zich afspeelt op die paar vierkante centimeter die het raakvlak tussen band en wegdek vormen. Met de nadruk op langzamerhand.

Eerder verschenen in Magazine voor alumni en relaties Universiteit Twente n2, 2014

2008In ‘Faith and wisdom in science’ probeert Tom McLeish de discussie over geloof en wetenschap naar een hoger niveau te tillen door terug te grijpen op de tijd van Newton.

Hedendaagse discussies over de relatie tussen religie en wetenschap worden gedomineerd door types die niet alleen vinden dat de een superieur is over de ander, maar ook vaak dat beide elkaars tegenstander zijn. Meer gematigde lieden vinden dat ze elkaars terrein simpelweg niet moeten betreden. Nog gematigder lieden proberen compromissen te bereiken.

Alle drie de benaderingen vinden geen genade in de ogen van Tom McLeish, hoogleraar natuurkunde aan Durham University en praktiserend christen. In zijn boek ‘Faith and wisdom in science’ betoogt hij dat wetenschap net als religie voortkomt uit de menselijke behoefte zijn oorsprong te kennen en zijn omgeving te duiden. Aan religieuze scherpslijpers, die bijvoorbeeld de evolutietheorie verwerpen, maakt McLeish geen woorden vuil. Hij richt zich op de wetenschap, die volgens hem haar ‘verhaal’ is kwijtgeraakt.

Lees meerEen theologie van de wetenschap

2005In ‘The Knowledge’ legt Lewis Dartnell uit welke kennis de mensheid nodig heeft om na een catastrofe de beschaving sneller op te bouwen dan de eerste keer.

Aan boeken en films over een postapocalyptische wereld is geen gebrek. Zonder uitzondering gaan die over de periode niet lang na de catastrofe, waarin de mensheid overleeft op de restjes van de voorbije beschaving. Lewis Dartnell, onderzoeker aan de University of Leicester en auteur van talloze populair-wetenschappelijke artikelen en boeken, vraagt zich iets anders af: hoe moet het daarna? Als de laatste ondergrondse benzinetank en afgelegen supermarkt geplunderd zijn, hoe moet de mensheid dan verder?

‘The Knowledge’ is een gedachte-experiment van 300 pagina’s, waarin Dartnell systematisch nagaat welke kennis de mensheid nodig heeft om de beschaving opnieuw op te bouwen. Zomaar een herhaling van de eerste beschavingsronde kan dat niet zijn. Dat duurt lang en sommige dingen zijn simpelweg onmogelijk. De industriële revolutie, bijvoorbeeld, werd gedreven door de beschikbaarheid van goed toegankelijke fossiele brandstoffen. Die zijn er bij de tweede poging niet meer. De tweede beschaving moet daarom op duurzame energie tot stand komen.

Lees meerHandboek voor herbouw van de beschaving

Ruim twintig jaar geleden ging ik als jonge journalist van de universiteitskrant voor het eerst langs bij Wubbo Ockels, die toen net benoemd was tot hoogleraar aan de TU Delft. Ik kwam er niet aan te pas. Ockels vertelde wat hij kwijt wilde en mij restte niets anders dan netjes op te schrijven wat hij zei.

Heel wat jaren ervaring later sprak ik hem nogmaals, dit keer over de superbus. Dat mondde uit in een relletje, dat we nooit hebben uitgesproken, omdat onze paden nooit meer kruisten. Ik weet wel dat hij aanvankelijk onderstaand stuk over de superbus, dat ik in 2010 op verzoek schreef voor een toekomstspecial van Natuurwetenschap & Techniek, niet wilde lezen. Of hij het na aandringen van een bevriende redacteur alsnog gedaan heeft, weet ik niet.

Volgens mij staat in de laatste alinea’s van het stuk precies waar het bij Ockels om draaide: een heilig geloof in eigen kunnen, ook als dat enigszins overdreven was, waar anderen graag in meegingen omdat het te mooi was om niet waar te zijn.

Lees meerHet raadsel Wubbo Ockels

1979Dankbaarheid is geen wetenschappelijk begrip. Het is immers niet een objectief verschijnsel, maar een subjectieve gemoedstoestand die zich onttrekt aan kilogrammen, seconden, ampères of andere erkende meeteenheden. Er valt dus veel voor te zeggen dat een dankwoord niet thuis hoort in een proefschrift. De dissertatie is immers het bewijs van wetenschappelijk vakmanschap waarmee de jonge gezel zich de evenknie van zijn meesters toont.

De Wageningse promovendus Jerke de Vries had daarom het grootste gelijk, toen hij het complete dankwoord uit zijn proefschrift scheurde in reactie op de instructie van zijn universiteit jegens wie hij zijn dankbaarheid mocht tonen. De Vries wilde God bedanken en dat mocht niet. Door het complete dankwoord te schrappen kon hij alsnog promoveren.

Daarmee zou de kous af kunnen zijn, ware het niet dat de zaak een fundamentele zwakheid van de universiteit aan het licht brengt: het onvermogen om op de juiste plek de lijn te trekken tussen wat wetenschap is en wat niet. Dat is ernstig genoeg om de affaire een staartje te doen krijgen.

Lees meerDe plek van God in een proefschrift


×