Recensies van populair-wetenschappelijke boeken

Het gewicht, dat wil zeggen de hoeveelheid materiaal, van een product zegt iets over de duurzaamheid ervan, laat ‘Designing Lightness’ zien.

Het heeft wel iets ironisch om een lijvig boekwerk op zwaar papier met de nodige toeters en bellen te produceren over de noodzaak van lichtgewicht structuren. Want dat is ‘Designing Lightness’ van Adriaan Beukers en Ed van Hinte: een veelomvattend werk over de noodzaak om gebouwen en voertuigen met minder (circulair) materiaal te bouwen.

Beukers is emeritus hoogleraar composiete structuren aan de faculteit L&R, Van Hinte zelfstandig onderzoeker en auteur. Het duo schreef eerder boeken met de titels ‘Lightness’ en ‘Flying Lightness’. Het thema van hun expertise kan maar duidelijk zijn.

Lees meer Het gewicht van het lichte

Edd China is een Britse ingenieur die aanstekelijk kan vertellen over machines en dan vooral auto’s. Dat doet hij goed op video, maar op papier lukt het ook.

Voor een optimistisch boek over een man die van zijn hobby zijn werk gemaakt heeft, begint Grease Junkie behoorlijk in mineur. Wheelers Dealers, het televisieprogramma op Discovery Channel waar Edward John China bekend mee is geworden, besluit de koers te verleggen. Meer vrolijk rondscheuren, minder van die tijdrovende shots van China die in zijn werkplaats uitlegt hoe hij een roestige Cadillac oplapt.

China trekt de deur boos achter zich dicht – en heeft vervolgens de tijd om zijn levensverhaal op papier te zetten. Het begint op de manier die veel techniekstudenten bekend zal voorkomen. Lego. Een onbedwingbare neiging om schroeven los te draaien. Met je gloednieuwe rijbewijs een cheapo roestbak kopen en er dan achter komen dat je aan de lopende band zelf moet sleutelen, omdat je geen geld hebt voor een professionele monteur.

Lees meer Sleutelen, doorsmeren en scheuren maar met Edd China

Het is een beetje raar om het logo van Apple op een boek over Samsung te zetten. Maar het geeft wel goed aan waar ‘Samsung rising’ van Geoffrey Cain over gaat.

In november 1983 bezocht Steve Jobs, de achtentwintigjarige hippie achter het jonge computerbedrijf Apple, de haveloze fabriek waar Samsung goedkope onderdelen maakte voor magnetrons. Hij zocht een chipsleverancier voor een draadloze ‘tablet’ computer die hij in gedachten had. Niemand ging in die tijd naar Zuid-Korea als hij hightech nodig had, maar Jobs dacht dat het land wel potentie had.

De Amerikaans werd ontvangen door Byung-Chul Lee, de op dat moment 73-jarige oprichter van Samsung. Lee’s bedrijf was begonnen als handel in groenten en vis in wat toen nog een Japanse kolonie was. Hij had een bierbrouwerij gehad, een universiteit en een krant. Hij had een wereldoorlog doorstaan, een burgeroorlog, tientallen jaren dictatuur. En nu had hij al zijn kaarten op elektronica gezet.

Lees meer De grote inhaalrace van Samsung

In juni 1919 kwamen zeven vrouwen bijeen in een sjiek appartement in Londen om de oprichtingsakte te ondertekenen van de Women’s Engineering Society, de eerste beroepsvereniging voor vrouwelijke ingenieurs. De aanleiding was acuut. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden honderdduizenden vrouwen werk gevonden in de (militaire) industrie. Zij dreigden hun baan kwijt te raken door een aanstaand verbod op vrouwelijke arbeiders in de industrie.

Het is een fraai gezelschap dat auteur Henriette Heald beschrijft in Magnificent Women and their Revolutionary Machines (dat overigens geheel over de vrouwen gaat en niet over hun machines). Lady Shelley-Rolls, bijvoorbeeld, snelheidsduivel, luchtvaartpionier en eigenaar van een motorenfabriek. Of Lady Moir, die de oorlog aan de draaibank had doorgebracht, en arbeidersmeisje Laura Annie Willson, die sinds haar tiende opkwam voor vrouwenrechten en daarvoor twee keer in de gevangenis had gezeten. Het gezelschap had een aristocratische ruggengraat, maar deed verder niet aan klasse.

De hoofdpersonen van het boek zijn de eerste voorzitter, Rachel Parsons, en de eerste directeur, Caroline Haslett. Beiden zouden zich de komende decennia hard maken voor vrouwen in de industrie. Die stribbelde tegen, het was zo goed als mogelijk voor vrouwen om in een technisch beroep te belanden.

Lees meer Pionierende vrouwen in de techniek

Atomen zwaarder dan uranium kunnen alleen in een laboratorium gemaakt worden. Kit Chapman schreef een vlot boek over de zoektocht naar nieuwe zwaargewichten.

Tijdens een vlucht in 1952, toen de jacht op zware atomen een internationale prestigestrijd was, bedacht natuurkundige Albert Ghiorso, een slimme manier om het element met atoomnummer 101 te maken, dat wil zeggen een atoom met 101 protonen in de kern. Daarvoor had hij apparatuur nodig die niet bestond, grondstoffen die niet direct voor handen waren en een razendsnelle, nauwkeurige meetmethode.

Drie jaar later had hij geld verworven om de apparatuur in Berkeley, zijn universiteit, 100 biljoen alfadeeltjes (helium, atoomnummer 2) per seconde uit te laten spuwen. Daarmee bombardeerde hij een minuscuul klompje van een miljard Einsteinium-atomen (atoomnummer 99), dat tussen twee laagjes goudfolie zat. Na een paar uur zou dat een handjevol 101-atomen moeten opleveren.

Lees meer Op jacht naar zware atomen

In de jaren dertig was MIT een van de belangrijkste spionnencentra van de Sovjet Unie. Dat was voor een belangrijk deel het werk van één man, Stanislav Shumovsky.

Toen Stalin in 1927 de touwtjes van de Sovjet Unie definitief in handen had, realiseerde hij zich dat zijn land technologisch mijlenver achterlag bij grootmachten als Duitsland, Japan en de Verenigde Staten. Dat verontrustte de dictator, die overal vijanden zag. Als het tot een grootschalige oorlog kwam, waren de Sovjets het haasje. Er moest een inhaalslag komen, binnen tien jaar.

Als onderdeel van die inhaalslag werden begin jaren dertig studenten naar de Verenigde Staten gestuurd, gewoon om te studeren en de kennis mee naar huis te nemen. Dat was allemaal legaal, maar echte toptechnologie kreeg je er niet mee in handen. Dus rekruteerde de Russische geheime sommigen van hen om langer te blijven. Zij moesten netwerken opbouwen om ook in de buurt te komen van (militaire) technologie die de Amerikanen liever voor zichzelf hielden.

Lees meer De naam is Shumovsky, Stan Shumovsky

Twee meesters van het licht, schilder Johannes Vermeer en wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek, woonden vlakbij elkaar in Delft. Die simpele premisse levert een fraai dubbelportret op in Eye of the beholder van Laura Snyder.

De enige harde aanwijzing dat de schilder en de wetenschapper elkaar kenden ligt erin dat Leeuwenhoek door de stad Delft in 1676 benoemd werd tot executeur van Vermeers nalatenschap. Op zich hoorde dit bij Leeuwenhoeks werk als ambtenaar, maar in andere gevallen was er steeds een connectie tussen hem en de overledene. Hier dus allicht ook.

Wetenschapsjournalist Laura Snyder is niet het soort auteur dat haar fantasie de vrije loop laat. In haar boek Eye of the beholder volgt ze nauwgezet de voetstappen van haar twee hoofdpersonen en brengt in kaart waar die elkaar gekruist zouden kunnen hebben (ze woonden hun leven lang op een steenworp afstand van elkaar aan de Markt). Maar het gaat haar vooral om het gezamenlijke thema van beide mannen: het licht. Meer precies: de lens.

Lees meer Laura Snyder: Eye of the beholder

De industriële revolutie betekende niet alleen de doorbraak van technologie, maar ook die van wetenschap bij het grote publiek, laat James Secord zien in Visions of science.

Engeland, 1830. De samenleving gistte. Arbeiders verzetten zich tegen de opkomst van machines, die hen overbodig zouden maken. Inwoners van grote steden (veelal diezelfde arbeiders) maakten zich boos over het feit dat ze slecht vertegenwoordigd waren in het parlement. De daarop volgende decennia zou de samenleving flink op de schop gaan: verregaande industrialisering, maar ook hervorming van het kiesstelsel en beter onderwijs.

Tot dan toe was wetenschap vooral een zaak van deftige heren onderling. Een van hen, de astronoom John Herschel, nam in 1833 het initiatief om het volk te verheffen door het tot lezen aan te zetten. Dat was indertijd een revolutionaire gedachte.

Lees meer James Secord: Visions of science

Bij zijn dood in 1948 werd Geoffrey Pyke geroemd als een genie in de klasse van Einstein. Dankzij het openen van de archieven van de MI5 is er nu een levensverhaal dat de lezer onwaarschijnlijk zou vinden als John le Carré het geschreven zou hebben.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, maakten alle Britten in Duitsland dat ze wegkwamen. Dat was dus een goed moment, bedacht would-be journalist Geoffrey Pyke, om naar Berlijn af te reizen, al sprak hij nauwelijks Duits. Via Denemarken smokkelde hij zichzelf op een vals paspoort binnen, maar hij had zijn eerste stukje nog niet geschreven of hij werd gepakt en opgesloten in een concentratiekamp. Hij ontsnapte, ploegde half Duitsland door naar Nederland en schreef een bestseller over zijn avontuur. Iedereen vond het prachtig, behalve de Britse geheime dienst. Die dacht dat de Duitsers hem hadden laten ontsnappen om als spion in Engeland te plaatsen.

De verdenkingen zouden hem zijn hele leven blijven volgen, al werd hij later (terecht) meer in de communistische hoek geplaatst. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bedacht Pyke dat hij een oorlog misschien kon voorkomen door het houden van een opiniepeiling in Nazi Duitsland, waaruit moest blijken dat de bevolking geen oorlog wilde. Een krankzinnig en levensgevaarlijk idee, maar Pyke slaagde erin genoeg vrijwilligers te vinden om enkele honderden interviews te houden. Het rapport kwam te laat om de oorlog nog te voorkomen, maar zijn aanpak legde wel het fundament voor een nieuwe sociologische onderzoeksmethode.

Lees meer Henry Hemming: Churchill’s Iceman

Een complottheorie kun je met een paar biertjes op eruit flappen, maar je kunt er ook werk van maken, zoals Coen Vermeeren in 9/11 is gewoon een complot. Verplichte lectuur voor iedereen die wil weten hoe je zo’n redenering fatsoenlijk opzet.

Bouwers van complottheorieën hebben een grote voorsprong op hun (wetenschappelijke) concurrenten. Waar die laatsten geacht worden een sluitende redenering op basis van feiten op te zetten, hoeven de eersten slechts een los eindje te vinden om te beweren dat de complete conclusie niet deugt. Zelf hoeven ze niet zoveel te doen, want ja, daar hebben ze de middelen niet toe en bovendien zijn ze slachtoffer van machtige samenzweerders.

Het valt dus te prijzen dat Coen Vermeeren, directeur van het Delftse Studium Generale, niet over één nacht ijs gaat bij het ontvouwen van zijn samenzweringstheorie dat 9/11 niet door Al Qaeda gepleegd werd maar door (of in elk geval met medewerking van) elementen in de Amerikaanse overheid. In meer dan 300 pagina’s gaat hij systematisch alle rapporten en onderzoeken af om ze verdacht te maken.

Lees meer Coen Vermeerens superieure 9/11 complottheorie