Recensies van populair-wetenschappelijke boeken

Het gesloten leven van Grisha Perelman

Grisha Perelman is een van de briljantste wiskundigen van dit moment. Hij woont bij zijn moeder in Sint Petersburg en wil met niemand praten, ook niet met zijn biografe Masha Gessen. Toch biedt het boek veel inzicht in ‘s mans belevingswereld.

De Rus Grigori (Grisha) Perelman werd in 2002 op slag beroemd, toen hij de oplossing presenteerde van het vermoeden van Poincaré, een van de grootste mathematische raadsels van dat moment. In 2000 was er een prijs van een miljoen dollar op de oplossing gezet. Maar nog beroemder werd Perelman toen hij de prijs weigerde, net als de Fields Medal, de ‘Nobelprijs voor de wiskunde’. Vervolgens trok hij zich terug uit de wiskunde. Steeds minder mensen kregen hem te spreken. Hij is nu 45 jaar oud, woont bij zijn moeder en niemand heeft enig idee wat hij de hele dag zoal doet.

Van zo’n bizarre man een biografie schrijven is lastig, maar New York Times journaliste Masha Geffen slaagt daar met ‘Perfect rigour’ aardig in. Ze heeft als voordeel dat ze even oud is als Perelman en net als hij een wiskundige opleiding genoot in de nadagen van de Sovjet-Unie. Daardoor kan ze zich goed inleven in de omstandigheden en heeft ze aansluiting bij de denkwereld van de wiskundigen uit Perelmans nabijheid, die ze wel te spreken krijgt.

Lees verder Het gesloten leven van Grisha Perelman

De grens van de mens

Hoogleraar Peter-Paul Verbeek schreef met ‘De grens van de mens’ een inzichtelijk boek hoe de technologie onze ideeën over het mens zijn beïnvloedt. Mens en technologie zo met elkaar verweven dat je hun ontwikkeling niet los van elkaar kunt zien.

Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.

Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.

Lees verder De grens van de mens

De jacht op het goddelijke deeltje

1737
Het duurste en ingewikkeldste apparaat ooit is momenteel op zoek naar het Higgs-boson, het elementaire deeltje dat het sluitstuk van de fundamentele natuurkunde moet vormen. Maar hoe is het eigenlijk zo ver gekomen?

Lang, heel lang geleden, om precies te zijn vlak na de grote plof die het heelal in gang zette, waren alle deeltjes zonder massa. Toen gebeurde er iets. Er manifesteerde zich een veld in de tot dan toe ondenkbare ruimte. De massaloze deeltjes, die met de lichtsnelheid rondschoten, werden gevangen in het veld. Ze verwierven massa en daarmee traagheid. In dat proces kwamen nieuwe deeltjes vrij. Wie het bestaan daarvan weet vast te stellen, kent de aard van de scheppende kracht die het heelal veranderde van een vormloze soep in iets met structuur – de natuurkundige equivalent van God.

Deze theorie is afkomstig van de Britse natuurkundige Peter Higgs, die hem bijna vijftig jaar geleden bedacht. Hij was niet de enige met een theorie. Anderen waren evengoed hard bezig het ontbrekende stukje te vinden van de puzzel die Newton en Einstein al voor een groot deel in elkaar gezet hadden. Maar het raamwerk van Higgs sloeg het meeste aan, dus draagt het deeltje tegenwoordig zijn naam: het Higgs-boson.

Lees verder De jacht op het goddelijke deeltje

Hoe detecteer je fraude?

1717
David Goodstein was jarenlang bij Caltech voorzitter van de ethische commissie. Die ervaring zette hij om in een boek dat uitlegt hoe je als onderzoeksinstelling fraude bestrijdt. De waarheid is namelijk zelden zwart-wit.

Aan fraaie boeken over wetenschappelijke fraude is geen gebrek. Dergelijke boeken, zoals Plastic fantastic van Eugenie Samuel Reich over de ontmaskering van ‘nano-wonderkind’ Jan Hendrik Schön, zijn vooral een terugblik, vaak met een zeker effectbejag op het oog. Het is aan de lezer zelf om lessen voor de toekomst te trekken uit de historie.

Op het eerste gezicht geldt dat ook voor ‘On fact and fraud’ van David Goodstein, een boek dat een groot aantal cases langsloopt. Het grote verschil is echter dat Goodstein jarenlang verantwoordelijk was voor onderzoek naar mogelijke gevallen van wetenschappelijke fraude aan Caltech, een van ’s werelds vooraanstaande technische universiteiten. Hij vertelt voor een belangrijk deel uit eigen ervaring en wil niet alleen vertellen, maar ook onderwijzen: hoe detecteer je fraude en hoe pak je het zo fatsoenlijk mogelijk aan?

Lees verder Hoe detecteer je fraude?

De erfenis van Pythagoras

1704
In Kitty Fergusons biografie van Pythagoras gaat het weinig over de man zelf, maar des te meer over de invloed die hij gehad heeft op de westerse wiskunde en filosofie. Hij inspireerde bijvoorbeeld Copernicus om de aarde om de zon te laten draaien in plaats van omgekeerd.

In de zesde eeuw voor Christus leefden vier wijsgeren die elk op hun eigen manier harmonie predikten tussen mens, maatschappij en universum: Buddha, Confucius, Lao-Tse en Pythagoras. Die laatste is vooral bekend vanwege zijn stelling, maar wie was hij eigenlijk en welke invloed heeft hij (gehad)? Op die vragen probeert ‘Pythagoras’ van wetenschapsjournaliste Kitty Ferguson antwoord te geven. Ze voegt zich daarmee in een traditie van 25 eeuwen, want de man was al bij leven een legende.

Vast staat dat Pythagoras in de eerste plaats een religieus en politiek leider was. Zijn leer draaide, net als bij Buddha, om reïncarnatie, maar was zo geheim dat hij en zijn volgelingen haar mee het graf in namen. Politiek is alleen zeker dat hij zoveel vijanden maakte dat hij de stad Croton in Italië, waar hij zijn school gesticht had, moest ontvluchten om het vege lijf te redden. In Croton deed hij zijn beroemde ontdekking dat er een direct verband bestaat tussen de lengte van de snaren van een lier en de toonhoogte die ze produceren.

Lees verder De erfenis van Pythagoras

De staat van het klimaat

1696
De aarde warmt op, daar is iedereen het wel over eens. Maar hoeveel en of dat door de mens komt is een kwestie van interpretatie, vinden klimaatsceptici als journalist Marcel Crok. Zijn boek ‘De staat van het klimaat’ is een oerdegelijke weergave van de sceptische argumenten.

Het klimaat is een niet goed begrepen systeem met talloze parameters. Wiskundigen weten het dan al wel: het kan net zo goed extreem stabiel zijn als bij een kleine fluctuatie ineens ontzettend uit de hand lopen. Misschien leidt de CO2-uitstoot vanwege fossiele brandstoffen tot een broeikaseffect, misschien ook niet. Sterker nog, misschien is die uitstoot wel noodzakelijk om de komst van een nieuwe ijstijd uit te stellen.

Bij gebrek aan mathematische zekerheid moeten we het doen met de consensus van wetenschappers die er verstand van hebben. Die consensus is dat de aarde opwarmt door menselijk toedoen. Of wacht, consensus? Een kleine groep tegendraadse wetenschappers verzet zich tegen die conclusie en tamboereert luidruchtig op fouten in de IPCC-rapporten die de tendens van het internationale onderzoek samenvatten.

Lees verder De staat van het klimaat

De haat jegens oliemaatschappijen

1692
Een voormalig Shell-directeur legt uit waarom wij een hekel hebben aan de oliemaatschappijen. Het blijkt vooral een politiek pamflet voor duurzame energievoorziening met een nadruk op regelgeving zoals in de bankensector.

De uitgever heeft het natuurlijk goed begrepen: het aantrekkelijke aan ‘Why we hate the oil companies’ is de naam van de auteur, John Hofmeister, voormalig topman van de Amerikaanse tak van Shell. En om meteen maar een mogelijk misverstand te ontzenuwen: Hofmeister heeft geen hekel aan zijn oude baas. Hij begrijpt waarom mensen een hekel hebben aan oliemaatschappijen, maar betoogt dat een eenzijdig boze focus op niet altijd even handig opererende bedrijven de aandacht afleidt van het werkelijke probleem. Hoe gaan we als maatschappij de energievoorziening voor de toekomst zekerstellen?

Lees verder De haat jegens oliemaatschappijen

Henry Fords vervlogen droom

1651
In 1927 besloot automagnaat Henry Ford tot de bouw van Fordlandia: een stad naar zijn eigen inzichten in het hart van de Amazone. Het bleek niet alleen gedurfd en visionair, maar ook tot mislukken gedoemd. Wel levert het een boek op dat leest als een trein.

Het begon allemaal met Winston Churchill, die in 1919 de Britse minister van koloniën was. Hij stelde aan zijn Nederlandse en Franse collega’s voor een rubberkartel te vormen, om productie en prijzen te reguleren. Hun koloniën waren goed voor het leeuwendeel van de wereldwijde rubberplantages. De Amerikanen waren furieus, met name de automobielfabrikanten onder hen, en nog meer in het bijzonder de grootste automobielfabrikant en rijkste man ter wereld, Henry Ford.

Ford legde contact met Brazilië en regelde een stuk land in de Amazone van zo’n 10.000 vierkante kilometer, ongeveer een kwart van Nederland. Daar zou hij een rubberplantage beginnen. En niet zomaar een plantage, maar een modelplantage. Ford had immers naam gemaakt met ordentelijke massaproductie. Zijn rubberplantage zou een fabriek worden, efficiënt en tegelijk humaan. Hij beloofde de Braziliaanse consul dat zijn rubbertappers wel tien keer zoveel zouden verdienen als nu en dat hij even goed voor ze zou zorgen als voor zijn Amerikaanse arbeiders.

Lees verder Henry Fords vervlogen droom

Newton op jacht naar valsemunters

1627
Aan het eind van de zeventiende eeuw zat Groot-Brittannië met een monetaire crisis die de stabiliteit van het land bedreigde. ’s Lands meest briljante geest werd ingezet om het gevaar te keren. Isaac Newton verdiende er niet alleen waardering maar ook veel geld mee.

Zestig pagina’s noten en registers zijn de belangrijkste aanwijzing dat ‘Newton and the counterfeiter’ geen roman is maar een populair wetenschappelijk boek. De schrijfstijl van Thomas Levenson, in het dagelijks leven hoogleraar wetenschapsjournalistiek aan MIT, leunt namelijk zo zwaar op literaire technieken dat de lezers nauwelijks doorheeft dat hij een doorwrochte studie in handen heeft over een minder bekende verdiensten van natuurkundereus Isaac Newton: zijn jaren aan het hoofd van de Britse Munt.

Levenson begint het verhaal met de jonge Newton, die als student uit de middenklasse aan Cambridge de kost verdient in de kantine en de restjes van zijn studiegenoten eet. Ambitie en werklust, uiteraard in combinatie met een excellent stel hersenen, wijzen hem de weg naar de wetenschappelijke top. Een aangenaam mens is hij niet, maar zijn brille begint wel op te vallen in Londen.

William Chaloner was van nog nederiger komaf dan Newton. Universiteit zat er voor hem niet in, maar leergierig was hij evengoed. Hij begon zijn carrière als spijkermaker, zwaar handwerk. Zo leerde hij een en ander over metalen. Hij werd niet onthaald in Londen, maar kroop omhoog, als verkoper van seksspeeltjes, kwakzalver en allround sjacheraar. Toen ontmoette hij een man die gespecialiseerd was in het verkoopbaar maken van oud leer door er een laagje kleurstof op aan te brengen. Vergulden, zeg maar.

Lees verder Newton op jacht naar valsemunters

Een wereld van grote moleculen

1611
De ontdekking van grote moleculen, bestaand uit lange ketens koolstofatomen, leverde anderhalve eeuw geleden een knetterende wetenschappelijke polemiek op. Inmiddels zijn de moleculen niet meer weg te denken uit het dagelijks leven.

Het is nu wat moeilijk voor te stellen, maar er was een tijd dat chemici vielen onder te verdelen in mensen die geloofden in het bestaan van grote moleculen en degenen die dat niet deden. De laatste groep had de overhand, zo’n honderdvijftig jaar geleden, en maakte de gelovigen uit voor idioten (maar dan in grovere bewoordingen, want het was in wetenschappelijke kringen indertijd gebruikelijk elkaar voor rotte vis uit te maken).

Het verhaal van macromoleculen begon met de Utrechtse hoogleraar Gerard Mulder, die in 1838 een artikel publiceerde waarin hij verslag deed van metingen aan verschillende eiwitten. Uit de verhoudingen tussen de verschillende atomen concludeerde hij dat eiwitten enorme moleculen moesten zijn. Hoon was zijn deel. De vigerende hypothese was namelijk dat eiwitten en andere ‘colloïden’ clusters van kleinere moleculen waren. De colloïde hypothese legde pas het loodje in de Tweede Wereldoorlog, toen de laatste aanhangers wegens nazi-sympathieën aan de wetenschappelijke dijk gezet werden (ze meenden dat je aan de samenstelling van bloedeiwitten de inferioriteit van bepaalde rassen kon aflezen en eentje toog zelfs enthousiast naar Auschwitz om daar te experimenteren op de gevangenen).

Lees verder Een wereld van grote moleculen