U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

De wetenschap is te ernstig

Ooit was de Kerk almachtig. Ze kon haar spelregels opleggen aan de maatschappij, inclusief de ontluikende wetenschap. Dat bemerkte Galileo Galilei (1564-1642). Hij kreeg te horen dat hij best mocht publiceren over een aarde die om de zon draait, maar op voorwaarde dat hij het een ‘hypothese’ zou noemen. Galilei hield zich hier een poosje aan, maar toen een bewonderaar van zijn werk tot paus werd verkozen, dacht hij dat hij zijn hypothese in een nieuw boek wel als waarheid kon brengen. Hij had het mis en het boek leidde tot een veroordeling – niet van wat hij had gezegd, maar van hóé hij het had gezegd.

Dat de aarde om de zon draaide, was eerder door Nicolaus Copernicus beschreven. Hij vond de gebruikte astronomische modellen te lelijk, te ingewikkeld ook. Het werd veel eenvoudiger wanneer je de zon in het midden zette, en de aarde als een van de planeten zag. Het nieuwe model van Copernicus kon de beweging van de planeten nauwelijks beter verklaren, maar het was eleganter.

Zowel Copernicus als Galilei is nogal eens opgevoerd als strijder voor de waarheid in een oorlog met de dogmatiek van het geloof. Wetenschapsjournalist Christian Jongeneel plaatst daar in zijn boek ‘Het zit in een lab en het heeft gelijk’ kanttekeningen bij. Centraal in zijn boek staat de stelling dat de huidige wetenschap in dezelfde problemen verkeert als de kerk in de periode tussen Galilei en de Verlichting. Het gezag van de kerk nam af, dus er moest uit een ander vaatje worden getapt. En, zo concludeert Jongeneel, de kerk heeft dat beter begrepen dan de wetenschappelijke wereld.

Niet zo heel slim

Het gezag van de wetenschap is namelijk niet meer vanzelfsprekend. Wanneer de wetenschap zegt dat straling van een UMTS-mast onschadelijk is, accepteert een grote groep burgers dat niet meer. Zieken gaan in grote aantallen naar alternatieve artsen die door hun academisch gevormde collega’s ‘kwakzalvers’ worden genoemd. En vooral in Amerika bestrijden creationisten de evolutietheorie. De wetenschap reageert afgemeten: wij hebben gelijk. En dat is misschien niet zo heel slim, denkt Jongeneel. Wetenschap en technologie waren lang iets positiefs, ze vernieuwden, brachten welvaart en plezier. Tegelijkertijd werd de wetenschap massaler, niet meer het werk van een geniale enkeling maar iets dat in grote, anonieme en geldverslindende instituten plaatsvindt. En in de periode na de Tweede Wereldoorlog kreeg de wetenschap langzamerhand een negatief imago. Wat de wetenschap doet, is moeilijk controleerbaar, de producten van de techniek blijken soms schadelijk.

En de wetenschap heeft zo haar problemen, laat Jongeneel zien. Affaires als de pijnstiller Vioxx, een middel dat achteraf soms dodelijk bleek te zijn, of topwetenschappers die resultaten uit hun duim zogen, doen het imago van de wetenschap geen goed.

Een principiëler punt is, dat de wetenschap niet zo alomvattend is en ook niet zo rationeel als vaak wordt beweerd. Jongeneel betoogt dat veel onderzoek niet zozeer is gebouwd op noodzakelijke feiten, maar op schoonheid. Elegante omschrijvingen, zoals het Copernicaanse model, zijn beter dan ingewikkelde, lelijke verklaringen. En Kurt Gödel wist met zijn onvolledigheidsstelling aan te tonen, dat ieder wiskundig systeem stellingen bevat die wel waar zijn, maar niet te bewijzen zijn met de middelen binnen dat systeem. Pogingen om tot een volstrekt logische fundering van de wetenschap te komen, mislukten.

Volgens Jongeneel kan de wetenschap de totale werkelijkheid daarom niet omschrijven. Maar de werkelijkheid buiten het wetenschappelijk denken bestaat voor veel wetenschappers niet. Bruggenbouwers zijn schaars, het zijn meestal “gelovige wetenschappers die hun ‘spagaat’ proberen te rechtvaardigen”.

Jongeneel pleit voor het neerlaten van bruggen. Niet om de wetenschap te veranderen, die acht hij hoog. Hij hoopt juist dat de wetenschap haar gezag weer terugwint door in gesprek te gaan met anderen: “Zelfrelativering kan leiden tot overtuigingskracht.” Een theorie als ‘intelligent design’ moet je niet te vuur en te zwaard bestrijden, maar omarmen als een poging van gelovigen om een stap richting de wetenschap te doen.

Speelse houding

De wetenschap is daar niet goed in, deels omdat ze zichzelf te serieus neemt. Jongeneel haalt de historicus Johan Huizinga aan, die al voor de Tweede Wereldoorlog concludeerde dat de wetenschap het vermogen te spelen, om de ernst af en toe te laten varen, had verloren. Juist de wetenschap, met haar rivaliserende en fantasierijke theorieën, leent zich voor een speelse houding, aldus Jongeneel. Alleen maar in het lab zitten mokken dat je gelijk hebt, werkt niet meer.

Jongeneels boek is een frisse wind. Hij stelt de gelijkhebberigheid van de wetenschap ter discussie, zonder de wetenschap af te vallen. Hij verzet zich tegen het ingesleten idee dat wetenschap en religie met elkaar in oorlog moeten zijn. Hij fileert de mythe van de objectieve, onfeilbare en alles omvattende wetenschap. Het boek is bovendien goed leesbaar voor wie niet zo goed ingevoerd is in de wetenschapsfilosofie en -geschiedenis. En het verdient het om gelezen te worden, juist door iedereen die de wetenschap een warm hart toedraagt.

Auteur: René Fransen. Eerder verschenen in Nederlands Dagblad, 4 juli 2008.


×