Als het aan Forum voor Democratie ligt worden de dijken en duinen langs de Nederlandse kust afgebroken. “Die dingen liggen daar met het oog op een zeespiegelstijging die niet gaat komen”, aldus partijleider Thierry Baudet. “En als die toch komt, heeft het niks te maken met menselijke activiteiten, dus is het onzin om er maatregelen tegen te nemen. Het kost een smak geld en je hebt er niks aan.”

Baudet wil beginnen met het platwalsen van de duinen bij Zandvoort. Zo moet er ruimte komen voor uitbreiding van het plaatselijke circuit. Baudet: “In plaats van die lelijke molshopen zie je dan de zee via de dashcam van Max Verstappen. Hoe gaaf is dat!? Wij kiezen volop voor de auto. Dat kun je van de VVD niet zeggen.”

Lees meer Forum voor Democratie wil dijken afbreken

“Wollt ihr den totalen Vroem?” hadden ze gevraagd aan de achterban en die had bevestigend gebruld. De volkswil stond vast. Een paar dagen eerder had de minister van volksgezondheid nog geroepen dat viezere lucht inhaleren een kleine prijs was als in ruil daarvoor Max de God van Vroem door de duinen van Zandvoort zou razen. Bovendien was Johan een van hen. Die zou keurig een Schipholletje doen, dat wil zeggen een wormgat in de regelgeving aanboren om de normen te halen zonder je eraan te houden.

Johan liet het afweten. Hij sprak ineens over milieunormen alsof het harde regels waren die handhaving vereisten. Ketterse woorden die helemaal niks met Vroem van doen hadden, ontsnapten aan zijn mond. Toen herpakten ze zich. Een advies met zo verstrekkende gevolgen vroeg om een inventarisatie van de consequenties. Liefst door een onafhankelijke commissie, met een voorzitter die goed wist hoe je belangen moest afwegen. Iemand zocht alvast het telefoonnummer van Charlie Aptroot op. (sg) (zie ook)

Een Britse journaliste schreef een boek met de titel “Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat”. Een Nederlandse krant stuurde tóch een witte man om haar erover te interviewen. Dat ging niet goed. De schrijfster liep weg uit het gesprek. Iemand nam het voor haar op. Als witte mensen niet op een normale manier gekleurde mensen kunnen interviewen, dan moeten ze dat maar helemaal niet meer doen. Toen was de boot helemaal aan.

Heftige reacties op een boektitel laten in de eerste plaats natuurlijk zien hoe briljant die is. Ze kaart het onderwerp racisme niet alleen aan, maar laat het ook voelen, met name aan oudere witte mannen die het niet gewend zijn afgewezen te worden om hun huidskleur (of geslacht). Hun verontwaardiging over de racistische speldenprik in hun kloten, versterkt onbedoeld het punt dat de Britse journaliste wil maken. Kijk, dit maken wij aan de lopende band mee, kun je je een beetje voorstellen dat we boos zijn? (sg)

In de loop der jaren ben ik in nogal wat landen geweest waar een zwarte markt bestond om geld te wisselen. Meestal was dat omdat het aanbod van westerse valuta kleiner was dan de vraag ernaar. Cubanen, bijvoorbeeld, willen graag dollars hebben, omdat ze daar dingen mee kunnen kopen die in pesos niet beschikbaar zijn. Elders houdt de overheid de koers van de eigen munt kunstmatig hoog. Hoe dan ook, het kan voor de reiziger die lokaal geld nodig heeft voor directe uitgaven aantrekkelijk zijn om zwart geld te wisselen.

Het risico dat daarmee gepaard gaat wisselt. Toen Albanië in 1993 net de grenzen geopend had, maakten de banken zelf de zwarte prijs van de lek bekend. Als je binnen geld wilde wisselen kreeg je te horen dat je dat beter buiten kon doen, want dan kreeg je meer. De zwarthandelaars buiten hielden zich scrupuleus aan de koers. In Algerije, waar ik onlangs was, mag het niet, maar lopen de wisselaars met dikke stapels bankbiljetten ‘change change’ te fluisteren in de buurt van de bankkantoren. In Iran moet je bij juweliers in de bazar zijn – iets geheimzinniger, maar iedereen weet het. Op Cuba is nog meeer voorzichtigheid geboden.

Hoe dan ook, de eerste keer geld wisselen op de zwarte markt kan spannend zijn. Wanneer je bij de grens snel wat handgeld nodig hebt voor een bus, wissel dan twintig dollar. Als je getild wordt, is de schade te overzien. De handleiding hieronder is voor de serieuzere transacties.

Lees meer Hoe geld te wisselen op de zwarte markt

Even snel binnen kijken, dacht ik, toen ik afgelopen zomer de Santa Maria Nabea in San Sebastián binnen liep. Het leek een gewone barokkerk, maar dat bleek slechts ten dele waar. Een zijvleugel bleek omgebouwd te zijn tot een klein museum voor religieuze kunst, met prachtige lichtinval. Een trap omhoog naar bijgebouw leidde naar hypermoderne lichtkunst met een contemplatieve inslag. Meer dan een uur had ik nodig om deze prachtverbouwing tot me te nemen.

Een plaquette in het museum leidde naar de daders: Rafael Moneo en Pedro Elcuaz. De eerste is een internationaal kanon, onder andere winnaar van de Pritzker Prijs, de tweede zijn jongere collega. Samen zijn ze onder meer ook verantwoordelijk voor het Attocha station in Madrid. De verbouwing van de zijvleugel in de Santa Maria Nabea tot museum had anderhalf miljoen euro gekost, las ik later. Eenmaal buiten zag ik ook dat enkele blinde muren van moderne kunst waren voorzien. Traditie en moderniteit waren prachtig in elkaar geweven.

Ik wist meteen: dit wil ik ook in Rotterdam. De Laurenskerk verdient een upgrade die haar zowel spiritueel als toeristisch naar een hoger plan tilt. Een plek waar je komt voor een moment van stilte, zoals de inwoners van San Sebastián, maar ook een trekpleister voor bezoekers van buiten. Een open ontmoetingsplek in het plechtige hart van de stad. Daar maak ik me graag hard voor.

Na succesvolle proeven met grotere deeltjes is het bellenscherm van The Great Bubble Barrier in beeld als methode om microplastics met een doorsnede van 0,5 tot 0,02 millimeter in gezuiverd rioolwater te onderscheppen. Daarmee betreedt het een notoir lastig terrein.

Eind april 2019 hing het RIVM nog maar eens aan de bel: de hoeveelheid microplastics in drinkwater (en bijgevolg in voedsel en levende wezens) neemt hand over hand toe. De gevolgen voor de gezondheid zijn weliswaar nog niet duidelijk, maar positief zijn die vermoedelijk niet. De belangrijkste bron is kleding van synthetische stoffen. Bij iedere wasbeurt worden er kleine deeltjes vanaf geschraapt. De grootste boosdoener is fleece, vaak gemaakt van gerecyclede petflessen – nog niet zo lang geleden gingen de duimpjes van de milieubeweging juist omhoog bij dergelijk hergebruik.

Er bestaan diverse soorten filters om minuscule plasticdeeltjes uit het water te halen. Grotere deeltjes kunnen mechanisch eruit worden gezeefd, maar ook bekende methoden om drinkwater te zuiveren, zoals carbonfilters en omgekeerde osmose, zijn bruikbaar om kunststofdeeltjes tegen te houden. Een probleem daarbij is dat filters relatief duur zijn per behandelde liter water.

Lees meer Bellenscherm tegen microplastics

Ergens aan het begin van Quentin Tarantino’s nieuwe film Once Upon a Time … in Hollywood komt in een flits een neonreclame TONYA voorbij. Het zal geen toeval zijn dat dit de glansrol was waarmee de Australische actrice Margot Robbie zich in de kijker speelde. Bij Tarantino is niets toeval. De bleue Sharon Tate die hij Robbie laat vertolken in zijn film steekt helaas flets af tegen de ongrijpbare Tonya. De actrice komt er deze keer bekaaid vanaf.

Once upon a time … is in de eerste plaats een excuus om Leonardo di Caprio in een onwaarschijnlijke hoeveelheid pakjes te steken, en Brad Pitt in strakke shirts. De mannen spelen een westernacteur in zijn nadagen en diens stuntman annex chauffeur annex klusjesman. Het verhaal speelt zich af in de aanloop naar de moord op Sharon Tate, maar heeft daar verder weinig mee van doen. Veel plot is er evenmin. Wat dat betreft heeft Tarantino Pulp Fiction nooit meer overtroffen.

De kracht van het scenario zit in de moeiteloze manier waarop de regisseur een tijdsbeeld van Hollywood anno 1969 vervlecht met beelden uit de films en televisieseries waarmee de mannen groot zijn geworden. De meeste filmverwijzingen zijn mij ongetwijfeld ontgaan, maar de eyecandy is fantastisch en de soundtrack is ook dik in orde (al heeft Tarantino wel heel veel nummers erin gepropt, terwijl hij toch bijna drie uur film heeft afgeleverd). Fijne cinematotaalervaring.

In mijn boekenkast bevinden zich de nodige eerste en tweede edities van Lonely Planet gidsen. Gebutst en gedeukt, omdat ik ze los in mijn daypack had zitten, en soms met thee- en moddervlekken. Binnenin krakkemikige kaartjes, enthousiaste maar soms ook venijnige recensies van bezienswaardigheden, karrevrachten praktische tips en heel veel gezeur over geld.

Lonely Planet was ooit de reisbijbel, geschreven voor en door backpackers. Geen plek ter wereld zo ver weg of LP had er een gids voor. Het voelde als een community. Terug thuis schreef ik uitgebreide mails met correcties en aanvullingen, waarna ik soms mijn naam als ‘contributor’ terug zag in de volgende editie. Een enkele keer kreeg ik een gratis gids toegestuurd voor mijn bijdrage. Ik bewaarde ze om sentimentele redenen.

Tot ik deze zomer naar Tunesië en Algerije wilde en op zoek ging naar een nieuwe gids. De Lonely Planet is oppervlakkiger geworden, maar de kaartjes zijn beter en het persoonlijke geneuzel is eruit. Kortom, de reeks is upmarket gegaan. Zelfs zo upmarket, merkte ik nu, dat er geen gids van de Maghreb meer bestond. Wel voor het populaire Marokko, maar niet voor beide andere landen. Zelfs de verzamelgids voor Afrika was nietzeggender dan de 25 jaar oude die bij mij in de kast stond.

Lees meer De teloorgang van de Lonely Planet

Bij vlagen is het moeilijk voorstelbaar dat Het land van herkomst van E. du Perron vele decennia ná Max Havelaar verschenen is. Vanuit literair oogpunt verdient het zijn bijzondere plaats in de Nederlandse letteren, maar de volkomen vanzelfsprekende acceptatie van het koloniale gedachtengoed doet de moderne lezer op zijn minst enigszins fronsen. Met als curieuze bijkomstigheid dat Du Perron een groot bewonderaar van Multatuli was.

Het autobiografische verhaal is een klassieke raamvertelling. De hoofdpersoon vertelt over zijn huidige leven, in het bijzonder zijn geldzorgen, in Brussel en Parijs. Zijn moeder is overleden en er zijn problemen met de verkoop van het landgoed. De situatie is op een gegeven moment zo nijpend dat zijn geliefde en hij hun intrek moeten nemen in een hotel in Bretagne. Gelukkig zijn er vrienden om mee te converseren over het schrijverschap, de wedijver tussen communisme en fascisme (het is 1934), de relaties tussen mannen en vrouwen en alles wat zoal ter sprake kan komen in intellectuele kringen.

Parallel vertelt de hoofdpersoon over zijn jeugd op Java. Het kolonialisme is dan nog in full swing, en het is duidelijk dat inlanders geslagen moeten worden als ze niet gehoorzamen. Als vader en moeder van huis zijn, valt deze taak toe aan de elfjarige. Tegen de tijd dat het vertrek naar Nederland nadert, nemen de hormonen het over en gaan de flashbacks vooral over al dan niet onwillige meisjes.

Lees meer E. du Perron: Het land van herkomst

Oran ligt een lange busreis bij Algiers vandaan. In Algerije is het de meest Franse stad, die 200.000 inwoners verloor bij de onafhankelijkheid. Vermoedelijk voor nostalgici zijn stadskaarten te krijgen met alle oude straatnamen. Een enkel oud bordje hangt er zelfs nog. Waar in Algiers het postkantoor het centrale gebouw is, is dat hier de kathedraal. Die is overigens niet meer in katholiek bedrijf.

In Algiers heb ik ook weinig uitbundige art déco gezien. In Oran wel. De waarheid gebiedt echter te zeggen dat er buiten het handjevol oude gebouwen weinig te beleven valt. Camus-adepten die op zoek gaan naar het Oran van dokter Rieux, komen bedrogen uit. Oran vandaag de dag is een drukke industriestad. Tegen de avond fleurt het op aan de boulevard, die net als in Algiers een eind boven zeeniveau ligt. Je kunt er mensen kijken, een ijsje eten of de drukte in de haven bestuderen.

Lees meer Reizen in Algerije, deel 7: Oran