Annaba is de eerste grote stad als je vanuit het oosten Algerije binnenkomt. Ik had een taxi genomen uit Tunis (omgerekend 45 euro, in Tunis ‘s ochtends te vinden bij Bab Bhar), waarvan de chauffeur me behendig langs alle rijen loodste bij de veiligste grenspost, die bij de kust. De rit kostte zes uur, maar ik was vroeg begonnen, dus had nog de middag om de stad te verkennen.

Behoudens Cours de la Revolution, de centrale allee uit de Franse tijd, met een brede middenstrook vol bomen en terrassen, vond ik Annaba druk en onaangenaam. Smalle stoepen, de wegen bomvol auto’s. Geen omstandigheden voor een leuke stadswandeling. Zo’n stad waarvan je hoopt dat iemand ooit de tegenwoordigheid van geest zal hebben om wat voetgangersgebieden aan te leggen.

Lees meer Reizen in Algerije, deel 2: Annaba en Hippo

Eén andere toerist zag tijdens een reis van twaalf dagen door Algerije. Het land is geen bestemming voor reizigers en praktische informatie is nauwelijk verkrijgbaar. Ik vond nog een oude Lonely Planet uit 1992 om de interessantste bestemmingen uit te vissen, maar sindsdien heeft een burgeroorlog het land een decennium lang in de greep gehad. Begin dit jaar werd de president met grootscheepse demonstraties tot aftreden gedwongen. Dat gebeurde zonder geweld – en dat wekte mij interesse. Tijd om eens te gaan kijken.

Veiligheid

Het reisadvies van het ministerie van buitenlandse zaken liet voorafgaand aan mijn reis veel knalrode gebieden zien. De rest van het land is oranje (alleen noodzakelijke reizen). Sommige steden zijn geel (neem de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen). De Britten waren wat optimistischer, de Amerikanen niet. Al met al kwam ik tot de conclusie dat een tocht langs de kuststeden verantwoord was. Daar liggen bovendien de meeste bezienswaardigheden, met uizondering van wat ooit de grootste trekker was, de route door de Sahara naar Timboektoe.

De vrijdagse demonstraties waren nog altijd gaande toen ik er reisde. Het gaat er gemoedelijk aan toe. Veel gezinnen met kinderen. De politie is massaal aanwezig, maar ongewapend. Ook geen wapenstok of pepperspray. De sfeer was ontspannen, ook op de centrale pleinen in Algiers. Ik ben niet tot middernacht op straat gebleven, maar zo lang er groepjes vriendinnen zitten te kletsen bij de ijssalons vind ik de sfeer niet bedreigend.

Lees meer Reizen in Algerije, deel 1: Praktische informatie

Gravity’s Rainbow van Thomas Pynchon is zo’n boek met een gebruiksaanwijzing. Ik las het op aanraden van Michael Chabon, die het als een belangrijke inspiratiebron aanhaalde voor zijn eigen roman Moonglow. De Nederlandse vertaling van Gravity’s Rainbow flopte in 1974 totaal en is nooit meer herdrukt. In de VS geldt het als een van de grote meesterwerken van de twintigste eeuw. De jury van de Pullitzer Prize bekroonde het indertijd, maar het bestuur floot die beslissing terug. Het boek zou ‘onleesbaar’ en ‘obsceen’ zijn.

Enfin, Gravity’s Rainbow is een baksteen van 900 pagina’s met een onnavolgbaar plot, een stortvloed aan beelden en metaforen, zo’n 400 personages, talloze culturele, historische en wetenschappelijke verwijzingen, een enkele wiskundige formule en inderdaad het een en ander aan (ranzige) seks, in één geval met een meisje van elf (daar werd in de jaren zeventig anders over gedacht dan nu). Sowieso dienen vrouwen in het boek alleen als seksuele decoratie en grossiert Pynchon in raciale stereotypen. Daarnaast wordt er het nodige aan drugs gebruikt door de vele karakters, en het is verleidelijk te denken dat Pynchon het hele boek als een grote trip geschreven heeft, maar daarvoor is het in al zijn krankzinnigheid weer veel te coherent.

Lees meer Thomas Pynchon &?8211; Gravity&?8217;s Rainbow

Het Britse parlement wil noch een Brexit-exit, noch een no-deal Brexit, noch de enige beschikbare yes-deal Brexit. En zelfs die totale besluiteloosheid wordt haar nu ontnomen door een man die voorwendt wél een beslissing te gaan nemen, maar in werkelijkheid onvast aankoerst op één van de drie dingen die het parlement niet wil. Prorogatie is Brexit op zijn best: als het echt spannend wordt gaan de Britten elkaar om de oren slaan met ongeschreven regels uit het tijdperk van Geoffrey of Monmouth.

Ergens vaag knaagt het bij mij dat buitenspel zetten van het parlement ondemocratisch is en dus om verwerping schreeuwt. Maar dan denk ik weer aan de wijze woorden van Alan B’Stard dat het Britse parlement begrepen moet worden als een sitcom, niet als een volksvertegenwoordiging. Prorogatie is een komische plottwist, maar geen fundamentele ingreep in de programmaformule. (sg)

J. Kessels heet Lennox in De goede zoon van Rob van Essen. In het eerste hoofdstuk van de roman neemt de brutale vriend en verteller, een sullige schrijver van plotloze thrillers, mee op een vage missie waarbij ze onder andere een nachtclub aandoen. Het volgende hoofdstuk begint in de Jiskefet-kantoormodus, gevolgd door passages over een zwaar gereformeerde jeugd. De roman zet allemaal vinkjes bij onderwerpen die Nederlandse lezers boeien.

Maar ik zou Rob van Essen tekort doen als ik het daarbij liet. Hij schrijft in een heerlijke fuckyoumodus, gaat zelfs een paar keer de discussie aan met zijn eindredacteur, dist een onwaarschijnlijk plot op over een geheime organisatie met tientallen werknemers die over lijken gaat om het leven van de hoofdpersoon in de gewenste banen te leiden. En dan is er nog iets met zelfrijdende auto’s annex psychiaters en een apparaat waarmee je door iemands hoofd kunt lopen (Malkovich!).

Lees meer Rob van Essen: De goede zoon

Soms heb je van die voetbalwedstrijden die veelbelovend van start gaan, met een paar snelle aanvallen en een bal op de paal, bijvoorbeeld, maar waar daarna de klad in komt. Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, want de bal wordt nog steeds heen en weer geschoven, maar de spelers zijn door angst voor een tegendoelpunt bevangen. Ergens weet je wel dat het 0-0 zal blijven, maar je kijkt toch verder in de hoop op iets van bevrijding. Dat gevoel bekroop me bij het lezen van Die Angst des Tormanns beim Elfmeter, de klassieker uit 1970 van Peter Handke, die al snel verfilmd werd door Wim Wenders.

Het verhaal draait om monteur Joseph Bloch, die op een dag wegloopt van zijn werk omdat hij denkt ontslagen te zijn. Dat blijft Bloch de hele roman door doen, ergens in een impuls naartoe gaan, er na aankomst niet weten wat te doen en dan weer weglopen. In het begin vermoordt hij een vrouw met wie hij is meegegaan. Daarna is hij op de vlucht voor de politie, maar daar lijkt hij zich niet bijzonder druk om te maken. Bloch blijft hangen in een grensdorpje waar hij niks te zoeken heeft behalve een oude vriendin die niets meer is dan dat.

Lees meer Peter Handke: Die Angst des Tormanns beim Elfmeter

Dit is een van de raarste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb. De vette jaren van Chan Koonchung is een roman. Maar het bevat ook lange sociaal-economische verhandelingen over het huidige China en politieke beschouwingen. Het verhaal is daaromheen gebouwd. Normaal zou je zeggen: mislukt als roman. Maar dat is dan ook weer niet het geval.

De hoofdpersoon is Lao Chen, een succesvolle schrijver van Taiwanese afkomt die al jaren in Beijing woont. Hij krijgt bezoek van zijn vriend Fang Caodi, die hem vertelt dat er een hele maand verdwenen is. Direct na de wereldwijde economische crisis van 2008, die voor China juist vette jaren inleidde, zijn 28 dagen verdwenen uit de boeken. Niemand weet meer wat er toen gebeurd is, zelfs als hij die dagen zelf heeft meegemaakt. Fang wil dat zijn vriend hem helpt de verloren maand terug te vinden.

Tijdens de ongerichte zoektocht die volgt, passeren verschillende andere karakters de revue, die ieder hun levensverhaal mogen vertellen. Er zit een half uitgewerkte liefdesgeschiedenis bij, maar vooral veel dialogen over de recente Chinese geschiedenis. Chan Koonchung hanteert daarbij een droge, feitelijke stijl zonder beeldspraak of andere poespas. Er moet een deus ex machina aan te pas komen om op de laatste pagina’s die verdwenen maand uit te leggen.

Ondanks de literaire tekortkomingen is De vette jaren echter een intrigerende roman, die op het Chinese vasteland niet officieel verkrijgbaar is. Dat komt door het omineuze beeld dat het van China schetst als een land met een falend geheugen, met een bevolking die zich met materiële welvaart laat ringeloren door een elite die voorgeeft met iedereen het beste voor te hebben. Wie dit leest begrijpt een beetje beter waarom de inwoners van Hong Kong zo tegenstribbelen, soms hoopvol, soms met de moed der wanhoop.

Pegida demonstreert graag in de buurt van moskeeën. Kennelijk verkeert men in de veronderstelling dat met name moslims gewaarschuwd dienen te worden tegen het naderende onheil der islamisering. Ik snap die redenering niet helemaal, maar soit. Er komt vaak heibel van. Afgelopen weekend werd de complete alt-meute afgevoerd in een poging klappen op te lopen bij een Eindhovense moskee waar dat vorige week niet gelukt was.

Enfin, wat ik mij dus afvroeg: kunnen we niet een mobiele lokmoskee bouwen, compleet met een over-the-top haatimam waarvan Mister Varkensbeuling en zijn pierewaaiers helemaal door het adrenalineplafond klappen? Dat wanneer ze een demo aankondigen, je als burgemeester tussen neus en lippen door kunt zeggen: ‘Nou ja, zo lang ze maar niet bij die moskee gaan barbecuen’. Ik durf te wedden dat ze er jarenlang intrappen. (sg)

Aan het eind van mijn recensie van De jaren Pep noteerde ik dat het beste Nederlandse stripwerk geleverd werd in de eerste tien jaren van opvolger Eppo. Logisch dus dat auteur Ger Apeldoorn een vervolg schreef, met de even logische titel De jaren Eppo. De formule is hetzelfde: een chronologisch overzicht van de gepubliceerde strips en de redactionele afwegingen erachter, met heel veel illustraties.

Natuurlijk is het leuk om al die oude strips voorbij te zien komen, naast de evergreens (Agent 327, Storm, Franka) ook al die prachtige strips die in de vergetelheid zijn geraakt (Professor Palmboom, Steven Severijn en heel wat werk van Dick Matena). Maar eigenlijk is de stripgeschiedschrijving erachter veel interessanter. Ger Apeldoorn weet die nostalgische snaar ook goed te raken.

Lees meer Ger Apeldoorn: De jaren Eppo

Afgelopen weekend hield de Thierry Jugend een toogdag om hun Führer te bewieroken (ik snap niet waarom u nu ‘Godwin’ denkt – het zijn gewone Duitse woorden, die mij geen enkele assiociatie met de Tweede Wereldoorlog oproepen). Bij die gelegenheid sprak de puppyführer het soort woorden dat ook wel eens door fascisten gebezigd wordt. Dat zegt natuurlijk niks. Fascisten zeggen ook wel eens ‘ober, twee bier, alstublieft’ en dat is evenmin een reden om iedere bierkelder verdacht te maken.

Enfin, wat ik wil zeggen: wilt u nou eindelijk eens ophouden met de vaderlandse alt-right ‘fascisten’ te noemen? De correcte term is ‘falangist’. Fascisten schermen niet met joods-christelijke poespas. De combinatie van zieligdoenerij, melodramatisch gedweep met religieuze roots en een neiging anderen het licht in de ogen niet te gunnen, heet falangisme. Dat wilde ik even zeggen. Dankuwel. (sg)