
Katka nam me mee naar een ruimte in een andere vleugel van het gebouw. Ze straalde als altijd, in weerwil van haar serieuze zelf, en ze wist alles over de wiskundige fundamenten van neurale netwerken. De ruimte stond vol met kasten van blauw gemoffeld staal. Voor een van die kasten stond een stoel, precies op de plek waar de massieve rij door een nisje onderbroken werd. Ik zag een beeldscherm en een toetsenbord.
‘Hij is Russisch’, legde Katka verontschuldigend uit. ‘Kijk, daar lopen de waterleidingen.’
‘Waterleidingen?’ vroeg ik.





