U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

László Krasznahorkai: De melancholie van het verzet

In een provinciestadje strijkt een gezelschap neer met als voornaamste attractie een opgezette walvis. Dat heb ik eerder gelezen. Maar László Krasznahorkai’s De melancholie van het verzet is geen lichtvoetig sprookje. Eerder een duistere parabel. Met de walvis is een groep van twintig mannen megekomen. Ze staan op het stadsplein, smoezend met elkaar. Die hebben weinig goeds in de zin, dat is duidelijk. De burgers van de stad moeten zich ergens op voorbereiden, of wegkijken, of het op een zuipen zetten.

Er is bijvoorbeeld mevrouw Eszter, die meent dat zij de macht zal moeten overnemen om erger te voorkomen. Meneer Harrer, die haar blindelings volgt. Meneer Eszter, die vooral met rust gelaten wil worden (en geminacht wordt door zijn vrouw). De simpele Valuska, zijn burgerlijke moeder, de inepte politiecommandant en nog wat andere karakters. Zij spelen allen hun rol op weg naar de onvermijdelijke ontlading. Maar daar gaat het allemaal niet om.

Het gaat om de taal, zinnen die soms meer dan een pagina aanhouden, niet een enkele keer maar bij voortduring, alsof de woorden gedrenkt zijn in suikerstroop die niet wil loslaten (en dan gooit László Krasznahorkai – grootmeester van de dubbele tangconstructies, haakjes en andere in literair verband zelden gebruikte leestekens – er met een gerust hart nog een paar bijzinnen tussendoor), woorden ook die zwanger zijn van zinloze details en achteloze terzijdes die verloren gaan in de zoektocht naar de betekenis van de hoofdzin, die zich evenmin altijd met gemak ontwaren laat, zodat je alleen maar kunt alleen met ontzag denken aan de concentratie die de auteur heeft moeten opbrengen tijdens het schrijven, terwijl je ook niet kunt nalaten met een mengsel van gruwel, medelijden en bewondering te denken aan de vertaler die dit allemaal vanuit het Hongaars, dat als Finoegrische taal immers totaal andere zinsconstructies kent, naar het Nederlands heeft moeten omzetten, een taal dus die uitblinkt in complexiteit, waarbij je je gelukkig prijst dat het verhaal er geen al te hoog tempo op nahoudt, zodat de schade beperkt is wanneer je het spoor een keer volkomen bijster raakt en van arren moede doorgaat met de volgende zin, waar je tot de ontdekking komt dat er in de tussentijd (op die pagina die je feitelijk hebt overgeslagen dus) gelukkig niet al te veel gebeurd is – dat zou je nopen die vermaledijde zin alsnog tot je te nemen – en je je weer kunt wijden aan de overpeinzingen van meneer Eszter, wiens gedachten weliswaar verheven en diepzinnig zijn, maar niet buitengewoon relevant in het licht van de gebeurtenissen die zich buiten afspelen waar zijn vriend, de simpele Valuska, het opneemt tegen mannen die doen alsof ze zijn vrienden zijn maar hem, tevergeefs aankloppend bij het huis van zijn moeder, ondertussen naar zijn ondergang leiden.

Dat dus. Het is allemaal waanzinnig knap en László Krasznahorkai wordt met recht als een literaire krachtpatser beschouwd. Na een poosje wen je zelfs aan de taal en glijden de pagina’s sneller voorbij. Maar veel meer dan knap is het niet.



×