Blogs in de categorie Cultuur

Ik René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIb, is het levensverhaal van de vader van striptekenaar Jacques Tardi. De eerste twee delen beschreven zijn verblijf in het krijgsgevangenkamp en de terugkeer naar Frankrijk. Het derde deel speelt zich na de oorlog af, als René ondanks zijn ervaringen besluit in het leger te blijven en in Duitsland wordt gestationeerd.

Omdat Jacques hier geboren wordt, moet hij de verteltechniek van de eerste delen loslaten, waarbij hij zijn vader vergezelde tijdens diens ontberingen. In plaats van in dialoog met zijn vader is hij hier beschouwer. Eigenlijk gaat het ook weinig meer over René. Meestentijds vertelt de tekenaar over zijn jeugd in het Frankrijk en Duitsland van de wederopbouw. De historische uitleg neemt af en toe wel heel veel ruimte en het cynische gemopper op de menselijke wreedheid ken je op een gegeven moment ook wel.

Kortom, dit derde deel is een beetje overbodig. Begrijpelijk dat Tardi het wilde vertellen – en leuk om te lezen hoe hij als zevenjarige al strips verslond en voortdurend bezig was met tekenen. Maar het verhaal van zijn vader was na het tweede deel eigenlijk klaar.

Een schrijversechtpaar woont in een rustig deel van Tokyo. Onmin is er niet, maar ze leven ook voor een belangrijk deel langs elkaar heen. Dan wandelt de kat van de buren steeds vaker bij hen binnen. Beiden ontwikkelen ze een eigen relatie met het dier. Dat eenvoudige gegeven ligt ten grondslag aan The guest cat van Takashi Hiraide (in het Nederlands: De kat). Het wordt ook niet veel ingewikkelder.

Haraide neemt rustig de tijd om het oude huis rond een binnenplaats te beschrijven, de traditioneel vormgegeven tuin, een kleine enclave waar het leven in alle kalmte voorbij kan trekken. De kat komt aanwaaien, krijgt af en toe een visje, raakt zo vertrouwd met het echtpaar dat hij soms blijft slapen. Langzaam gaat hun leven om de kat draaien. Onvermijdelijk komt de dag dat het dier wegblijft. Ook die wending leidt niet tot groot drama.

De novelle is traag, het plot minimaal. Normaal gesproken heb ik daar geen geduld mee. Maar door deze 140 melancholische pagina’s gleed ik moeiteloos heen. Dat is te danken aan de serene schrijfstijl van Takashi Hiraide. De traagte komt niet voort uit zinloze uitwijdingen, maar door liefdevolle beschrijvingen van het leven rond de binnenplaats. Zo precies maat houden, het is weinigen gegeven.

‘Aardbei en chocola’ is vooral bekend van de gelijknamige film (Fresa y chocolate), maar de grondslag is een verhaal van Senel Paz, dat ruim 25 jaar na dato in het Nederlands vertaald is. Het is vooral belangrijk vanwege de rol die het gespeeld heeft bij het bespreekbaar en maatschappelijk acceptabel maken van homoseksualiteit op Cuba.

Hoofdpersoon David is een jonge communist, die tegen zijn zin in een toneelstuk van Ibsen speelt. Daarmee trekt hij de aandacht van Diego, homoseksueel en kenner van subversieve literatuur. Er ontwikkeld zich een vriendschap, die bij David veel twijfel zaait. Hij speelt met de gedachte Diego aan te geven wegens contrarevolutionaire activiteiten, maar de wederzijdse genegenheid lijkt het te winnen. Dan blijkt ook Diego iets in zijn schild te voeren.

De kracht van Paz’ verhaal zit erin dat hij weinig expliciet maakt – ongetwijfeld de reden waarom het op Cuba door de beugel kon. Door David als hoofdpersoon te kiezen in plaats van Diego weet hij de lezer bovendien mooi mee te nemen in de twijfels van een ontluikende homoseksuele jongeman. Dat Paz soms wat uitleggerig is zij hem vergeven. Het blijft een mooi en moedig verhaal.

Om aan zijn verstikkende huwelijk te ontkomen wendt de 73-jarige Désiré Cordier dementie voor. Zo verovert hij een plekje in een verzorgingstehuis. Daarvoor moet hij onberekenbaar worden, enkel incoherente taal uitslaan, zijn vrouw en kinderen niet meer herkennen en in zijn broek poepen, maar het is het waard. En dan blijkt ook zijn jeugdliefde in hetzelfde tehuis te zijn opgenomen. Een mooie premisse heeft De laatkomer van Dimitri Verhulst zeker.

Het is ook niet moeilijk te zien waarom het een verfilmde beststeller werd. Désiré moppert er een eind op los, de opservarties zijn pijnlijk en raak, de gebeurtenissen bij vlagen ontroerend en hilarisch. Het verhaal is knap opgebouwd. Op haperingen in de laconieke stijl zul je Verhulst niet betrappen.

Toch wringt er iets. Dat zit in het karakter van Désiré. Hoe kan iemand die verbitterd is geraakt in decennia huwelijk ineens zo opgeruimd kiezen voor de rol van demente bejaarde? Waarom kan hij het leven als aftakelende sul wel licht opnemen, terwijl hij het bij zijn vrouw niet uithield? Maar goed, ‘De laatkomer’ is ook eerder bedoeld als komedie dan als psychologische roman, vermoed ik.

Notes on nationalism van George Orwell zou eigenlijk ‘Notes on tribalism’ moeten heten, want wat Orwell hier beschrijft is bekrompen groepsdenken in de breedte, dus inclusief onder meer communisme en politiek catholicisme. Het essay dateert van 1945, maar de observaties kun je zo over de hedendaagse politiek leggen. Neem bijvoorbeeld de drie algemene karaktertrekken die hij signaleert:

  1. Obsessie met de superioriteit van de eigen stam
  2. Instabiele hechting, dat wil zeggen, relatief eenvoudige overdraagbaarheid van de loyaliteit op een andere stam
  3. Onverschilligheid ten opzichte van de werkelijkheid: wat niet in het straatje past wordt genegeerd of ontkend

Lees meer George Orwell: Notes on nationalism

Al vrij snel in Laat me niet vallen van de Amerikaanse auteur/muzikant Willy Vlautin heb je door dat hoofdpersonage Horace Hopper een aardige, plichtsgetrouwe jongen is, maar niet de allerslimste. Hij is op zijn plek op de ranch van meneer en mevrouw Reese, die hem als tiener onder hun hoede genomen hebben. Zijn vader kent hij niet, zijn moeder wilde van hem af. In de bergen van Nevada, bij de schapenkudde, is hij op zijn plek.

Het is, met andere woorden, niet zo’n heel goed idee dat Horace het in zijn hoofd gehaald heeft om onder de naam Hector Hidalgo bokser te worden in het ruige Mexicaanse circuit. Maar hem tegenhouden kunnen de Reeses niet. Hun lot is zich zorgen te maken over hun jongen, en hem keer op keer duidelijk te maken dat hij altijd welkom blijft op de ranch.

Lees meer Willy Vlautin: Laat me niet vallen

Zelfs op feestelijke foto’s van prijsuitreikingen, waarmee Capharnaum kwistig bedeeld werd, staat hoofdrolspeler Zain al Rafeea erbij met een intens droevige blik in zijn ogen. Zodra hij lacht, krijgt het iets geforceerds. Kortom, de hoofdrol is hem op het lijf geschreven, want veel om vrolijk van te worden dient zich niet aan in Capharnaum.

Zain (zo heet hij ook in de film) groeit op in een arm gezin in Beirut. Naar school gaan zit er niet in. Als zijn jongere zusje wordt uitgehuwelijkt, knapt er iets. Hij loopt weg van huis. Bij toeval vindt hij onderdak bij een Ethiopische gastarbeidster, die in een hutje woont met haar baby. Dat is even leuk, maar dan slaat het noodlot weer toe, en nog een keer. Het verhaal is een tranentrekker uit de school van Oliver Twist en Alleen op de wereld.

Dat de film niet in melodrama ontspoort is te danken aan het briljante spel van Zain. Of spel, waarschijnlijk is Zain gewoon zo, getuige de publiciteitsfoto’s. Een misantroop in het lichaam van een jongen, die iedere tegenslag als een vanzelfsprekendheid ervaart en slechts bij korte vlagen zijn frustratie uit.

In april doen twee Amerikaanse auteurs Rotterdam aan voor een goed gesprek met Ernest van der Kwast bij Boek & Meester: David Vann (maandag 1 april, Bibliotheektheater) en Willy Vlautin (maandag 29 april, Worm). De laatste is ook singer/songwriter en schijnt zijn gitaar mee te nemen. Koop kaartjes bij het loket van Rotown Magic. Korting voor een combiticket.

Heilbot op de maan is een roman geflankeerd door een aantal korte verhalen (die niet in de Engelstalige editie te vinden zijn, dus de Nederlandse vertaling heeft zowaar een meerwaarde). Ik zou van alles kunnen vertellen over de inhoud (depressieve man geeft zich over aan de zorgen van zijn broer), maar één citaat uit het verhaal Ignatius geeft aardig de sfeer van het boek weer:

Hij trachtte door de donkere put in zijn binnenste naar het allerdonkerste te vallen, dwars door zijn gedachten heen. Een gapende afgrond die opzij slingerde en steeds dieper werd, de spelonk van wat hij zijn moest, maar niet was.

Laat me niet vallen van Willy Vlautin is optimistischer van toon: een enigszins naïeve boerenjongen uit Nevada wil professioneel bokser worden. Je voelt aan dat dat wel eens zou kunnen gaan tegenvallen. Spannend en diep menselijk tegelijk.

Voor een interviewprogramma volstaat het niet dat er een goed boek op tafel ligt. Je hebt ook schrijvers met een verhaal nodig. Dat zit bij dit tweetal wel goed, getuige bijvoorbeeld dit gesprek met David Vann en Willy Vlautin die de titelsong van zijn roman zingt.

Meestal staat Christian Bale in een hoofdrol garant voor een leep potje acteerwerk. Dus je zou zeggen: Dick Cheney, de vileine vice-president van George Bush, is wel iets voor hem. Maar of het nou aan de dikke lagen make-up ligt of niet, Bale’s Cheney komt in Vice nauwelijks uit de verf. Het blijft bij wat maniertjes, zoals lispelende woorden uit een scheve mond.

Misschien ook ligt het aan het eclectische scenario van regisseur Adam McKay. Hij wisselt historische passages af met een meta-verhaal en uitlegscènes. Net als in McKay’s film over de kredietcrisis, The big short (ook met Christian Bale), moeten er wel heel veel ballen tegelijk in de lucht blijven. Het klopt op zich allemaal wel, maar je ziet aan alle kanten dat er gepropt is. De ‘kleurloze’ Cheney heeft zich in zijn politieke carrière op zoveel vlakken misdragen dat het misschien wat te ambitieus is om het in één film te proppen. Ik vraag me ook wel af of het te volgen is als je niet enigszins ingevoerd bent in de materie.

Dit alles neemt niet weg dat er genoeg te genieten valt. Ik vond Sam Rockwell erg sterk als George Bush. Halverwege, bijvoorbeeld, begint ineens de aftiteling, waarna de film alsnog doorgaat. Ook als de echte aftiteling een eindje onderweg is, volgt er nog een interessante scène, die het pamfletkarakter van de film (moet je zien wat deze kerel allemaal aan smerigheid bekoksfoofd heeft) enigszins relativeert.

Patrick Modiano won de Nobelprijs voor de literatuur in 2014. Ik begon daarom met enige verwachtingen aan Ring Roads, het laatste deel van zijn trilogie over de bezettingsjaren in Frankrijk. Het viel een beetje tegen. Stilistisch was er niets mis mee. Modiano weet het beklemmende leven onder de Duitse overheersing prachtig neer te zetten, soms in een paar woorden. Maar het verhaal…

Hoofdpersoon Serge strijkt neer in een dorpje waar zijn vader Chalva het hoofd boven water houdt in gezelschap van dubieuze lieden die hem ieder moment kunnen verraden. Zolang hij zijn nut bewijst, is hij veilig. Serge heeft zijn vader meer dan tien jaar niet gezien en houdt zijn identiteit verborgen. Halverwege de roman wordt duidelijk dat een pijnlijke gebeurtenis de oorzaak is van hun scheiding, terwijl ze tot die tijd als oplichters samen optrokken. Serge wil zijn vader redden, maar weet niet of dat op prijs gesteld wordt, gegeven ‘het incident’.

Dat laatste gok ik, want uit het verhaal wordt het niet duidelijk. Het gaat heel veel over het dronkemansgebral van de journalist/afperser en zijn vriend de ex-legionair, die de vader in hun omgeving dulden. Wat precies het arrangement is, wordt nergens helder. Waarom Serge zo omslachtig te werk gaat bij het ‘redden’ van zijn vader blijft ook in nevelen gehuld. Vrijwel achteloos pleegt Serge een zinloze moord die alleen maar ellende kan veroorzaken. En als vader en zoon uiteindelijk op de vlucht slaan, denk je ook niet: die zien ze nooit meer terug.

Kortom, wat mij vrijwel vanaf de eerste bladzijde hinderde was het compleet ontbreken van logica of noodzaak voor de handelingen van de personages. Men doet maar wat – terwijl je zou denken dat Joden die in bezet Frankrijk het vege lijf willen reden wat meer geconcentreerd te werk zouden gaan. Misschien is dat geklungel juist het punt dat Patrick Modiano wil maken, maar ik houd nu eenmaal van wat meer coherentie. (Overigens is dit een van Modiano’s vroegste romans, dus beschouw dit niet als een oordeel over zijn auteurschap als geheel)