Blogs in de categorie Cultuur

Soms heb je van die voetbalwedstrijden die veelbelovend van start gaan, met een paar snelle aanvallen en een bal op de paal, bijvoorbeeld, maar waar daarna de klad in komt. Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, want de bal wordt nog steeds heen en weer geschoven, maar de spelers zijn door angst voor een tegendoelpunt bevangen. Ergens weet je wel dat het 0-0 zal blijven, maar je kijkt toch verder in de hoop op iets van bevrijding. Dat gevoel bekroop me bij het lezen van Die Angst des Tormanns beim Elfmeter, de klassieker uit 1970 van Peter Handke, die al snel verfilmd werd door Wim Wenders.

Het verhaal draait om monteur Joseph Bloch, die op een dag wegloopt van zijn werk omdat hij denkt ontslagen te zijn. Dat blijft Bloch de hele roman door doen, ergens in een impuls naartoe gaan, er na aankomst niet weten wat te doen en dan weer weglopen. In het begin vermoordt hij een vrouw met wie hij is meegegaan. Daarna is hij op de vlucht voor de politie, maar daar lijkt hij zich niet bijzonder druk om te maken. Bloch blijft hangen in een grensdorpje waar hij niks te zoeken heeft behalve een oude vriendin die niets meer is dan dat.

Lees meer Peter Handke: Die Angst des Tormanns beim Elfmeter

Dit is een van de raarste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb. De vette jaren van Chan Koonchung is een roman. Maar het bevat ook lange sociaal-economische verhandelingen over het huidige China en politieke beschouwingen. Het verhaal is daaromheen gebouwd. Normaal zou je zeggen: mislukt als roman. Maar dat is dan ook weer niet het geval.

De hoofdpersoon is Lao Chen, een succesvolle schrijver van Taiwanese afkomt die al jaren in Beijing woont. Hij krijgt bezoek van zijn vriend Fang Caodi, die hem vertelt dat er een hele maand verdwenen is. Direct na de wereldwijde economische crisis van 2008, die voor China juist vette jaren inleidde, zijn 28 dagen verdwenen uit de boeken. Niemand weet meer wat er toen gebeurd is, zelfs als hij die dagen zelf heeft meegemaakt. Fang wil dat zijn vriend hem helpt de verloren maand terug te vinden.

Tijdens de ongerichte zoektocht die volgt, passeren verschillende andere karakters de revue, die ieder hun levensverhaal mogen vertellen. Er zit een half uitgewerkte liefdesgeschiedenis bij, maar vooral veel dialogen over de recente Chinese geschiedenis. Chan Koonchung hanteert daarbij een droge, feitelijke stijl zonder beeldspraak of andere poespas. Er moet een deus ex machina aan te pas komen om op de laatste pagina’s die verdwenen maand uit te leggen.

Ondanks de literaire tekortkomingen is De vette jaren echter een intrigerende roman, die op het Chinese vasteland niet officieel verkrijgbaar is. Dat komt door het omineuze beeld dat het van China schetst als een land met een falend geheugen, met een bevolking die zich met materiële welvaart laat ringeloren door een elite die voorgeeft met iedereen het beste voor te hebben. Wie dit leest begrijpt een beetje beter waarom de inwoners van Hong Kong zo tegenstribbelen, soms hoopvol, soms met de moed der wanhoop.

Aan het eind van mijn recensie van De jaren Pep noteerde ik dat het beste Nederlandse stripwerk geleverd werd in de eerste tien jaren van opvolger Eppo. Logisch dus dat auteur Ger Apeldoorn een vervolg schreef, met de even logische titel De jaren Eppo. De formule is hetzelfde: een chronologisch overzicht van de gepubliceerde strips en de redactionele afwegingen erachter, met heel veel illustraties.

Natuurlijk is het leuk om al die oude strips voorbij te zien komen, naast de evergreens (Agent 327, Storm, Franka) ook al die prachtige strips die in de vergetelheid zijn geraakt (Professor Palmboom, Steven Severijn en heel wat werk van Dick Matena). Maar eigenlijk is de stripgeschiedschrijving erachter veel interessanter. Ger Apeldoorn weet die nostalgische snaar ook goed te raken.

Lees meer Ger Apeldoorn: De jaren Eppo

Ik René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIb, is het levensverhaal van de vader van striptekenaar Jacques Tardi. De eerste twee delen beschreven zijn verblijf in het krijgsgevangenkamp en de terugkeer naar Frankrijk. Het derde deel speelt zich na de oorlog af, als René ondanks zijn ervaringen besluit in het leger te blijven en in Duitsland wordt gestationeerd.

Omdat Jacques hier geboren wordt, moet hij de verteltechniek van de eerste delen loslaten, waarbij hij zijn vader vergezelde tijdens diens ontberingen. In plaats van in dialoog met zijn vader is hij hier beschouwer. Eigenlijk gaat het ook weinig meer over René. Meestentijds vertelt de tekenaar over zijn jeugd in het Frankrijk en Duitsland van de wederopbouw. De historische uitleg neemt af en toe wel heel veel ruimte en het cynische gemopper op de menselijke wreedheid ken je op een gegeven moment ook wel.

Kortom, dit derde deel is een beetje overbodig. Begrijpelijk dat Tardi het wilde vertellen – en leuk om te lezen hoe hij als zevenjarige al strips verslond en voortdurend bezig was met tekenen. Maar het verhaal van zijn vader was na het tweede deel eigenlijk klaar.

Een schrijversechtpaar woont in een rustig deel van Tokyo. Onmin is er niet, maar ze leven ook voor een belangrijk deel langs elkaar heen. Dan wandelt de kat van de buren steeds vaker bij hen binnen. Beiden ontwikkelen ze een eigen relatie met het dier. Dat eenvoudige gegeven ligt ten grondslag aan The guest cat van Takashi Hiraide (in het Nederlands: De kat). Het wordt ook niet veel ingewikkelder.

Haraide neemt rustig de tijd om het oude huis rond een binnenplaats te beschrijven, de traditioneel vormgegeven tuin, een kleine enclave waar het leven in alle kalmte voorbij kan trekken. De kat komt aanwaaien, krijgt af en toe een visje, raakt zo vertrouwd met het echtpaar dat hij soms blijft slapen. Langzaam gaat hun leven om de kat draaien. Onvermijdelijk komt de dag dat het dier wegblijft. Ook die wending leidt niet tot groot drama.

De novelle is traag, het plot minimaal. Normaal gesproken heb ik daar geen geduld mee. Maar door deze 140 melancholische pagina’s gleed ik moeiteloos heen. Dat is te danken aan de serene schrijfstijl van Takashi Hiraide. De traagte komt niet voort uit zinloze uitwijdingen, maar door liefdevolle beschrijvingen van het leven rond de binnenplaats. Zo precies maat houden, het is weinigen gegeven.

‘Aardbei en chocola’ is vooral bekend van de gelijknamige film (Fresa y chocolate), maar de grondslag is een verhaal van Senel Paz, dat ruim 25 jaar na dato in het Nederlands vertaald is. Het is vooral belangrijk vanwege de rol die het gespeeld heeft bij het bespreekbaar en maatschappelijk acceptabel maken van homoseksualiteit op Cuba.

Hoofdpersoon David is een jonge communist, die tegen zijn zin in een toneelstuk van Ibsen speelt. Daarmee trekt hij de aandacht van Diego, homoseksueel en kenner van subversieve literatuur. Er ontwikkeld zich een vriendschap, die bij David veel twijfel zaait. Hij speelt met de gedachte Diego aan te geven wegens contrarevolutionaire activiteiten, maar de wederzijdse genegenheid lijkt het te winnen. Dan blijkt ook Diego iets in zijn schild te voeren.

De kracht van Paz’ verhaal zit erin dat hij weinig expliciet maakt – ongetwijfeld de reden waarom het op Cuba door de beugel kon. Door David als hoofdpersoon te kiezen in plaats van Diego weet hij de lezer bovendien mooi mee te nemen in de twijfels van een ontluikende homoseksuele jongeman. Dat Paz soms wat uitleggerig is zij hem vergeven. Het blijft een mooi en moedig verhaal.

Om aan zijn verstikkende huwelijk te ontkomen wendt de 73-jarige Désiré Cordier dementie voor. Zo verovert hij een plekje in een verzorgingstehuis. Daarvoor moet hij onberekenbaar worden, enkel incoherente taal uitslaan, zijn vrouw en kinderen niet meer herkennen en in zijn broek poepen, maar het is het waard. En dan blijkt ook zijn jeugdliefde in hetzelfde tehuis te zijn opgenomen. Een mooie premisse heeft De laatkomer van Dimitri Verhulst zeker.

Het is ook niet moeilijk te zien waarom het een verfilmde beststeller werd. Désiré moppert er een eind op los, de opservarties zijn pijnlijk en raak, de gebeurtenissen bij vlagen ontroerend en hilarisch. Het verhaal is knap opgebouwd. Op haperingen in de laconieke stijl zul je Verhulst niet betrappen.

Toch wringt er iets. Dat zit in het karakter van Désiré. Hoe kan iemand die verbitterd is geraakt in decennia huwelijk ineens zo opgeruimd kiezen voor de rol van demente bejaarde? Waarom kan hij het leven als aftakelende sul wel licht opnemen, terwijl hij het bij zijn vrouw niet uithield? Maar goed, ‘De laatkomer’ is ook eerder bedoeld als komedie dan als psychologische roman, vermoed ik.

Notes on nationalism van George Orwell zou eigenlijk ‘Notes on tribalism’ moeten heten, want wat Orwell hier beschrijft is bekrompen groepsdenken in de breedte, dus inclusief onder meer communisme en politiek catholicisme. Het essay dateert van 1945, maar de observaties kun je zo over de hedendaagse politiek leggen. Neem bijvoorbeeld de drie algemene karaktertrekken die hij signaleert:

  1. Obsessie met de superioriteit van de eigen stam
  2. Instabiele hechting, dat wil zeggen, relatief eenvoudige overdraagbaarheid van de loyaliteit op een andere stam
  3. Onverschilligheid ten opzichte van de werkelijkheid: wat niet in het straatje past wordt genegeerd of ontkend

Lees meer George Orwell: Notes on nationalism

Al vrij snel in Laat me niet vallen van de Amerikaanse auteur/muzikant Willy Vlautin heb je door dat hoofdpersonage Horace Hopper een aardige, plichtsgetrouwe jongen is, maar niet de allerslimste. Hij is op zijn plek op de ranch van meneer en mevrouw Reese, die hem als tiener onder hun hoede genomen hebben. Zijn vader kent hij niet, zijn moeder wilde van hem af. In de bergen van Nevada, bij de schapenkudde, is hij op zijn plek.

Het is, met andere woorden, niet zo’n heel goed idee dat Horace het in zijn hoofd gehaald heeft om onder de naam Hector Hidalgo bokser te worden in het ruige Mexicaanse circuit. Maar hem tegenhouden kunnen de Reeses niet. Hun lot is zich zorgen te maken over hun jongen, en hem keer op keer duidelijk te maken dat hij altijd welkom blijft op de ranch.

Lees meer Willy Vlautin: Laat me niet vallen

Zelfs op feestelijke foto’s van prijsuitreikingen, waarmee Capharnaum kwistig bedeeld werd, staat hoofdrolspeler Zain al Rafeea erbij met een intens droevige blik in zijn ogen. Zodra hij lacht, krijgt het iets geforceerds. Kortom, de hoofdrol is hem op het lijf geschreven, want veel om vrolijk van te worden dient zich niet aan in Capharnaum.

Zain (zo heet hij ook in de film) groeit op in een arm gezin in Beirut. Naar school gaan zit er niet in. Als zijn jongere zusje wordt uitgehuwelijkt, knapt er iets. Hij loopt weg van huis. Bij toeval vindt hij onderdak bij een Ethiopische gastarbeidster, die in een hutje woont met haar baby. Dat is even leuk, maar dan slaat het noodlot weer toe, en nog een keer. Het verhaal is een tranentrekker uit de school van Oliver Twist en Alleen op de wereld.

Dat de film niet in melodrama ontspoort is te danken aan het briljante spel van Zain. Of spel, waarschijnlijk is Zain gewoon zo, getuige de publiciteitsfoto’s. Een misantroop in het lichaam van een jongen, die iedere tegenslag als een vanzelfsprekendheid ervaart en slechts bij korte vlagen zijn frustratie uit.