Blogs in de categorie Cultuur

Ergens aan het begin van Quentin Tarantino’s nieuwe film Once Upon a Time … in Hollywood komt in een flits een neonreclame TONYA voorbij. Het zal geen toeval zijn dat dit de glansrol was waarmee de Australische actrice Margot Robbie zich in de kijker speelde. Bij Tarantino is niets toeval. De bleue Sharon Tate die hij Robbie laat vertolken in zijn film steekt helaas flets af tegen de ongrijpbare Tonya. De actrice komt er deze keer bekaaid vanaf.

Once upon a time … is in de eerste plaats een excuus om Leonardo di Caprio in een onwaarschijnlijke hoeveelheid pakjes te steken, en Brad Pitt in strakke shirts. De mannen spelen een westernacteur in zijn nadagen en diens stuntman annex chauffeur annex klusjesman. Het verhaal speelt zich af in de aanloop naar de moord op Sharon Tate, maar heeft daar verder weinig mee van doen. Veel plot is er evenmin. Wat dat betreft heeft Tarantino Pulp Fiction nooit meer overtroffen.

De kracht van het scenario zit in de moeiteloze manier waarop de regisseur een tijdsbeeld van Hollywood anno 1969 vervlecht met beelden uit de films en televisieseries waarmee de mannen groot zijn geworden. De meeste filmverwijzingen zijn mij ongetwijfeld ontgaan, maar de eyecandy is fantastisch en de soundtrack is ook dik in orde (al heeft Tarantino wel heel veel nummers erin gepropt, terwijl hij toch bijna drie uur film heeft afgeleverd). Fijne cinematotaalervaring.

Bij vlagen is het moeilijk voorstelbaar dat Het land van herkomst van E. du Perron vele decennia ná Max Havelaar verschenen is. Vanuit literair oogpunt verdient het zijn bijzondere plaats in de Nederlandse letteren, maar de volkomen vanzelfsprekende acceptatie van het koloniale gedachtengoed doet de moderne lezer op zijn minst enigszins fronsen. Met als curieuze bijkomstigheid dat Du Perron een groot bewonderaar van Multatuli was.

Het autobiografische verhaal is een klassieke raamvertelling. De hoofdpersoon vertelt over zijn huidige leven, in het bijzonder zijn geldzorgen, in Brussel en Parijs. Zijn moeder is overleden en er zijn problemen met de verkoop van het landgoed. De situatie is op een gegeven moment zo nijpend dat zijn geliefde en hij hun intrek moeten nemen in een hotel in Bretagne. Gelukkig zijn er vrienden om mee te converseren over het schrijverschap, de wedijver tussen communisme en fascisme (het is 1934), de relaties tussen mannen en vrouwen en alles wat zoal ter sprake kan komen in intellectuele kringen.

Parallel vertelt de hoofdpersoon over zijn jeugd op Java. Het kolonialisme is dan nog in full swing, en het is duidelijk dat inlanders geslagen moeten worden als ze niet gehoorzamen. Als vader en moeder van huis zijn, valt deze taak toe aan de elfjarige. Tegen de tijd dat het vertrek naar Nederland nadert, nemen de hormonen het over en gaan de flashbacks vooral over al dan niet onwillige meisjes.

Lees meer E. du Perron: Het land van herkomst

Gravity’s Rainbow van Thomas Pynchon is zo’n boek met een gebruiksaanwijzing. Ik las het op aanraden van Michael Chabon, die het als een belangrijke inspiratiebron aanhaalde voor zijn eigen roman Moonglow. De Nederlandse vertaling van Gravity’s Rainbow flopte in 1974 totaal en is nooit meer herdrukt. In de VS geldt het als een van de grote meesterwerken van de twintigste eeuw. De jury van de Pullitzer Prize bekroonde het indertijd, maar het bestuur floot die beslissing terug. Het boek zou ‘onleesbaar’ en ‘obsceen’ zijn.

Enfin, Gravity’s Rainbow is een baksteen van 900 pagina’s met een onnavolgbaar plot, een stortvloed aan beelden en metaforen, zo’n 400 personages, talloze culturele, historische en wetenschappelijke verwijzingen, een enkele wiskundige formule en inderdaad het een en ander aan (ranzige) seks, in één geval met een meisje van elf (daar werd in de jaren zeventig anders over gedacht dan nu). Sowieso dienen vrouwen in het boek alleen als seksuele decoratie en grossiert Pynchon in raciale stereotypen. Daarnaast wordt er het nodige aan drugs gebruikt door de vele karakters, en het is verleidelijk te denken dat Pynchon het hele boek als een grote trip geschreven heeft, maar daarvoor is het in al zijn krankzinnigheid weer veel te coherent.

Lees meer Thomas Pynchon &?8211; Gravity&?8217;s Rainbow

J. Kessels heet Lennox in De goede zoon van Rob van Essen. In het eerste hoofdstuk van de roman neemt de brutale vriend en verteller, een sullige schrijver van plotloze thrillers, mee op een vage missie waarbij ze onder andere een nachtclub aandoen. Het volgende hoofdstuk begint in de Jiskefet-kantoormodus, gevolgd door passages over een zwaar gereformeerde jeugd. De roman zet allemaal vinkjes bij onderwerpen die Nederlandse lezers boeien.

Maar ik zou Rob van Essen tekort doen als ik het daarbij liet. Hij schrijft in een heerlijke fuckyoumodus, gaat zelfs een paar keer de discussie aan met zijn eindredacteur, dist een onwaarschijnlijk plot op over een geheime organisatie met tientallen werknemers die over lijken gaat om het leven van de hoofdpersoon in de gewenste banen te leiden. En dan is er nog iets met zelfrijdende auto’s annex psychiaters en een apparaat waarmee je door iemands hoofd kunt lopen (Malkovich!).

Lees meer Rob van Essen: De goede zoon

Soms heb je van die voetbalwedstrijden die veelbelovend van start gaan, met een paar snelle aanvallen en een bal op de paal, bijvoorbeeld, maar waar daarna de klad in komt. Je kunt niet zeggen dat er niks gebeurt, want de bal wordt nog steeds heen en weer geschoven, maar de spelers zijn door angst voor een tegendoelpunt bevangen. Ergens weet je wel dat het 0-0 zal blijven, maar je kijkt toch verder in de hoop op iets van bevrijding. Dat gevoel bekroop me bij het lezen van Die Angst des Tormanns beim Elfmeter, de klassieker uit 1970 van Peter Handke, die al snel verfilmd werd door Wim Wenders.

Het verhaal draait om monteur Joseph Bloch, die op een dag wegloopt van zijn werk omdat hij denkt ontslagen te zijn. Dat blijft Bloch de hele roman door doen, ergens in een impuls naartoe gaan, er na aankomst niet weten wat te doen en dan weer weglopen. In het begin vermoordt hij een vrouw met wie hij is meegegaan. Daarna is hij op de vlucht voor de politie, maar daar lijkt hij zich niet bijzonder druk om te maken. Bloch blijft hangen in een grensdorpje waar hij niks te zoeken heeft behalve een oude vriendin die niets meer is dan dat.

Lees meer Peter Handke: Die Angst des Tormanns beim Elfmeter

Dit is een van de raarste boeken die ik de laatste jaren gelezen heb. De vette jaren van Chan Koonchung is een roman. Maar het bevat ook lange sociaal-economische verhandelingen over het huidige China en politieke beschouwingen. Het verhaal is daaromheen gebouwd. Normaal zou je zeggen: mislukt als roman. Maar dat is dan ook weer niet het geval.

De hoofdpersoon is Lao Chen, een succesvolle schrijver van Taiwanese afkomt die al jaren in Beijing woont. Hij krijgt bezoek van zijn vriend Fang Caodi, die hem vertelt dat er een hele maand verdwenen is. Direct na de wereldwijde economische crisis van 2008, die voor China juist vette jaren inleidde, zijn 28 dagen verdwenen uit de boeken. Niemand weet meer wat er toen gebeurd is, zelfs als hij die dagen zelf heeft meegemaakt. Fang wil dat zijn vriend hem helpt de verloren maand terug te vinden.

Tijdens de ongerichte zoektocht die volgt, passeren verschillende andere karakters de revue, die ieder hun levensverhaal mogen vertellen. Er zit een half uitgewerkte liefdesgeschiedenis bij, maar vooral veel dialogen over de recente Chinese geschiedenis. Chan Koonchung hanteert daarbij een droge, feitelijke stijl zonder beeldspraak of andere poespas. Er moet een deus ex machina aan te pas komen om op de laatste pagina’s die verdwenen maand uit te leggen.

Ondanks de literaire tekortkomingen is De vette jaren echter een intrigerende roman, die op het Chinese vasteland niet officieel verkrijgbaar is. Dat komt door het omineuze beeld dat het van China schetst als een land met een falend geheugen, met een bevolking die zich met materiële welvaart laat ringeloren door een elite die voorgeeft met iedereen het beste voor te hebben. Wie dit leest begrijpt een beetje beter waarom de inwoners van Hong Kong zo tegenstribbelen, soms hoopvol, soms met de moed der wanhoop.

Aan het eind van mijn recensie van De jaren Pep noteerde ik dat het beste Nederlandse stripwerk geleverd werd in de eerste tien jaren van opvolger Eppo. Logisch dus dat auteur Ger Apeldoorn een vervolg schreef, met de even logische titel De jaren Eppo. De formule is hetzelfde: een chronologisch overzicht van de gepubliceerde strips en de redactionele afwegingen erachter, met heel veel illustraties.

Natuurlijk is het leuk om al die oude strips voorbij te zien komen, naast de evergreens (Agent 327, Storm, Franka) ook al die prachtige strips die in de vergetelheid zijn geraakt (Professor Palmboom, Steven Severijn en heel wat werk van Dick Matena). Maar eigenlijk is de stripgeschiedschrijving erachter veel interessanter. Ger Apeldoorn weet die nostalgische snaar ook goed te raken.

Lees meer Ger Apeldoorn: De jaren Eppo

Ik René Tardi, krijgsgevangene in Stalag IIb, is het levensverhaal van de vader van striptekenaar Jacques Tardi. De eerste twee delen beschreven zijn verblijf in het krijgsgevangenkamp en de terugkeer naar Frankrijk. Het derde deel speelt zich na de oorlog af, als René ondanks zijn ervaringen besluit in het leger te blijven en in Duitsland wordt gestationeerd.

Omdat Jacques hier geboren wordt, moet hij de verteltechniek van de eerste delen loslaten, waarbij hij zijn vader vergezelde tijdens diens ontberingen. In plaats van in dialoog met zijn vader is hij hier beschouwer. Eigenlijk gaat het ook weinig meer over René. Meestentijds vertelt de tekenaar over zijn jeugd in het Frankrijk en Duitsland van de wederopbouw. De historische uitleg neemt af en toe wel heel veel ruimte en het cynische gemopper op de menselijke wreedheid ken je op een gegeven moment ook wel.

Kortom, dit derde deel is een beetje overbodig. Begrijpelijk dat Tardi het wilde vertellen – en leuk om te lezen hoe hij als zevenjarige al strips verslond en voortdurend bezig was met tekenen. Maar het verhaal van zijn vader was na het tweede deel eigenlijk klaar.

Een schrijversechtpaar woont in een rustig deel van Tokyo. Onmin is er niet, maar ze leven ook voor een belangrijk deel langs elkaar heen. Dan wandelt de kat van de buren steeds vaker bij hen binnen. Beiden ontwikkelen ze een eigen relatie met het dier. Dat eenvoudige gegeven ligt ten grondslag aan The guest cat van Takashi Hiraide (in het Nederlands: De kat). Het wordt ook niet veel ingewikkelder.

Haraide neemt rustig de tijd om het oude huis rond een binnenplaats te beschrijven, de traditioneel vormgegeven tuin, een kleine enclave waar het leven in alle kalmte voorbij kan trekken. De kat komt aanwaaien, krijgt af en toe een visje, raakt zo vertrouwd met het echtpaar dat hij soms blijft slapen. Langzaam gaat hun leven om de kat draaien. Onvermijdelijk komt de dag dat het dier wegblijft. Ook die wending leidt niet tot groot drama.

De novelle is traag, het plot minimaal. Normaal gesproken heb ik daar geen geduld mee. Maar door deze 140 melancholische pagina’s gleed ik moeiteloos heen. Dat is te danken aan de serene schrijfstijl van Takashi Hiraide. De traagte komt niet voort uit zinloze uitwijdingen, maar door liefdevolle beschrijvingen van het leven rond de binnenplaats. Zo precies maat houden, het is weinigen gegeven.

‘Aardbei en chocola’ is vooral bekend van de gelijknamige film (Fresa y chocolate), maar de grondslag is een verhaal van Senel Paz, dat ruim 25 jaar na dato in het Nederlands vertaald is. Het is vooral belangrijk vanwege de rol die het gespeeld heeft bij het bespreekbaar en maatschappelijk acceptabel maken van homoseksualiteit op Cuba.

Hoofdpersoon David is een jonge communist, die tegen zijn zin in een toneelstuk van Ibsen speelt. Daarmee trekt hij de aandacht van Diego, homoseksueel en kenner van subversieve literatuur. Er ontwikkeld zich een vriendschap, die bij David veel twijfel zaait. Hij speelt met de gedachte Diego aan te geven wegens contrarevolutionaire activiteiten, maar de wederzijdse genegenheid lijkt het te winnen. Dan blijkt ook Diego iets in zijn schild te voeren.

De kracht van Paz’ verhaal zit erin dat hij weinig expliciet maakt – ongetwijfeld de reden waarom het op Cuba door de beugel kon. Door David als hoofdpersoon te kiezen in plaats van Diego weet hij de lezer bovendien mooi mee te nemen in de twijfels van een ontluikende homoseksuele jongeman. Dat Paz soms wat uitleggerig is zij hem vergeven. Het blijft een mooi en moedig verhaal.