Listrik mati

Ik ben opgegroeid in een tropisch land waar regelmatig het licht uitviel. Doorgaans waren de mannen van de elektriciteitscentrale zo vriendelijk te waarschuwen door de stroom eerst een paar seconden af te knijpen en dan weer aan te zetten. Daarna was er nog even tijd om kaarsen en zaklantaarns tevoorschijn te halen, voordat het licht definitief uitging. Soms ging het licht zonder waarschuwing uit. Dat leidde altijd tot enige verontwaardiging. Zo hoorde het niet.

Geen elektriciteit betekende dus vooral alternatief licht. Verder ging het leven door als altijd. Televisie hadden we niet. De telefoon werkte handmatig, met een zwengeltje waaraan je moest draaien om een telefoniste te krijgen. Andere elektrische apparaten kan ik me niet herinneren, behalve de koffiemolen die we gebruikten om poedersuiker te maken. De ijskast draaide op petroleum.

Overdag merkte je weinig van lichtuitval en als kind moest ik vroeg naar bed, dus gebeurde het voor mij eigenlijk altijd tijdens het avondeten. Ik bleef gehoorzaam aan tafel zitten, terwijl mijn moeder de race inzette om tijdig alle benodigde attributen bij elkaar te hebben. Meestal haalde ze het. Dan aten we gewoon verder. De maaltijd kreeg er wel een bijzondere lading door, een mengsel van spanning en extra gezelligheid.

Voor mij hangt er nog altijd een romantische waas om uitvallend licht, of ‘listrik mati’ zoals het in de lokale taal heette. Dode elektriciteit. Het had iets mysterieus, niet alleen het kaarslicht dat gezichten van onderen bescheen, maar ook de gedachte dat verre mannen in een onbekende centrale besloten dat er geen licht meer zou zijn. Ik had geen flauw idee wat ik me bij zo’n centrale moest voorstellen. Dood licht was een aangenaam raadsel, goed voor spannende jongensfantasieĆ«n.

Niet zo lang geleden was er sprake van elektriciteitsuitval in een deel van Rotterdam-West. Ik bevond mij in het kantoor van een literaire stichting waar ik voorzitter van ben. De werknemers gingen naar huis, voor hen viel er niks meer te doen. De directeur en ik bleven achter voor een bespreking. Op een gegeven moment had iedereen in onze omgeving weer licht. Maar wij niet. Nou ja, half. De ene helft van het kantoor had wel licht, de andere niet. Gelukkig kenden we daar de oorzaak van: we hadden twee elektriciteitsaansluitingen, omdat het ooit twee panden waren. De toevallig binnenvallende systeembeheerder waagde zich aan hardware en opende de stoppenkast. Niets hielp.

Er was geen ontkomen aan. We moesten Eneco bellen. Met mobieltjes natuurlijk, want de telefooncentrale deed het ook niet. Uiteindelijk kregen we iemand aan de lijn, die beloofde ons terug te bellen. Dat gebeurde nog ook. Het bleek als volgt te zitten. Eneco had groene en blauwe kabels. De mensen met een groene kabel hadden weer licht. De mensen met een blauwe ook. Maar wij hadden een groene Ć©n een blauwe kabel. Dus moesten we nog even geduld hebben. Nee, verder uitleggen was onmogelijk.

Uiteraard mopperden we, maar inwendig maakte zich van mij ook een zekere vrolijkheid meester. In al die Nederlandse jaren was elektriciteit voor mij een kaal, fantasieloos verschijnsel geworden. Ik wist hoe een centrale werkte, had er zelfs wel eens eentje van binnen gezien. Niets bijzonders aan. Nu ineens bleken er toch nog onverklaarbare fenomenen te bestaan, dingen die je noopten je fantasie in te zetten.

We bestelden een pizza, want we wilden het kantoor niet achterlaten zonder neergelaten rolluiken. In een schemering van straatlantaarnlicht aten we hem op, terwijl ik onbegrepen verhalen over vroeger ophaalde. Romantische gedachten bij een elektriciteitsstoring waren de anderen vreemd, hoewel de systeembeheerder nog wel kon bedenken dat er over negen maanden vast veel kindertjes geboren zouden worden.

Halverwege de avond floepte het licht weer aan. Het was schel en wit. De restjes pizza zagen er meteen onappetijtelijk uit. We wisten niet hoe snel we het pand moesten verlaten, naar de stamkroeg van wijlen dichter Riekus Waskowsky. Daar hadden ze nog oude wijnflessen met dikke klodders kaarsvet erop. Bij een goed glas whisky staarde ik in de vlam, een glimlach op mijn gezicht. Dankzij de groene en blauwe kabels van Eneco was het mysterie van de elektriciteit in mij teruggekeerd.

Eerder verschenen in De Ingenieur nr 22/23, 2001