Toy problems

355a

Begin maart haalde de TU Delft zowaar de voorpagina van de Volkskrant. Niet met iets technisch, natuurlijk (daar val je de krantenlezer ‘s ochtends vroeg niet mee lastig), maar met een vette roddel: hoogleraar René de Borst had de deur boos achter zich dichtgeslagen en vertrok naar Eindhoven. Opgeruimd staat netjes, zullen ze in Delft stiekem gedacht hebben, want ze hebben De Borst ook al een keer intern moeten overplaatsen nadat hij met alles en iedereen op zijn oude faculteit ruzie gemaakt had.

De roddel van de Volkskrant concentreerde zich echter op de reden die De Borst opgaf voor zijn vertrek: de TU Delft is sinds een jaar of drie een popiejopie universiteit waar echte wetenschappers niet meer serieus genomen worden. Sterker nog, ‘de wetenschap wordt verwaarloosd. Eens keert dit zich als een boemerang tegen je.’ Alle aandacht gaat naar leuke projectjes, zoals de Nuna zonnewagen en de Wasub onderzeeër.

De giftigste pijlen waren gereserveerd voor de superbus, die met 250 kilometer per uur passagiers moet gaan vervoeren. Volstrekt onzinnig project, vinden sommige hoogleraren te Delft, want een onhaalbaar concept. Je hoort ze in dit verband overigens nooit over de quantumcomputer, toch ook een apparaat met een hoog onwaarschijnlijkheidsgehalte waar stapels onderzoeksgeld in gaan.

Vrij symptomatisch voor de kritiek is een document dat transporthoogleraar Ingo Hansen over de superbus opstelde. Daarin kraakt hij het ding overtuigend af aan de hand van bestaande normen en huidige technische stand van zaken. Maar daar gaat het helemaal niet om. De superbus is een complexe ontwerpopdracht die het uiterste vergt van de ingenieurs die eraan werken. Dat past prima binnen de missie van een technische universiteit. Ook als de superbus weinig meer is dan een toy problem, steek je onderweg veel op.

De superbus gaat vanzelfsprekend een stapje verder dan Nuna en Wasub. De laatste twee waren evengoed complexe ontwerpopdrachten, maar daarin stonden studenten centraal. Dat valt nog een beetje te verdedigen. Met de superbus komt dit type project binnen het bereik van de vaste aanstellingen. Kortom, de verloedering rukt op. Nog even en heel de TU Delft zit te legoën.

Nou kan ik me goed voorstellen dat Hansen en De Borst stekelige vragen van gelijkgestemde collega’s elders krijgen. Het is niet leuk als je vakgenoten het hebben over de Toy U Delft. Maar MIT, toch niet de beroerdste technische universiteit, wacht nog altijd op de boemerang van de vele toy problems waar ze zich in de loop der jaren tegenaan bemoeid heeft. Amerikaanse universiteiten snappen namelijk donders goed dat leuke ontwerpprojecten publicitaire waarde hebben en helemaal niet ten koste hoeven te gaan van je wetenschappelijke reputatie.

Daar komt bij dat Wubbo Ockels, initiatiefnemer van de superbus, miljoenen aan extra geld heeft weten te verwerven voor het project. Het is dus niet zo dat zijn onderzoek ten koste gaat van financiering voor het allicht fundamentelere werk van collega’s. Daarom kun je je afvragen waarom anderen zich er zo ontzettend druk om maken. Ze schieten er immers niks bij in, op een paar publieke schouderklopjes na.

Zo gaat een mens toch al gauw aan kinnesinne denken. Je hoor het ze denken: waarom krijgt die flapdrol van een Ockels zoveel waardering voor zijn gedachtenspinseltjes, terwijl mijn superieure wetenschappelijke inzichten alleen door een paar collega’s de hemel in geprezen worden? Tsja, Ockels weet inderdaad steeds met grote bravoure het spotlight te pakken. Hij heeft nu eenmaal een sexyer vakgebied dan De Borst, aan wiens genie in de toegepaste mechanica overigens niemand twijfelt. Maar moet je dat Wubbo kwalijk nemen?

Ik heb zo’n vermoeden dat betrokkenen iedere suggestie van kinnesinne naar het rijk der fabelen zullen verwijzen. In dat geval zou ik willen zeggen: laat Wubbo Ockels lekker knutselen en wees blij dat hij die loden last van alle media-aandacht op zich neemt. Des te meer tijd houden jullie over voor uiterst belangrijk wetenschappelijk onderzoek.

Eerder verschenen in De Ingenieur nr 5, 2007.