De grens van de mens

1746
Hoogleraar Peter-Paul Verbeek schreef met ‘De grens van de mens’ een inzichtelijk boek hoe de technologie onze ideeën over het mens zijn beïnvloedt. Mens en technologie zo met elkaar verweven dat je hun ontwikkeling niet los van elkaar kunt zien.

Zijn meest intrigerende voorbeeld geeft prof.dr. Peter-Paul Verbeek, hoogleraar aan de Universiteit Twente met een tweede aanstelling aan de TU Delft, meteen weg in de inleiding van zijn boek ‘De grens van de mens’. Het gaat over een man met zware symptomen van Parkinson. Om die de baas te worden krijgt hij een hersenimplantaat. Het werkt goed.

Er is echter een bijwerking, die zich op de wat langere termijn manifesteert: zijn gedrag verandert. Hij knoopt een relatie aan met een getrouwde vrouw, koopt dure auto’s en doet allerlei andere dingen die een mens onderneemt als zijn remmingen wegvallen. Zijn naaste omgeving herkent hem niet meer, maar zelf ziet hij het probleem niet. Tot het implantaat om medische redenen uitgezet moet worden. Dan schaamt zich voor wat hij allemaal gedaan heeft. Hij kiest ervoor het apparaat weer aan te laten zetten, maar zich op te laten nemen in een inrichting, die hem van misdragingen weerhoudt.

Allerlei andere voorbeelden passeren de revue, terwijl Verbeek de vervagende grens tussen mens en technologie aan een filosofische analyse onderwerpt. Op de uitersten zitten twee scholen van denkers. De ene groep, de bioconservatieven, vindt dat de mens paal en perk moet stellen aan de toepassing van technologie die ingrijpt in de menselijke natuur (wat dat ook precies moge zijn). De andere groep, de transhumanisten, vindt juist dat het een plicht is om de mens te verbeteren met technologische middelen.

Beide groepen blijven echter in een te beperkt wereldbeeld hangen, betoogt Verbeek. Ze houden vast aan de klassieke scheiding tussen subject en object. Techniek en mens zijn separate zaken en de technologie grijpt in op de mens. Het verschil zit erin dat de bioconservatieven die ingreep wantrouwen, terwijl de transhumanisten er een blind vertrouwen in hebben. Allebei hebben ze echter een onnodige obsessie voor technologie.

In werkelijkheid, stelt Verbeek, zijn mens en technologie zo met elkaar verweven dat je hun ontwikkeling niet los van elkaar kunt zien. Of technische ingrepen goed of slecht zijn voor de mens, is de verkeerde ethische vraag. Het gaat erom wat de mens van zijn met de technologie verweven bestaan wil maken. In feite zegt Verbeek: mensen moeten zich eerst en vooral afvragen wat voor leven zij willen leiden en pas daarna kijken welke rol technologie daarin kan spelen.

Het is een heldere conclusie van een helder betoog, al zit er wel een beetje een golfbeweging in het boek. Het begint praktisch, duikt dan de diepte van het filosofische debat in (met de nodige name dropping), om vervolgens weer terug te keren naar de praktijk. Dat maakt het boek echter niet minder leesbaar.

Peter-Paul Verbeek, De grens van de mens. Lemniscaat, 2011.